ECLI:NL:RBAMS:2026:1107

ECLI:NL:RBAMS:2026:1107

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 05-02-2026
Zaaknummer C/13/769512 / HA RK 25-169
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Bij beschikking van 15 mei 2017 heeft rechtbank overdrachtsplan DNB voor verzekeraar goedgekeurd (art. 3:195c (oud) Wft en art. 3:159u (oud) Wft). Bekrachtigd door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:746). Verzekeraar verzoekt herroeping van de beschikking van de rechtbank op de voet van art. 390 jo art 382 Rv en afgifte/inzage stukken (art. 195 Rv). Rechtbank oordeelt dat sprake is van bedrog door wederpartij in het geding gepleegd als bedoeld in artikel 382 onder a Rv. Bedrog ten aanzien van het niet inlichten over de met het overdrachtsplan verbonden herverzekering. Processueel causaal verband tussen bedrog en beslissing. Geen heropening geding omdat de aard van de beschikking zich tegen herroeping verzet. Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om inzage in stukken te verlenen wordt grotendeels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer / rekestnummer: C/13/769512 / HA RK 25-169

Beschikking van 5 februari 2026

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

CONSERVATRIX GROUP S.A.R.L.,

gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),

verzoekende partij,

hierna te noemen: Conservatrix Groep,

advocaat: mr. W.A. Westenbroek,

tegen

de naamloze vennootschap

DE NEDERLANDSCHE BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verwerende partij,

hierna te noemen: DNB,

advocaat: mr. P.P.M. van Kippersluis.

1. Samenvatting

Op 15 mei 2017 heeft deze rechtbank op verzoek van DNB, nadat de Nederlandsche Algemeene Maatschappij van Levensverzekering “Conservatrix” N.V. (hierna: Conservatrix) en Conservatrix Groep als belanghebbenden waren gehoord, op de voet van artikel 3:159u lid 1 (oud) Wet op het financieel toezicht (Wft), kort gezegd het door DNB opgestelde overdrachtsplan goedgekeurd hetgeen betekende dat alle aandelen van Conservatrix Groep in Conservatrix overgingen op Trier Holding B.V. (hierna: Trier) tegen betaling van € 1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 mei 2019 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Conservatrix is op 8 december 2020 in staat van faillissement verklaard.

Bij verzoekschrift van 20 mei 2025 heeft Conservatrix Groep de rechtbank verzocht de beschikking van 15 mei 2017 op de voet van artikel 390 jo 382 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te herroepen, althans te verklaren voor recht dat sprake is geweest van bedrog aan de zijde van DNB. Ook heeft zij de rechtbank verzocht DNB te bevelen inzage te verlenen in diverse stukken, waaronder stukken die in de procedure in 2017 niet met Conservatrix Groep en de rechtbank zijn gedeeld.

Conservatrix Groep stelt dat DNB in 2017 in de procedure bij de rechtbank bedrog heeft gepleegd. Volgens Conservatrix Groep heeft DNB enkel gesproken over een kapitaalstorting door Trier en heeft DNB haar en de rechtbank ten onrechte niet ingelicht over de met het overdrachtsplan verbonden herverzekering bij de Amerikaanse vennootschap Colorado Bankers Life Insurance Company (hierna: CBL).

Het begrip (processueel) ‘bedrog’ zoals bedoeld in artikel 382 onder a Rv moet ruim worden uitgelegd. Van bedrog in deze zin is al sprake wanneer een partij in de procedure belet dat feiten aan het licht komen die voor de tegenpartij tot een gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden. Eerst moet de rechter uitsluitend onderzoeken of van ‘bedrog’ in deze zin sprake is.

De rechtbank oordeelt dat inderdaad sprake is van “bedrog in het geding gepleegd” als bedoeld in artikel 382 onder a Rv, omdat de herverzekering door DNB buiten de procedure is gehouden. Daardoor heeft geen volwaardig debat kunnen plaatsvinden over de vraag of minder vergaande maatregelen (alternatieven) mogelijk waren geweest om Conservatrix te ‘redden’. Dit betekent echter niet dat de zaak wordt heropend. Omdat terugdraaien van de overdracht van de aandelen in Conservatrix niet meer mogelijk is, verzet de aard van de oorspronkelijke beschikking zich tegen herroeping en wordt Conservatrix Groep daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De zaak zal dan ook niet opnieuw worden beoordeeld.

Het verzoek van Conservatrix Groep om inzage in stukken te verlenen, wordt (grotendeels) toegewezen.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt, voor zover van belang, uit:

- het verzoekschrift tot herroeping ex artikel 390 Rv jo 382 Rv, tot het bevelen tot overlegging van stukken ex artikel 21, 22 en 195/195a Rv, althans artikel 843a Rv, en tot verklaring voor recht dat sprake is geweest van bedrog aan de zijde van DNB, ingekomen ter griffie op 20 mei 2025, met producties;

- de nadere toelichting en onderbouwing bij verzoekschrift tot herroeping van 20 mei 2025 en overlegging aanvullende producties, met producties;

- het verweerschrift van DNB, met producties;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 november 2025, met de daarin vermelde stukken, waaronder de spreekaantekeningen van (de advocaten van) Conservatrix Groep en DNB.

De beschikking is bepaald op vandaag.

3. De feiten

Conservatrix oefende met vergunning en onder prudentieel toezicht van DNB een levensverzekeringsbedrijf uit. Alle aandelen in Conservatrix werden tot 15 mei 2017 gehouden door Conservatrix Groep. Conservatrix is op 8 december 2020 in staat van faillissement verklaard.

Bij besluit van 1 april 2014 heeft DNB op de voet van artikel 1:76 lid 2 sub b en lid 3 Wft P. de Groot (hierna: de curator) benoemd als curator ten aanzien van de directie van Conservatrix, onder meer op de grond dat DNB bij Conservatrix tekenen zag van een ontwikkeling die het eigen vermogen en de solvabiliteit in gevaar konden brengen en zij direct ingrijpen noodzakelijk achtte.

Op 3 juli 2014 heeft DNB van Conservatrix een herstelplan verlangd als bedoeld in artikel 3:132 lid 1 (oud) Wft. In dat plan moest Conservatrix onder meer vermelden op welke wijze en binnen welke termijnen zij aan de vereiste solvabiliteitsnormen zou voldoen.

Op 23 september 2014 heeft DNB besloten niet in te stemmen met het door Conservatrix ingediende herstelplan omdat dit naar haar oordeel niet voorzag in een duurzame oplossing om te komen tot structureel herstel. Daarnaast heeft DNB per uiterlijk 30 september 2014 van Conservatrix een minimumbedrag aan vereiste solvabiliteit verlangd van 130%.

DNB heeft aan Conservatrix begin januari 2016 medegedeeld dat zij een overdrachtsplan als bedoeld in artikel 3:159c lid 1 (oud) Wft aan het voorbereiden was.

Op 26 oktober 2016 heeft DNB aan Conservatrix schriftelijk medegedeeld dat zij voornemens is de vergunning voor het uitoefenen van het levensverzekeringsbedrijf in te trekken op grond van artikel 1:104 lid 2 sub c Wft. DNB heeft daarvoor de volgende toelichting gegeven:

“Op basis van de jaarrekening over boekjaar 2015 stelt DNB vast dat Conservatrix ultimo 2015 niet voldeed aan de vereiste solvabiliteit volgens de destijds geldende regels (‘Solvency I’) en dat zij daarom niet voldoet aan de overgangsregeling (…). Gelet op de Day One rapportage waaruit bleek dat Conservatrix niet voldoet aan het minimumkapitaal-vereiste, was Conservatrix verplicht om een financieel kortetermijnplan bij DNB in te dienen. Nu vast is komen te staat dat Conservatrix dit niet heeft gedaan, is DNB wettelijk verplicht om de vergunning in te trekken.”

Overdrachtsprocedure

Op 22 maart 2017 heeft DNB op de voet van artikel 3:159u (oud) Wft

een verzoekschrift tot goedkeuring van het overdrachtsplan ingediend bij deze rechtbank (deze procedure wordt hierna ook de overdrachtsprocedure genoemd). DNB heeft in haar verzoekschrift kort gezegd naar voren gebracht dat de voorwaarden van het overdrachtsplan zijn uitgewerkt in een eenzijdige verklaring van Trier aan DNB, een zogenaamde Confirmation Letter van 17 maart 2017. DNB en Trier zijn overeengekomen dat alle door Conservatrix uitgegeven aandelen na rechterlijke goedkeuring en door het uitspreken van de overdrachtsregeling worden overgedragen aan Trier tegen betaling door Trier aan Conservatrix Groep van € 1. Daarnaast is volgens DNB van belang dat Trier zal zorgdragen voor een versterking van het kapitaal die ertoe leidt dat de solvabiliteitsratio van Conservatrix op het moment van overdracht ten minste 135% bedraagt.

