RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 13-019824-26
Beslissing op verzoek opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis van de rechtbank, meervoudige kamer in strafzaken, van 30 oktober 2026
(artikel 69 en 80 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [detentieplaats] .
Raadsvrouw mr. E.H. Houwaard (waargenomen door dhr. mr. R.H. Bouwman)
Procedure
Op de zitting van 27 oktober 2026 heeft de raadsman opheffing subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis verzocht.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman op de zitting gehoord.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en gronden, die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, onverkort aanwezig zijn.
Ernstige bezwaren
De rechtbank kan aansluiten bij hetgeen de rechter-commissaris en de raadkamer gevangenhouding eerder hebben overwogen. De rechtbank betrekt bij haar beoordeling ook het aanvullende dossier dat ten behoeve van deze eerste pro forma zitting is verstrekt. Hieruit onstaat een beeld van voldoende ernstige bezwaren voor de verdenkingen jegens verdachte. Het gaat daarbij samengevat om:
- Processen-verbaal van de politie (observaties, TCI informatie, taps) over
handelingen, gedragingen en mogelijke leidende rol van verdachte op de Wallen met
betrekking tot het werven, organiseren, aansturen en profiteren van het werk van meerdere Roemeense sekswerkers;
De verklaringen van de vrouwen vertonen overeenkomsten. Zij vertellen dat zij tijdens hun werkzaamheden door de leden van de groep worden gecontroleerd, geïnstrueerd en geïntimideerd. Toen bekend werd bij de groep dat er vrouwen waren die met de politie hebben gesproken, is door een medeverdachte tegen hen gezegd dat ze niet over verdachte mogen verklaren.
De als slachtoffer aangemerkte sekswerker [naam 4] geeft zelf aan niet door verdachte te
worden uitgebuit. Uit het dossier en de bevindingen van de politie over de omgang van
verdachte met [naam 4] komt een ander beeld naar voren die de verdenking van uitbuiting van
[naam 4] door verdachte in dit stadium voldoende onderbouwen. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat het inmiddels een feit van algemene bekendheid is dat in mensenhandelzaken slachtoffers regelmatig zeer terughoudend of bang zijn om tegen verdachten van mensenhandel te verklaren gelet op de repercussies die dit kan hebben voor hen en hun in Roemenië woonachtige familieleden. Daar zijn in deze zaak ook aanwijzingen voor.
Uit de processtukken blijkt verder dat verdachte zich in wisselende samenstellingen met medeverdachten over de Wallen beweegt en dat verschillende slachtoffers hebben verklaard dat deze groep ‘pooiers’ bepaalt wat er gebeurt. Uit de verklaringen ontstaat het beeld dat vanuit deze groep vrouwen uit Duitsland, Oostenrijk en Roemenië worden overgebracht naar Nederland, aan andere vrouwen worden voorgesteld om hen wegwijs te maken, dat er BSN-nummers en KvK-inschrijvingen worden geregeld om prostitutiewerk te kunnen uitvoeren en dat er beschermingsgeld wordt gevraagd en aan verdachte wordt betaald. Aan de eigenaar en zijn personeel van een café op De Wallen heeft een groep Roemenen, waaronder [verdachte] , gezegd dat zij meiden achter de ramen hebben werken.
De medeverdachten zijn lid van een chatgroep genaamd “ [chatgroep] ” waarin een video is gedeeld van een incident op de Dam waarbij een andere groep Roemeense mannen wordt bespuugd en vernederd, omdat zij schijnbaar ook vrouwen op de Wallen te werk zouden hebben gesteld. In die chatgroep is gevraagd of verdachte (“ [verdachte] ”) is gebeld voor goedkeuring.
Gronden
De gronden die eerder van toepassing zijn verklaard zijn onverkort van toepassing. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Uit bepaalde omstandigheden blijkt van een gewichtige reden van maatschappelijke
veiligheid die de onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte vordert.
Er is sprake van verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van twaalfjaren of (gelet op het tenlastegelegde medeplegen) meer is gesteld en de rechtsorde is door dat feit ernstig geschokt. De rechtbank betrekt daarbij de persaandacht die een zaak als deze trekt en plaatst die ook in de sleutel van de aard en ernst van de verdenking. De verdachte wordt verdacht betrokken te zijn geweest bij het organiseren en profiteren van seksuele uitbuiting van meerdere vrouwen uit Roemenië, die zich in een kwetsbare positie bevinden en vooralsnog niet laten vergelijken met de situatie waarin een mondige prostituee in Nederland zou moeten verkeren. Seksuele uitbuiting vormt een ernstige inbreuk op de menselijke waardigheid en integriteit en heeft een grote, groeiende, ondermijnende maatschappelijke impact. Gelet hierop is aannemelijk dat de vrijlating van de verdachte in deze fase van de procedure zal leiden tot maatschappelijke onrust.
Verder moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal
begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld.
Er moet daarbij ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, nu ernstige bezwaren aanwezig zijn voor uitbuiting van prostituees in georganiseerd verband gedurende langere periode. Het dossier bevat sterke aanwijzingen dat verdachte en zijn organisatie in zijn en hun inkomen voorzien door deze misdrijven. Mensenhandel feiten zijn bij uitstek feiten die worden gepleegd voor financieel gewin. Hierdoor moet voor herhaling worden gevreesd.
Ten slotte wordt overwogen dat de voorlopige hechtenis nog steeds in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid. Het onderzoek is immers nog steeds niet afgerond en de verdachte kan de voortgang hiervan belemmeren.
De rechtbank is van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op dit moment nog niet aan de orde is.
Het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis wordt daarom afgewezen.
Verzoek schorsing
De persoonlijke omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd wegen minder zwaar dan de belangen die gediend worden met het voortduren van de vrijheidsbeneming van de verdachte.
Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis af.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek in al zijn onderdelen af.
Deze beslissing is gegeven op 30 oktober 2026 door:
mr. A.M. Loots, voorzitter,
mr. C. Klomp en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.