In de Confirmation Letter is, voor zover van belang, opgenomen dat:

“(…) the transfer of the Shares to the Transferee shall be effected on the basis of approval of a transfer plan (overdrachtsplan) by the Court (the Transfer Plan) (…).

(…) the Transferee shall capitalize the Company in line with arrangements agreed with DNB;

(…) the Transferee will capitalize the Company as soon as possible (…), but in any event within two (2) Business Days after the Transfer Date.”

Bij beschikking van 15 mei 2017 heeft de rechtbank het overdrachtsplan goedgekeurd en de overdrachtsregeling ten aanzien van Conservatrix uitgesproken. De rechtbank heeft getoetst aan het criterium van artikel 3:159ij (oud) Wft aan de hand van twee subvragen:

( a) zijn er ten aanzien van Conservatrix tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling met betrekking tot het eigen vermogen, de solvabiliteit of de technische voorzieningen?; en

( b) is redelijkerwijs te voorzien dat die ontwikkeling niet voldoende of niet tijdig ten goede zal keren?

Daarnaast diende de rechtbank de vraag te beantwoorden of de in het overdrachtsplan genoemde prijs, gegeven de omstandigheden van het geval, een redelijke prijs is.

Conservatrix Groep is bij verzoekschrift van 15 augustus 2017 in cassatie gekomen van deze beschikking van de rechtbank. Bij beschikking van 17 mei 2019 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen.

Evaluatierapport

Op 14 december 2021 is het rapport van de door de minister van Financiën ingestelde evaluatiecommissie Conservatrix (hierna: het Evaluatierapport) openbaar gemaakt. De evaluatiecommissie heeft onderzoek gedaan naar de handelwijze van DNB en het ministerie van Financiën ten aanzien van Conservatrix bij de overdracht van de aandelen aan Trier en in de periode tot het faillissement van Conservatrix op 8 december 2020. In het Evaluatierapport staat onder meer het volgende:

“(…)

Op 22 oktober 2021 heeft de Evaluatiecommissie de vraag naar de ‘kapitaalstorting’ aan De Nederlandsche Bank voorgelegd. De reactie luidt als volgt:

‘In het beoordelingskader dat op 7 maart 2017 in de stuurgroep [Conservatrix] is besproken, wordt kapitaalstorting als criterium genoemd om de SCR ratio [SCR Solvency Capital Requirement onder Solvency II, rb] op 135 procent te krijgen, waarbij is aangegeven dat de benodigde omvang op 5 maart werd geschat op 103 miljoen euro.

In de beoordeling van het criterium is “kapitaalstorting” bewust tussen aanhalingstekens geplaatst omdat bekend werd dat de daadwerkelijke kapitaalstorting af zou wijken vanwege de af te sluiten herverzekering. De exacte omvang was echter op dat moment nog onduidelijk. Deze toelichting staat vermeld in de beoordeling (...).

Op 7 maart 2017 werd het positieve effect van de voorgestelde herverzekeringsconstructie op het eigen vermogen getaxeerd op circa 67 miljoen euro, waarbij maximaal 150 miljoen euro aan verzekeringsverplichtingen werd herverzekerd. De berekende toevoeging aan het eigen vermogen bestond uit het verschil tussen de te betalen premie en de herverzekerde verplichtingen (50 miljoen euro) en een vrijval van de risicomarge (17 miljoen euro). Bij de overdracht in mei 2017 heeft de herverzekeringsovereenkomst met CBL uiteindelijk bijgedragen aan een toename van het Solvency II eigen vermogen met 61 miljoen euro, opgebouwd uit het verschil tussen de betaalde herverzekeringspremie en de herverzekerde verplichtingen en een vrijval van de risicomarge van 11 miljoen euro. Omdat op 7 maart 2017 de details van de herverzekeringsovereenkomst tussen Conservatrix en CBL, en de uitwerking daarvan op de solvabiliteit, nog niet duidelijk waren is in de informatievoorziening aan de Toezichtraad aangegeven wat de omvang van de maximale kapitaalstorting zou zijn (circa 103 miljoen euro) met de kanttekening dat het definitieve bedrag afhankelijk zou zijn van de omvang van de effecten van de herverzekeringsovereenkomst op het eigen vermogen en de aan te houden SCR. Bij de overdracht aan Trier Holding is het Solvency II eigen vermogen met in totaal ruim 79 miljoen euro versterkt, bestaande uit de kapitaalstorting van ruim 18 miljoen euro en de effecten van de gesloten herverzekeringsovereenkomst met CBL. Door de kapitaalversterking en de verlaging van de SCR herstelde de SCR ratio tot ruim boven de 135 procent.

(…)

Het submission protocol

De afspraken met Lindberg [ultimate beneficial owner (ubo) van Trier, rb] werden vastgelegd in een groot aantal documenten met verschillende partijen als betrokkenen en ondertekenaars. Allereerst is er een hoofddocument, de Confirmation Letter to the Dutch Central Bank for the transfer of the shares in Nederlandsche Algemeene Maatschappij van Levensverzekering ‘Conservatrix’ N.V. In deze Confirmation Letter met als datum 17 maart 2017 (…) werd de overdracht van de aandelen en van allerlei voorzieningen, zoals websites en domeinnamen, vastgelegd.

In andere overeenkomsten is sprake van het vastleggen van verplichtingen die partijen ten opzichte van elkaar hebben.

Zo kwamen ook op 17 maart 2017 Trier Holding B.V. en De Nederlandsche Bank het submission protocol overeen. Dit protocol is getekend door De Nederlandsche Bank en door de bestuurders van Trier Holding B.V.

Het protocol bevat – summier weergegeven – de belangrijkste afspraken met Trier Holding B.V., onder andere over de vereiste solvabiliteitsratio van 135 procent en de herverzekering.

Het Agreement re post-completion covenants kent verschillende annexen. Het Agree-

ment zelf is ondertekend door:

• De Nederlandsche Bank

• Trier Holding B.V.

• Netherlands Insurance Holding Inc. (Delaware)

• NIH Capital LLC (North Carolina)

• [naam 2]

(…)

Het recapilization commitment

In deze Annex is opgenomen dat de zogeheten bijstortverplichting opgenomen waarop Trier Holding B.V. en de indirecte aandeelhouders zich verplichten een SCR van minimaal 135 procent te handhaven.

(…)

De herverzekeringsovereenkomst

Op 15 mei 2017, de dag van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, over de goedkeuring van het overdrachtsplan, kwamen Conservatrix en CBL een ‘Aggregate Excess of Loss Reinsurance Treaty’ overeen. De Nederlandsche Bank is geen partij in deze overeenkomst, maar heeft wel in de Process Letter waarmee de onderhandelingen met [naam 1] begonnen, en in het Agreement voorwaarden gesteld waaraan een herverzekeringsovereenkomst moet voldoen om in aanmerking te komen als risicolimitering onder Solvency II. Bij de uiteindelijke tekst van de overeenkomst was De Nederlandsche Bank betrokken: de ontwerptekst werd bezien om vast te stellen of aan alle gestelde voorwaarden was voldaan.

(…).”

Schadeloosstellingsprocedure Ondernemingskamer

Conservatrix Groep heeft in 2017 bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam een verzoekschrift ingediend op de voet van artikel 3:159ab (oud) Wft tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling in verband met de gedwongen overdracht van de aandelen Conservatrix. De verwerende partij in deze procedure is de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat).

Bij beschikking van 24 augustus 2021 heeft de Ondernemingskamer overwogen voornemens te zijn een deskundigenbericht te gelasten ter beantwoording van de vraag naar de waarde van de aandelen in Conservatrix. In de beschikking van 20 december 2024 heeft de Ondernemingskamer vervolgens een deskundigenbericht gelast en een drietal deskundigen benoemd.

Bij beschikking van 4 juni 2025 heeft de Ondernemingskamer de benoeming van een van de deskundigen beëindigd en een nieuwe deskundige benoemd. Ook heeft de Ondernemingskamer het voorschot van de kosten van het onderzoek vastgesteld en bepaald dat dit voorschot ieder voor de helft door Conservatrix Groep en de Staat dient te worden voldaan.

Bij verzoekschrift van 20 mei 2025 heeft Conservatrix Groep (ook) bij de Ondernemingskamer een verzoekschrift ingediend waarin zij – kort gezegd – verzoekt de beschikkingen van 24 augustus 2021 en 20 december 2024 op de voet van artikel 387 Rv te herroepen. Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de Ondernemingskamer dit verzoek afgewezen.

4. Het verzoek en het verweer

Herroepingsverzoek

Conservatrix Groep verzoekt op grond van artikel 382 Rv dat de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

1. een dag en uur bepaalt, waarop de behandeling van dit verzoekschrift aanvangt;

2. de aangevoerde gronden voor herroeping van de beschikking van 15 mei 2017 juist bevindt als bedoeld in artikel 387 Rv en het geding in zijn geheel heropent;

3. Conservatrix Groep in de gelegenheid stelt haar stellingen en verweren te wijzigen en aan te vullen;

4. de beschikking van 15 mei 2017 herroept en daarbij:

a. het overdrachtsplan niet goedkeurt, althans de goedkeuring laat vervallen en de overdrachtsregeling niet uitspreekt dan wel het uitspreken van de overdrachtsregeling intrekt;

b. voor recht verklaart, althans vaststelt, althans oordeelt, althans overweegt dat:

i. sprake is geweest van bedrog door DNB;

ii. DNB daardoor schadeplichtig is;

iii. de goedkeuring van het overdrachtsplan berust op bedrog en/of dat het overdrachtsplan niet zou zijn goedgekeurd als het bedrog niet had plaatsgevonden;

iv. het uitspreken van de overdrachtsregeling berust op bedrog en/of dat deze overdrachtsregeling niet zou zijn uitgesproken als het bedrog niet had plaatsgevonden;

v. dat de prijs van € 1 zoals opgenomen in het overdrachtsplan niet redelijk is;

vi. niet redelijkerwijs was te voorzien dat de gevaarlijke ontwikkeling op het gebied van solvabiliteit niet voldoende of niet tijdig ten goede zou kunnen worden gekeerd;

5. DNB in de werkelijke proceskosten veroordeelt.

Conservatrix Groep heeft aan haar herroepingsverzoek ten grondslag gelegd dat de beschikking van de rechtbank berust op door DNB in het geding gepleegd bedrog en dat zij na de beschikking van de rechtbank stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen, dan wel met het bestaan daarmee bekend is geworden, die door toedoen van DNB waren achtergehouden. Bij nadere toelichting en onderbouwing bij verzoekschrift tot herroeping heeft Conservatrix Groep ook aan haar herroepingsverzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van stukken waarvan de valsheid is erkend.

Volgens Conservatrix Groep bestaat het bedrog van DNB erin dat DNB in haar verzoekschrift en in de procedure ten onrechte:

( a) heeft gesteld dat sprake was van een gevaarlijke ontwikkeling met betrekking tot de solvabiliteit van Conservatrix die niet voldoende tijdig kon worden gekeerd;

( b) heeft gesteld dat een kapitaalstorting van minimaal € 58,1 miljoen benodigd zou zijn om de geconstateerde gevaarlijke ontwikkeling weg te nemen;

( c) heeft gesteld dat zij genoodzaakt was de vergunning van Conservatrix in te trekken als het overdrachtsplan niet werd goedgekeurd;

( d) heeft gesteld dat Trier zou zorgen voor de benodigde kapitaalversterking die zou voorzien in een solvabiliteitsratio van ten minste 135%;

( e) de herverzekering heeft verzwegen en stukken heeft achtergehouden, en;

( f) heeft verzwegen dat de beoogde stijging van de solvabiliteitsratio naar ten minste 135% niets van doen had met de gestelde kapitaalversterking en kapitaalstorting door Trier, maar bewerkstelligd zou worden door een al op 17 maart 2017 door DNB en een derde partij overeengekomen herverzekeringsconstructie, die uit eigen middelen van Conservatrix zelf zou worden gefinancierd.

Omdat de herverzekering helemaal niet is genoemd in het overdrachtsplan en ook niet in de processtukken is besproken, heeft DNB de rechtbank in 2017 een niet met de werkelijkheid corresponderend overdrachtsplan voorgehouden. Op basis daarvan heeft DNB goedkeuring gevraagd en verzocht om het uitspreken van de overdrachtsregeling, terwijl DNB wist dat de rechtbank en Conservatrix Groep onvolledig werden geïnformeerd. Uit het Evaluatierapport blijkt verder dat door DNB in de overdrachtsprocedure ten onrechte stukken zijn achtergehouden, waaronder het submission protocol dat blijkens het Evaluatierapport de belangrijkste afspraken met Trier bevat over de vereiste solvabiliteit van 135% en de herverzekering. In de procedure bij de Ondernemingskamer tussen de Staat en Conservatrix Groep heeft de Staat naar voren gebracht dat de herverzekeringsovereenkomst integraal en onlosmakelijk onderdeel uitmaakte van het overdrachtsplan. Het verzoekschrift van DNB in de overdrachtsprocedure was “vals” omdat een essentieel onderdeel eruit is gelaten. De erkenning van de Staat moet ook aan DNB worden toegerekend, aldus steeds Conservatrix Groep.

DNB verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Inhoudelijk bestaat er geen grond voor herroeping van de beschikking. De herverzekering ziet op de te nemen maatregelen ter verbetering van de solvabiliteit en hoeft dan ook niet aan de rechtbank ter toetsing te worden voorgelegd. Als de herverzekering was besproken, had dat niet tot een andere uitkomst geleid.

Ook kan het verzoek op processuele gronden volgens DNB niet worden toegewezen. Allereerst is het verzoek te laat ingediend omdat Conservatrix Groep al (op zijn laatst) sinds juli 2018 bekend was met de herverzekering en het feit dat die onderdeel uitmaakte van de afspraken met Trier over de kapitaalversterking na de overdracht. Bovendien verzet de aard van de beschikking zich tegen herroeping. Tot slot heeft Conservatrix Groep geen belang bij herroeping, omdat het enige alternatief voor de overdracht het faillissement van Conservatrix was.

Verzoek inzage stukken

Conservatrix Groep verzoekt (bij wijze van zelfstandig verzoek) dat de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor zover DNB niet heeft meegewerkt aan het (buitengerechtelijke) verzoek om stukken te verstrekken, DNB beveelt (een afschrift van) de hierna genoemde stukken aan Conservatrix Groep over te leggen op straffe van een dwangsom van € 1 miljoen indien DNB daaraan niet voldoet binnen een (1) week na betekening van het bevel daartoe van de rechtbank, te vermeerderen met € 10.000 voor iedere dag dat DNB nadien daarmee in gebreke blijft:

a. het ‘Submission Protocol’ op 17 maart 2017 getekend door Trier en DNB;

b. het ‘Agreement re post-completion covenants’ op 17 maart 2017 ondertekend door DNB, Trier, Netherlands Insurance Holding Inc. (Delaware), NIH Capital LLC (North Carolina) en [naam 2] ;

c. de ‘Recapilization Commitment’ op 17 maart 2017 ondertekend door DNB, Trier [naam 2] en NIG Capital LLC (North Carolina);

d. de ‘Aggregate Excess of Loss Reinsurance Treaty’ op 15 mei 2017 ondertekend door de nieuwe bestuurders van Conservatrix en CBL;

e. de ‘Process Letter’ van DNB;

f. alle bijlagen en annexen bij voornoemde documenten en alle andere aanverwante documenten die verband houden met de afspraken die door of met instemming of goedkeuring van DNB met derden zijn gemaakt rondom de gedwongen overname als gevolg waarvan Conservatrix Groep haar aandelen kwijt is geraakt, waaronder de op bladzijde 97 van het Evaluatierapport bedoelde documentatie en rapporten;

g. de grootboekrekening eigen vermogen 2017 en een gedetailleerd overzicht van het verloop van het eigen vermogen bij de jaarrekening 2017 van Conservatrix, als bedoeld in artikel 2:378 BW;

h. het accountantsverslag over het onderzoek van de jaarrekening 2017 als bedoeld in artikel 2:393 lid 4 BW;

i. de op pagina 7 van de jaarrekening 2017 van Conservatrix genoemde assessment van KPMG Advisory N.V (“[t]he market value of the reinsurance agreement was assessed by KPMG Advisory N.V.”).

Conservatrix Groep verzoekt op grond van artikelen 21 en 22 Rv en artikel 843a Rv (oud) dan wel artikel 195/195a Rv (nieuw) dat DNB een afschrift aan haar verstrekt van de genoemde stukken. Conservatrix Groep stelt (a) dat zij voldoende belang heeft bij het krijgen van deze gegevens omdat deze van belang zijn voor de verdere beoordeling of (i) er überhaupt een noodzaak was tot gedwongen overdracht van de aandelen, (ii) er geen minder vergaande maatregelen mogelijk waren en (iii) de prijs gegeven de omstandigheden van het geval redelijk was, (b) dat de gegevens relevant zijn voor de rechtsbetrekking waarbij Conservatrix Groep partij is en (c) dat Conservatrix Groep voldoende concreet heeft omschreven om welke gegevens het gaat. Conservatrix Groep voert aan dat haar belang zowel ziet op de herroepingsprocedure en de schadeloosstellingsprocedure bij de Ondernemingskamer als op de mogelijke aansprakelijkheid van DNB en de Staat op grond van onrechtmatige daad.

DNB verzet zich ook tegen toewijzing van dit verzoek. DNB voert daartoe het volgende aan. Omdat het herroepingsverzoek niet kan worden toegewezen, ontbreekt het belang van Conservatrix Groep bij de verzochte stukken en ontbreekt ook de vereiste rechtsbetrekking tussen DNB en Conservatrix Groep. Voor zover het verzoek ziet op een eventuele wens van deskundigen om in de schadeloosstellingsprocedure bij de Ondernemingskamer stukken bij hun onderzoek te betrekken, is er ook sprake van onvoldoende belang. Bovendien zal in de schadeloosstellingsprocedure geen deskundigenonderzoek plaatsvinden, omdat Conservatrix Groep geen (voorschot)betaling wenst te verrichten aan de deskundigen. DNB brengt ook naar voren dat de stukken toezichtvertrouwelijk zijn. Dit toezichtvertrouwelijke karakter van de stukken levert een gewichtige reden op die zich tegen inzage verzet. Tot slot voert DNB aan dat zij niet alle verzochte stukken in haar bezit heeft.

5. De beoordeling

Herroepingsverzoek

Juridisch kader

Een beschikking kan op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker of van een belanghebbende worden herroepen op de gronden genoemd in artikel 382 Rv, tenzij de aard van de beschikking zich daartegen verzet. De artikelen 382 tot en met 384 en 386 tot en met 389 Rv zijn overeenkomstig van toepassing (artikel 391 Rv).

Op basis van artikel 382 Rv kan herroeping van een uitspraak plaatsvinden (die in kracht van gewijsde moet zijn gegaan, wil herroeping openstaan) indien:a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;b. het berust op stukken, waarvan de valsheid na de uitspraak is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of;c. de partij na de uitspraak (de beschikking) stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

Op grond van artikel 387 Rv wordt het geding geheel of gedeeltelijk heropend indien de rechter de aangevoerde grond of gronden juist bevindt. In de fase vóór die heropening, in welke fase de zaak zich nu bevindt, staat de gegrondheid van het oorspronkelijke verzoek dus niet ter discussie, maar moet de rechter uitsluitend onderzoeken of zich een herroepingsgrond voordoet.

Conservatrix Groep heeft zich onder meer beroepen op de in artikel 382 onder a Rv opgenomen grond voor herroeping. Het begrip ‘bedrog’ zoals bedoeld in artikel 382 onder a Rv moet ruim worden uitgelegd. Van bedrog in deze zin is al sprake wanneer een partij door haar oneerlijke proceshouding belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden. Dit zal zich onder meer voordoen wanneer een partij feiten verzwijgt, terwijl zij wist of behoorde te weten dat de tegenpartij niet met die feiten bekend was of redelijkerwijs bekend behoorde te zijn.

Omdat voor herroeping op grond van bedrog is vereist dat de rechterlijke beslissing berust op dat bedrog, moet er een (processueel) causaal verband zijn tussen de als bedrog aangedragen feiten enerzijds en de genomen beslissing anderzijds. Voldoende is dat het aannemelijk is dat de beslissing van de rechter bij een juiste voorstelling van feiten anders zou zijn uitgevallen. Voor het slagen van een beroep op een herroepingsgrond is niet vereist dat al komt vast te staan dat een eerder toegewezen verzoek toch kan worden afgewezen, of omgekeerd. Die vraag moet beantwoord worden in de fase nadat het geding is heropend en waarin opnieuw over het oorspronkelijke verzoek wordt beslist.

Een verzoek tot herroeping moet worden ingesteld binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en de verzoeker daarmee bekend is geworden.

In het geval van bedrog loopt de termijn vanaf de ontdekking daarvan door de benadeelde. Het bedrog is in beginsel pas ontdekt, als de partij die is bedrogen beschikt over het bewijs dat het is gepleegd en dat voordien in het algemeen slechts sprake was van een gerezen verdenking. Van ontdekking van het bedrog is echter niet pas sprake als de partij die zich bedrogen acht, in staat is het bedrog overtuigend aan te tonen. Het moment waarop het bedrog werd ontdekt is subjectief. Niet van belang is wanneer iets redelijkerwijs ontdekt had kunnen worden. Die subjectiviteit strekt zich echter niet uit tot de vraag wanneer sprake is van kennisname van zodanige feiten en omstandigheden, dat daaruit duidelijk is dat sprake is van een bedrieglijke dan wel oneerlijke proceshouding. Kort gezegd gaat het om het moment waarop de grond voor herroeping in zijn volle omvang wordt ontdekt: het moment waarop het vermoeden omslaat in zekerheid. Dit bekendheidscriterium is ook van toepassing bij de bepaling van het aanvangstijdstip van de herroepingsactie in het geval van valse stukken en in het geval van achtergehouden stukken.

Verzoek tot herroeping tijdig

Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek tot herroeping tijdig ingesteld.

Conservatrix Groep stelt dat de gronden voor herroeping (bedrog en het achterhouden van stukken) aan haar voor het eerst op 25 februari 2025 duidelijk zijn geworden. Op die dag is zij door haar voormalig advocaat geïnformeerd over de onderdelen van het Evaluatierapport waaruit dit blijkt. Uit het Evaluatierapport komt naar voren dat DNB al in maart 2017 wist dat geen sprake zou zijn van een kapitaalstorting door Trier die zou voorzien in een solvabiliteitsratio van ten minste 135%, maar dat daaraan ook een herverzekering ten grondslag lag. Conservatrix Groep heeft toen pas (dus op 25 februari 2025) ontdekt dat de herverzekering al voor 15 mei 2017 was uitonderhandeld en dat deze onlosmakelijk was verbonden met het overdrachtsplan. Het verzoek tot herroeping is ingesteld op 20 mei 2025. Daarmee is het verzoek tot herroeping dus tijdig, binnen de gestelde termijn van drie maanden, ingesteld.

DNB betoogt dat Conservatrix Groep in haar verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het verzoek tot herroeping te laat is ingesteld. DNB heeft in dat kader aangevoerd dat Conservatrix Groep – in ieder geval – al vanaf 6 juli 2018 (toen zij haar schriftelijke toelichting indiende in de cassatieprocedure) wist van de herverzekering en ook dat de herverzekering onderdeel was van de met Trier gemaakte afspraken. Dit betoog van DNB wordt verworpen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

DNB heeft tijdens de procedure bij deze rechtbank die heeft geleid tot de beschikking van 15 mei 2017 met geen enkel woord gerept over de herverzekering met CBL. Ook heeft DNB geen stukken overgelegd waaruit deze herverzekering blijkt. DNB heeft erop gewezen dat zij in haar verweerschrift van 19 oktober 2017 in de cassatieprocedure heeft uiteengezet dat de herverzekering onlosmakelijk verbonden was met het overdrachtsplan. In dat verweerschrift heeft zij daarover het volgende naar voren gebracht:

“10.7 Ongedaanmaking van de overdrachtsregeling zou in het onderhavige geval onevenredig ernstige gevolgen hebben. DNB licht dit als volgt toe.

Met haar recapitalization commitment heeft Trier aan DNB bevestigd een solvabiliteitsratio van 135% voor Conservatrix te realiseren en in stand te houden. Hiervoor was direct na de overgang van de aandelen een kapitaalversterking nodig van € 88.426.000. Die kapitaalversterking is gefinancierd door (i) een agiostorting door Trier op de aandelen in

Conservatrix en (ii) een herverzekeringsovereenkomst tussen Conservatrix en Colorado Bankers.

Indien aangenomen zou moeten worden dat vernietiging van de beschikking van de Rechtbank tot gevolg zou hebben dat de overgang van de aandelen op Trier niet in stand blijft betekent dit waarschijnlijk dat de met die overgang nauw samenhangende agiostorting en herverzekering evenmin in stand kunnen blijven. Hierdoor komt de solvabiliteit van Conservatrix (opnieuw) ernstig in gevaar. (…)”

Anders dan DNB betoogt, blijkt hieruit niet dat de herverzekeringsovereenkomst al was uitonderhandeld en opgesteld vóór de datum van de gedwongen overdracht of dat deze onlosmakelijk was verbonden met het overdrachtsplan. Dat Conservatrix Groep daarmee bekend zou zijn, volgt ook niet uit de schriftelijke toelichting die Conservatrix Groep op 6 juli 2018 heeft ingediend in de cassatieprocedure tegen de beschikking. Daarin brengt Conservatrix Groep juist naar voren dat Conservatrix haar resultaat binnen een half jaar tijd ten positieve heeft omgebogen en dat zij er dus vanuit ging dat de herverzekering ná 15 mei 2017 tot stand was gekomen. In deze schriftelijke toelichting heeft Conservatrix Groep onder meer het volgende geschreven:

“Met andere woorden, hoofdzakelijk door het afsluiten van een enkele nieuwe overeenkomst van herverzekering heeft Conservatrix haar resultaat binnen een half jaar tijd dramatisch ten positieve omgebogen, hetgeen uiteraard veelzeggend is voor de inherente gezondheid en winstpotentie van Conservatrix ten tijde van de gedwongen overdracht op 15 mei 2017. Ronduit bizar is echter dat Colorado Bankers Life Insurance Company, met wie Conservatrix de overeenkomst van herverzekering heeft afgesloten, via [naam 1] een groepsmaatschappij is van Trier Holding B.V., en uiteindelijk in eigendom toebehoort aan [naam 2] (…). Een vorm van intragroeps-herverzekering die DNB bij Conservatrix eerder, in december 2015, nog als zijnde te riskant nadrukkelijk had veroordeeld!”

Conservatrix Groep heeft er tijdens de zitting in deze procedure nog (terecht) op gewezen dat zij dan niet over een ‘nieuwe’ overeenkomst van herverzekering zou hebben gesproken als zij wist dat de herverzekering onderdeel uitmaakte van het overdrachtsplan.

Voorts heeft DNB een beroep gedaan op de volgende feiten en omstandigheden ter onderbouwing van haar betoog dat de vereiste bekendheid bij Conservatrix Groep al geruime tijd aanwezig was:

- de in de cassatieprocedure overgelegde jaarrekening 2017 van Conservatrix waarin staat opgenomen dat: “As part of the agreement with DNB the new shareholder recapitalized the company above the envisaged minimum Solvency II ratio of 135% by injecting € 18.4 million of capital directly and € 72.1 million via a reinsurance agreement with Colorado Bankers Life, affiliate US company. The market value of the reinsurance agreement was assessed by KPMG Advisory N.V. After the recapitalization DNB revoked the appointment of the trustee but the company is still under so-called intensified supervision from DNB.”,

- de aangehaalde Borgersbrief van 15 maart 2019 van Conservatrix Groep waarin is geschreven dat: “Trier het overgrote deel van de door het "overdrachtsplan" verlangde kapitaalbuffer heeft "ingebracht" d.m.v. een intragroeps-herverzekering, met als laatste herverzekeraar een op Barbados gevestigde groepsmaatschappij (Bankers Reinsurance Company Ltd.) (…).” en

- [naam 3] , bestuurder van Conservatrix Groep, is gehoord door de onderzoekers van de evaluatiecommissie en was (dus) op de hoogte van de herverzekering.

Ook dit alles kan niet leiden tot de conclusie dat van de vereiste (subjectieve) bekendheid kan worden gesproken (zie hiervoor onder 5.7). Uit het enkele gegeven dat Trier uiteindelijk het kapitaal heeft versterkt door een herverzekering volgt niet dat Conservatrix Groep ermee bekend was dat de herverzekering voor 15 mei 2017 al was uitonderhandeld door DNB en onderdeel uitmaakte van de ‘kapitaalstorting’ door Trier genoemd in het overdrachtsplan. De aangehaalde passages zijn daarvoor te weinig concreet over het moment en de wijze waarop de herverzekering tot stand is gekomen.

Ook het enkel noemen van het Evaluatierapport door de voormalig advocaat van Conservatrix Groep in een stuitingsbrief van 13 mei 2022 betekent niet dat Conservatrix Groep op dat moment bekend was met (de volledige inhoud van) dat rapport.

Herroepingsgrond: bedrog in het geding gepleegd

De rechtbank brengt in herinnering dat Conservatrix Groep heeft gesteld dat DNB onder meer bedrog heeft gepleegd door in de overdrachtsprocedure in 2017 (i) te stellen dat een kapitaalstorting van minimaal € 58,1 miljoen vereist was, (ii) te stellen dat Trier zou zorgen voor de benodigde kapitaalversterking die zou voorzien in een solvabiliteitsratio van ten minste 135%, (iii) de herverzekering te verzwijgen, (iv) het Submission Protocol achter te houden en (v) te verzwijgen dat de beoogde stijging van de solvabiliteitsratio naar ten minste 135% niets van doen had met de gestelde kapitaalversterking en kapitaalstorting door Trier, maar bewerkstelligd zou worden door een al op 17 maart 2017 door DNB en een derde partij overeengekomen herverzekeringsconstructie die uit eigen middelen van Conservatrix werd gefinancierd. Omdat de herverzekering helemaal niet is genoemd in het overdrachtsplan en ook niet is besproken, heeft DNB de rechtbank in 2017 een niet met de werkelijkheid corresponderend overdrachtsplan voorgehouden, aldus Conservatrix Groep.

Vaststaat dat in het overdrachtsplan (en de processtukken zijdens DNB in de overdrachtsprocedure) het begrip ‘herverzekering’ niet voorkomt. Tijdens de zitting bij de rechtbank in 2017 is door DNB, zoals hiervoor al overwogen, ook met geen woord gerept over de herverzekering. Met het Evaluatierapport is echter duidelijk geworden dat de kapitaalversterking van Conservatrix, in ieder geval in overwegende mate, heeft plaatsgevonden middels een herverzekering, dat de (beoogde) stijging van de solvabiliteitsratio naar 135% (voornamelijk) door die herverzekering is bereikt en niet – of slechts ten dele – door een kapitaalstorting door Trier. Van een kaptaalstorting van (minimaal) € 58,1 miljoen is geen sprake geweest. Ook is met het Evaluatierapport duidelijk geworden dat het reeds op het moment dat het overdrachtsplan aan de rechtbank ter goedkeuring werd voorgelegd de bedoeling was dat de kapitaalversterking van Conservatrix (in belangrijke mate) zou plaatsvinden door middel van deze herverzekering.

De stelling van DNB dat geen melding is gemaakt van de herverzekering omdat nog niet duidelijk was hoe de kapitaalversterking zou plaatsvinden en dat dit pas zou spelen na de goedkeuring, vindt geen steun in de feiten. Uit het Evaluatierapport blijkt dat op 17 maart 2017 tussen Trier en DNB een Submission Protocol is overeengekomen, waarin de belangrijkste afspraken met Trier staan, onder meer over de vereiste solvabiliteitsratio van 135% én de herverzekering. Al met al volgt uit het Evaluatierapport dat voorafgaand aan het indienen van het verzoekschrift op 22 maart 2017 voor DNB duidelijk was dat er een herverzekering zou worden gesloten. Uit de stukken blijkt dat op 7 maart 2017 het positieve effect van de voorgestelde herverzekeringsconstructie op het eigen vermogen werd getaxeerd op circa € 67 miljoen, waarbij maximaal € 150 miljoen aan verzekeringsverplichtingen werd herverzekerd. In het Evaluatierapport staat dat alleen de exacte uitwerking van de herverzekering op de solvabiliteit op dat moment nog niet duidelijk was (zie 3.11).

Voorts betoogt DNB dat zij in de overdrachtsprocedure in 2017 niet uitsluitend over een kapitaalstorting heeft gesproken, maar over kapitaalversterking, waarmee ook andere maatregelen ter verbetering van de solvabiliteit zijn bedoeld, waaronder de herverzekering. Ook dit betoog kan DNB niet baten. DNB heeft in de procedure in 2017, naar thans is gebleken ten onrechte, de indruk gewekt dat een kapitaalstorting van (minimaal) € 58,1 miljoen noodzakelijk was en dat het overdrachtsplan inhield dat dit bedrag door Trier zou worden betaald. Het is juist dat DNB in 2017 in haar verzoekschrift en pleitnotities zowel gebruik heeft gemaakt van het woord “kapitaalversterking” als “kapitaalstorting”, maar heeft daarbij niet duidelijk gemaakt dat met kapitaalversterking niet alleen een kapitaalstorting werd bedoeld. Dit blijkt uit de processtukken.

DNB heeft in haar verzoekschrift ter goedkeuring van het overdrachtsplan over de kapitaalversterking destijds het volgende naar voren gebracht (onderstrepingen rechtbank):

“ 4.17 De geconstateerde gevaarlijke ontwikkeling met betrekking tot de aanwezige solvabiliteit kan worden weggenomen door een kapitaalstorting van een zodanige omvang dat weer wordt voldaan aan het solvabiliteitsvereiste (SCR en MCR). Daartoe is per ultimo 2016 een kapitaalstorting benodigd van minimaal EUR 58,1 miljoen.

(…)

Ten aanzien van de solvabiliteitspositie is overeengekomen dat Trier het kapitaal van Conservatrix op het moment van de overdracht van de aandelen zodanig zal versterken dat de solvabiliteitsratio van Conservatrix ten minste 135% bedraagt. (…)

De nieuwe aandeelhouder van Conservatrix zal echter zorgdragen voor een kapitaalversterking die ertoe leidt dat Conservatrix weer voldoet aan het minimumkapitaalvereiste en de solvabiliteitsratio op ten minste 135% komt te liggen, waardoor de continuïteit van Conservatrix is geborgd. Dit betekent dat de verhaalspositie van de schuldeisers van Conservatrix verbetert ten opzichte van een alternatief scenario.

De overdracht is bovendien in het belang van polishouders, wier positie door de overdracht zal verbeteren. Hun belangen zijn beter beschermd, doordat Conservatrix als gevolg van de kapitaalstorting weer solvabel is en de continuïteit van Conservatrix is geborgd. Er is dan ook geen noodzaak meer voor DNB om, zoals eerder voorgenomen, de vergunning van Conservatrix in te trekken en als gevolg daarvan de beschikkingsbevoegdheid te beperken.

(…)

Als gevolg van de toegezegde kapitaalstorting is bij een overdracht aan Trier – in tegenstelling tot de eerder overwogen overdracht aan LVM – geen sprake van aantasting van rechten van polishouders en/of (andere) schuldeisers. (…)”

In de pleitnotities van DNB van destijds staat (onderstreping rechtbank):

“4.8 Kort gezegd: waar Trier nu bereid is om het negatief eigen vermogen aan te zuiveren en het solvabiliteitstekort op te heffen (…)

De Confirmation Letter vormt inderdaad het overdrachtsplan waarvan goedkeuring wordt gevraagd, en bevat de voorwaarden waaronder de overdracht van de aandelen plaatsvindt. (…)

In het bijzonder kan DNB in deze periode bewerkstelligen dat de door Trier toegezegde kapitaalstorting uiterlijk op of direct na de datum van de overdracht wordt voldaan. (…)”

De rechtbank heeft het in 2017 ook niet zo begrepen, zoals blijkt uit de beschikking. In de beschikking in r.o. 4.15.5 is overwogen dat het overdrachtsplan de voorwaarde inhoudt dat Trier naast de betaling van de koopsom van € 1 een kapitaalstorting doet die voorziet in een solvabiliteitsratio van ten minste 135%. In de beschikking is dat als volgt verwoord (onderstreping rechtbank):

“DNB stelt dat het (met haar afgestemde) bod van Trier, en daarmee het overdrachtsplan zoals dit ter goedkeuring voorligt, onder de volgende voorwaarden is gedaan:

- naast de betaling van de koopsom van EUR 1,00, doet Trier een kapitaalstorting die voorziet in een solvabiliteitsratio van ten minste 135%

(…).”

Verder heeft de rechtbank in haar beschikking overwogen (onderstrepingen rechtbank):

“4.14.2. DNB stelt dat de mogelijkheden om de gevaarlijke ontwikkeling ten goede te keren uit en te na zijn verkend. Tot aanvaardbare resultaten heeft dat volgens haar niet geleid. DNB stelt dat Conservatrix haar eigen vermogen (naar de stand ultimo 2016 en zonder rekening te houden met extra tegenvallers) met ten minste EUR 28,9 miljoen moet versterken om te voldoen aan het onder Solvabiliteit II geldende minimumkapitaalvereiste (MCR) (neergelegd in artikel 3:53 lid 4 Wft) en met ten minste EUR 58,1 miljoen om te voldoen aan het daaronder geldende solvabiliteitkapitaalvereiste (SCR). Conservatrix zal haar eigen vermogen vervolgens nog verder moeten versterken om een buffer te hebben voor het opvangen van tegenvallers, aldus DNB. (…)”

DNB heeft zich er nog op beroepen dat het toezichtvertrouwelijke informatie betrof. De rechtbank verwerpt ook dit betoog. DNB heeft toen – en ook nu – niet duidelijk gemaakt waarom het Submission Protocol en de andere documenten waarin de afspraken met Trier zijn vastgelegd niet bekend konden worden gemaakt in een procedure en tijdens een zitting die achter gesloten deuren plaatsvond en waarvoor de wet (Rv) ook nog allerlei waarborgen biedt om te voorkomen dat informatie die vertrouwelijk moet blijven, niet in de openbaarheid komt.

Uit dit alles volgt dat DNB de rechtbank en Conservatrix Groep in de procedure in 2017 niet (actief) over de herverzekering heeft geïnformeerd, althans niet kenbaar heeft gemaakt dat de kapitaalversterking grotendeels uit de herverzekering met CBL bestond en niet enkel uit een kapitaalstorting, terwijl zij wist of behoorde te weten dat Conservatrix Groep niet met die feiten bekend was of redelijkerwijs bekend behoorde te zijn. Het enkele feit dat DNB dit niet heeft gedaan, betekent op zichzelf nog niet dat sprake is van ‘bedrog’ in de zin van artikel 382 onder a Rv. Daarvoor is ook vereist dat het, kort gezegd, een voor de beslissing van de rechtbank destijds – het goedkeuren van het overdrachtsplan – relevant feit was. Bovendien moet een (processueel) causaal verband bestaan tussen de als grond voor herroeping aangedragen feiten enerzijds en de door de rechtbank genomen beslissing in de beschikking van 15 mei 2017 anderzijds (zie 5.5). Voldoende is dat het aannemelijk is dat de beslissing van de rechter bij een juiste voorstelling van de feiten anders zou zijn uitgevallen.

DNB stelt zich op het standpunt dat de herverzekering niet relevant was voor de beoordeling door de rechtbank in 2017 en dat DNB deze (dus) niet naar voren hoefde te brengen. DNB heeft dit als volgt toegelicht. Vanwege het toetsingskader in de Wft bestond geen aanleiding om de herverzekering dan wel de wijze van kapitaalversterking te noemen. De rechtbank hoefde zich niet uit te laten over specifieke maatregelen ter verbetering van de solvabiliteit van Conservatrix. Het lag niet op de weg van de rechtbank om te toetsen op welke wijze de overnemende partij (Trier) de solvabiliteit van Conservatrix weer op het gewenste niveau zou krijgen. Dergelijke afspraken vielen binnen het mandaat van DNB als toezichthouder. Bij het vaststellen of de prijs redelijk is, gaat het bovendien om het te verwachten toekomstperspectief zonder uitvoering van het overdrachtsplan. De rechtbank hoefde zich volgens DNB dan ook niet te buigen over het toekomstscenario waarin het overdrachtsplan werd uitgevoerd.

Ook dit verweer van DNB gaat niet op. De rechtbank moest bij de beoordeling van het verzoek van DNB in 2017 niet alleen beoordelen (i) of de in het overdrachtsplan genoemde prijs voor overname van de aandelen, in dit geval € 1, onder de gegeven omstandigheden een redelijke prijs was, maar ook (eerst) (ii) of summierlijk was gebleken dat bij Conservatrix tekenen waren van een gevaarlijke ontwikkeling met betrekking tot het eigen vermogen, de solvabiliteit of de technische voorzieningen en of redelijkerwijs te voorzien was dat die ontwikkeling niet voldoende of niet tijdig ten goede zou keren (zie hiervoor onder 3.9). Vooral voor deze laatste (volgorderlijk eigenlijk de eerste) toets is het feit dat de herkapitalisatie kennelijk kon plaatsvinden middels een herverzekering van belang. Immers, in het geval dat de situatie met minder vergaande maatregelen dan een overdrachtsregeling had kunnen worden hersteld, zou de rechtbank tot het oordeel hebben kunnen komen dat er nog geen sprake was van een gevaarlijke ontwikkeling (die niet voldoende of niet tijdig ten goede zou keren), en dus niet was voldaan aan de grond om de overdrachtsregeling uit te spreken.

Met het sluiten van de herverzekering is, zo is gebleken, een bedrag van € 100 miljoen uit de eigen middelen van Conservatrix als premie aan CBL betaald waarmee voor een bedrag van € 150 miljoen aan verzekeringsverplichtingen van Conservatrix door CBL zijn herverzekerd. Door deze herverzekering is het eigen vermogen van Conservatrix toegenomen (met € 61 miljoen). De premie is dus volledig voldaan uit de eigen middelen met als gevolg een forse toename van het eigen vermogen. Dit blijkt ook uit de jaarrekening 2017 van Conservatrix waarin is opgenomen dat: “The full-year 2017 result before tax increased significantly to € 84.9 million compared with € -18.3 million in the previous year. This improvement was mainly caused by a new reinsurance agreement with Colorado Bankers Life Insurance Company. A single reinsurance premium of € 100 million was paid while the reinsurers' share of the changes in technical provisions rose to € 152 million. Due to the reinsurance agreement € 10.7 million of risk margin was released. (…) In combination with a significantly decreased solvency capital requirement (SCR) to € 25.4 million, this resulted in a Solvency II ratio of 188% (2016: -16%) (…) Result on reinsurance agreement EUR 48.861.000.”

Conservatrix Groep heeft naar voren gebracht dat zij een vergelijkbare herverzekering had kunnen sluiten met Heco Reassurantie N.V. S.A. (hierna: Heco Re), maar dat deze mogelijkheid mede door het niet benoemen van de herverzekering met CBL ten onrechte niet aan bod is gekomen tijdens de procedure in 2017. Conservatrix Groep heeft dit als volgt nader toegelicht.

Conservatrix had op 15 mei 2017 haar onderneming kunnen voortzetten door een vergelijkbare herverzekering te sluiten met Heco Re. Heco Re (waarvan [naam 3] aandeelhouder is) is, anders dan waar DNB vanuit gaat (en ging), geen aan Conservatrix verbonden partij. Het is een Europese herverzekeraar, waarvan de directie destijds werd gevoerd door de gerenommeerde verzekeringsmakelaar AON Global Risk Consulting. De twijfels van DNB over de solvabiliteit van Heco Re waren niet terecht.

Daar staat volgens Conservatrix Groep tegenover dat CBL een kleine verzekeringsmaatschappij was met één aandeelhouder, Lindberg, die bovendien niet onder Europees toezicht stond en waarmee een herverzekeringsovereenkomst werd gesloten die niet ‘at arms length’ was. Uit het Evaluatierapport blijkt bovendien dat de herverzekeringsovereenkomst met CBL niet met voldoende waarborgen was omgeven:

“(…) Met de kennis van nu bevatte de vormgeving van de afspraken met de nieuwe eigenaar gevoelige onvolkomenheden. Zo ontbrak een vorm van zekerheidstelling voor de bijstortingsverplichting ter borging van de solvabiliteit. De herverzekeringsovereenkomst (die werd ondergebracht bij een dochteronderneming van Lindberg) roept bij de Evaluatiecommissie vragen op. Ook bood de herverzekeringsovereenkomst de nieuwe eigenaar mogelijkheden om het herverzekeringsrisico onder te brengen bij weer een andere dochteronderneming van de nieuwe eigenaar op Barbados. Aan het onderpand, het zogenaamde collateral, waren voorwaarden gesteld die niet werden nagekomen. (…)”

In 2014 heeft Conservatrix Groep onderzocht of de solvabiliteit van Conservatrix versterkt zou kunnen worden door een herverzekeringsovereenkomst te sluiten tussen Heco Re en Conservatrix, maar daar is verder geen opvolging aan gegeven, omdat dit bij DNB (en de curator) op bezwaren stuitte. Conservatrix Groep had andere herverzekeraars kunnen benaderen, zoals door haar ook in 2014 was voorgesteld, maar dit heeft zij niet gedaan omdat zijdens DNB alleen de optie verkoop als realistisch scenario werd voorgehouden. Daardoor heeft Conservatrix Groep de mogelijkheid van een herverzekering niet verder onderzocht. In het licht van de houding van DNB en de curator leek het zinloos daar verder nog energie in te steken.

Dit bracht met zich, aldus nog steeds Conservatrix Groep, dat DNB, door haar opstelling in de eerdere fase en door de herverzekeringsovereenkomst met CBL – die tot de vereiste kapitaalversterking heeft geleid – en de modaliteiten daarvan niet te melden in de procedure in 2017, Conservatrix Groep de mogelijkheid heeft onthouden om aan te tonen dat de herverzekeringen met elkaar te vergelijken zijn.

DNB zet daar tegenover dat zij niet zou hebben ingestemd met een herverzekeringsovereenkomst tussen Conservatrix en Heco Re om de solvabiliteit van Conservatrix te verbeteren en heeft dat als volgt toegelicht. Heco Re was een groepsvennootschap van Conservatrix Groep die geen klanten buiten de ‘eigen groep’ had, zodat sprake was van een te grote verwevenheid tussen Conservatrix en Heco Re. DNB vroeg zich af of de herverzekeringspremie ‘at arms length’ was. Ook had DNB twijfels over de solvabiliteit van Heco Re. Dit alles betekende, aldus DNB, dat de rechtbank een herverzekering bij Heco Re niet zou hebben kunnen meenemen in haar beoordeling.

De rechtbank overweegt als volgt. Tegen de achtergrond dat de herverzekering door CBL heeft plaatsgevonden uit de eigen middelen van Conservatrix, en op grond van wat partijen over en weer hebben aangevoerd, kan niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat, zoals DNB betoogt, een herverzekering bij Heco Re geen reële mogelijkheid was. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat, gelet op wat bekend is over de voorwaarden die DNB had bedongen met Trier en de herverzekeringsconstructie, op die herverzekering (ook) het nodige aan te merken was. In ieder geval blijkt daaruit dat DNB bereid was om Conservatrix na het sluiten van een herverzekeringsovereenkomst met een verbonden partij weer onder vergunning te laten opereren in de markt. Hieruit blijkt dat aannemelijk is dat minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren, namelijk een herverzekering bij Heco Re of bij een andere herverzekeraar.

Het argument van DNB dat Conservatrix Groep niet bereid was om zelf kapitaal te storten en dat alleen daardoor al een totaalpakket zoals zij met Trier had afgesproken niet mogelijk was, wordt verworpen. De rechtbank heeft in de beschikking van 15 mei 2017 weliswaar het volgende overwogen: “Elk concreet uitzicht op versterking van het kapitaal van Conservatrix door of van de zijde van Conservatrix Groep ontbreekt. Al in 2014 heeft Conservatrix Groep te kennen gegeven niet te willen bijstorten, en ter zitting bij de Ondernemingskamer en tijdens de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek heeft zij dit herhaald.”, maar Conservatrix Groep heeft erop gewezen dat die verklaring is gedaan in de context van de informatie die op dat moment door DNB aan haar en de rechtbank was voorgelegd. Conservatrix Groep stelt thans dat zij, als zij had geweten van de herverzekeringsmogelijkheid, in staat en bereid was geweest om € 18,4 miljoen te storten zoals Trier volgens DNB heeft gedaan. De rechtbank acht dit niet onaannemelijk. Zoals hiervoor overwogen heeft DNB de indruk gewekt dat een kapitaalstorting van € 58,1 miljoen noodzakelijk was. Dit bleek niet juist te zijn. Conservatrix Groep dacht dat herverzekeren niet mogelijk was. Conservatrix Groep betwist overigens dat Trier daadwerkelijk een kapitaalstorting van ruim € 18 miljoen heeft gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling is dit besproken en het is de rechtbank ook niet duidelijk geworden of die kapitaalstorting heeft plaatsgevonden

Omdat de herverzekering door DNB in 2017 buiten de procedure is gehouden, heeft dus geen volwaardig debat kunnen plaatsvinden over de vraag of minder vergaande maatregelen (alternatieven) mogelijk waren geweest. Dit betekent dat voldoende is aangetoond dat sprake is van een oneerlijke proceshouding van DNB in de voorgaande procedure op een punt dat mede bepalend was voor de beoordeling van het verzoek ten gunste van DNB. Het is aannemelijk dat het oordeel van de rechtbank in de overdrachtsprocedure anders zou zijn geweest als was meegewogen dat de door Trier op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking van Conservatrix om tot een solvabiliteitsratio van 135% te komen (grotendeels) bestond uit de met CBL gesloten herverzekering, waarvan de premie is voldaan uit de eigen middelen van Conservatrix. De beslissing van de rechtbank op het oorspronkelijke verzoek in 2017 berust daarmee op bedrog door DNB in het geding gepleegd als bedoeld in artikel 382 onder a Rv. Deze door Conservatrix Groep aangevoerde herroepingsgrond wordt door de rechtbank dan ook juist bevonden. De andere door Conservatrix Groep aangevoerde herroepingsgronden (op grond van artikel 382 sub b en c Rv) behoeven om die reden verder geen bespreking.

De aard van de beschikking verzet zich tegen herroeping

Zoals hiervoor overwogen bepaalt artikel 390 Rv dat een beschikking kan worden herroepen tenzij de aard van de beschikking zich daartegen verzet. Een beschikking waarin de feitelijke gevolgen van de beschikking onomkeerbaar zijn, verzet zich naar haar aard tegen herroeping. Dat doet zich ook hier voor: de aandelen in Conservatrix zijn overgedragen en Conservatrix verkeert inmiddels bovendien in staat van faillissement.

Dit betekent dat het rechtsmiddel van herroeping hier niet openstaat. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de strekking en de regeling in de Wft (oud) over de behandeling van een verzoek tot het uitspreken van de overdrachtsregeling en de rechtsmiddelen die krachtens die wet tegen een beslissing daarop kunnen worden aangewend, zich verzetten tegen herroeping. In de Wft (oud) is bepaald dat als een verzet van een aandeelhouder tegen een overdrachtsregeling slaagt, dat slechts tot vernietiging leidt indien de ongedaanmaking van de overdrachtsregeling geen onevenredig ernstige gevolgen zou hebben. Verder staat tegen een beschikking waarbij een overdrachtsregeling wordt uitgesproken geen hoger beroep open omdat de mate van urgentie groot is. Gelet op de bij de overdracht gemoeide belangen van derden, waaronder de polishouders, mag over het in stand blijven van die beslissing geen onzekerheid bestaan.

Conservatrix Groep zal daarom in haar verzoek tot herroeping niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan een verdere beoordeling komt de rechtbank in deze procedure dan ook niet toe, en dus ook niet aan de door Conservatrix Groep verzochte verklaringen voor recht genoemd in haar verzoek tot herroeping onder 4b (zie 4.1). Een eventuele oplossing kan in een dergelijk geval gevonden worden in een vordering tot schadevergoeding op de partij die het (processuele) bedrog heeft gepleegd.

Verzoek inzage stukken

Het verzoek tot inzage is gedaan na 1 januari 2025. Dit heeft tot gevolg dat het bewijsrecht zoals dit geldt vanaf 1 januari 2025 van toepassing is.

De rechtbank stelt voorop dat DNB niet heeft meegewerkt aan een buitengerechtelijk inzageverzoek, zodat het verzoek tot inzage in de stukken ter beoordeling voorligt.

Voor toewijzing van een vordering tot recht op inzage in de zin van artikel 195 Rv moet aan de vereisten uit artikel 194 Rv zijn voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt (i) moet partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken of deze makkelijk van een derde kunnen verkrijgen. Wanneer sprake is van een uitzonderingsgrond – zoals een gewichtige reden – verzet dat zich tegen het verstrekken van de gevraagde informatie.

DNB betwist dat Conservatrix Groep enig belang heeft bij afschrift van de gevraagde stukken omdat het herroepingsverzoek moet worden afgewezen. De rechtbank is het met DNB eens dat Conservatrix Groep geen belang heeft bij de verzochte stukken voor zover inzage ziet op de herroepingsprocedure omdat Conservatrix Groep in het herroepingsverzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Conservatrix Groep heeft echter niet alleen gewezen op de herroepingsprocedure, maar ook op de schadeloosstellingsprocedure bij de Ondernemingskamer en mogelijke aansprakelijkheid van DNB en de Staat op grond van onrechtmatige daad. Met het oog op (het inschatten van haar kansen in) die procedures heeft Conservatrix Groep voldoende belang bij het verkrijgen van inzage in de verzochte stukken.

De rechtbank stelt verder vast dat is voldaan aan het vereiste van het “zijn van een partij bij een rechtsbetrekking”. Het begrip ‘partij bij een rechtsbetrekking’ moet ruim worden opgevat. Met rechtsbetrekking wordt elke rechtsbetrekking bedoeld, niet alleen een overeenkomst, maar ook een verbintenis uit de wet zoals een onrechtmatige daad. Het bestaan van een rechtsbetrekking hoeft nog niet in rechte vast te staan. Vaak zijn bepaalde feiten die van belang zijn voor het bestaan, de inhoud of de omvang van een rechtsbetrekking nog niet helder. Precies om die reden kan een partij aanspraak maken op bepaalde gegevens waarover zij niet zelf beschikt, maar een ander wel.

Verder moeten de verlangde stukken voldoende bepaald zijn. Ook aan dit vereiste is voldaan, met uitzondering van enkele stukken genoemd in 4.5 onder 1 f . Voldoende bepaald zijn “alle bijlagen en annexen bij voornoemde documenten”, maar dat geldt niet voor “alle andere aanverwante documenten die verband houden met de afspraken die door of met instemming of goedkeuring van DNB met derden zijn gemaakt rondom de gedwongen overname als gevolg waarvan Conservatrix Groep haar aandelen kwijt is geraakt” en ook niet voor “alle op bladzijde 97 van het Evaluatierapport bedoelde documentatie en rapporten”. Op bladzijde 97 van het Evaluatierapport is slechts het volgende opgenomen (onderstreping rechtbank):

“Op 17 maart 2017 kwamen Trier Holding B.V. en De Nederlandsche Bank een ‘submission protocol’ en een ‘Agreement re post-completion covenants’ overeen met daarbij horende annexen. De indiening van het verzoekschrift door De Nederlandsche Bank moest in overeenstemming met de minister gebeuren. De tijd die de directeur Financiële Markten en haar medewerkers nog hadden bedroeg twee weken om aan de hand van het verzoekschrift en alle onderliggende documentatie en rapporten tot een gefundeerd oordeel te komen.”

Uit de tekst blijkt niet welke “documenten en rapporten” hier zijn bedoeld. De omschrijving van deze “documenten en rapporten” is zeer ruim en daarmee te weinig specifiek om als “voldoende bepaald” te kunnen worden aangemerkt.

Ook kan DNB worden aangemerkt als “degene die over de gegevens beschikt”. Van het beschikken over gegevens is in elk geval sprake als een partij de gegevens waarvan inzage wordt verlangd, fysiek onder zich heeft. Het kan ook zijn dat de aangesproken partij, DNB, de gegevens gemakkelijk via een derde kan verkrijgen. DNB heeft onvoldoende geconcretiseerd over welke stukken zij niet beschikt en/of dat en waarom zij die niet gemakkelijk zou kunnen verkrijgen.

Volgens DNB heeft zij zwaarwegende belangen die zich tegen de verzochte inzage verzetten. Het gaat volgens haar om inzage in toezichtvertrouwelijk gegevens. Op zich is juist dat de wetgever een wettelijke geheimhoudingsplicht bij uitstek heeft bedoeld als een gewichtige reden. DNB heeft echter niet toegelicht welke stukken op grond van de wet als toezichtvertrouwelijk moeten worden aangemerkt en waarom, zodat de rechtbank aan dit verweer als onvoldoende geconcretiseerd voorbij gaat.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek van Conservatrix Groep, voor zover dit verzoek betrekking heeft op verstrekking van afschrift van de stukken opgenomen onder 4.5 onder 1 a tot en met e, g tot en met i, en deels f, worden toegewezen.

Termijn en dwangsom

Naar het oordeel van de rechtbank is het geven van een termijn een week na betekening van de beschikking te kort voor verstrekking van de stukken, mede omdat eventuele stukken nog moeten worden opgevraagd bij derden. Daarom wordt een termijn bepaald van dertig dagen na betekening van de beschikking voor het verstrekken van de stukken.

De rechtbank ziet geen aanleiding om aan DNB een dwangsom op te leggen. De stelling dat DNB eerder essentiële stukken heeft achtergehouden in de procedures, zoals Conservatrix Groep heeft aangevoerd, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank gaat ervan uit dat DNB gevolg zal geven aan een uitspraak van de rechter.

Zoals verzocht zal de beschikking uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding om DNB de proceskosten van Conservatrix Groep te laten betalen. De proceskosten aan de zijde van Conservatrix Groep worden vastgesteld op:

- griffierecht

714,00

- salaris advocaat

1.385,00

(2,5 punten × € 554,00)

- nakosten

198,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.297,00

Voor zover Conservatrix Groep in dit stadium van de procedure verzoekt DNB te veroordelen in de werkelijke proceskosten, geldt het volgende. Voor toekenning van de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten in afwijking van het gewoonlijk gehanteerde liquidatietarief is geen grond. Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten kan alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake in geval van een evident ongegronde vordering of verweer, zoals wanneer de vordering of het verweer wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan een procespartij de onjuistheid kende of had behoren te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als grond voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter, dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Verweer voeren in deze procedure op de wijze waarop zij dat heeft gedaan levert geen misbruik van procesrecht op aan de zijde van DNB.

6. De beslissing

De rechtbank

verklaart Conservatrix Groep niet-ontvankelijk in haar verzoek tot herroeping,

beveelt DNB om binnen dertig (30) dagen na betekening van deze beschikking aan Conservatrix Groep te verstrekken een afschrift van:

a. het ‘Submission Protocol’ op 17 maart 2017 getekend door Trier en DNB;

b. het Agreement re post-completion covenants op 17 maart 2017 ondertekend door DNB, Trier, Netherlands Insurance Holding Inc. (Delaware), NIH Capital LLC (North Carolina) en [naam 2] ;

c. de Recapilization Commitment op 17 maart 2017 ondertekend door DNB, Trier [naam 2] en NIG Capital LLC (North Carolina);

d. de Aggregate Excess of Loss Reinsurance Treaty op 15 mei 2017 ondertekend door de nieuwe bestuurders van Conservatrix en CBL;

e. de Process Letter van DNB;

f. alle bijlagen en annexen bij voornoemde documenten;

g. de grootboekrekening eigen vermogen 2017 en een gedetailleerd overzicht van het verloop van het eigen vermogen bij de jaarrekening 2017 van Conservatrix;

h. het accountantsverslag over het onderzoek van de jaarrekening 2017;

i. de op pagina 7 van de jaarrekening 2017 van Conservatrix genoemde assessment van KPMG Advisory N.V (“[t]he market value of the reinsurance agreement was assessed by KPMG Advisory N.V.”),

veroordeelt DNB in de proceskosten aan de zijde van Conservatrix Groep van € 2.297,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als DNB niet vrijwillig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking wordt betekend,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. M. Wouters en mr. G.C. de Heer, rechters, bijgestaan door mr. E.C. Kleverlaan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.C. de Heer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?