ECLI:NL:RBAMS:2026:1127

ECLI:NL:RBAMS:2026:1127

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 29-01-2026
Datum publicatie 05-02-2026
Zaaknummer 13/261468-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Veroordeling voor diefstal. Oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/261468-25

Datum uitspraak: 29 januari 202

6

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de [detentieadres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2026. Verdachte was daarbij aanwezig, evenals zijn raadsman, mr. I.R. Rigter.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank ter terechtzitting [persoon 1] (reclasseringswerker bij GGZ Reclassering Inforsa) op de zitting als deskundige gehoord.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 5 oktober 2025 schuldig heeft gemaakt aan diefstal bij de [bedrijf] (filiaal gelegen aan de [adres] .

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezenverklaard kan worden op grond van onder andere de bekennende verklaring van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de aangifte van [persoon 2] namens de [bedrijf] gevestigd op de [adres] en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van twee flessen wasmiddel en een stuk vlees bij deze vestiging van de [bedrijf] .

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

op 5 oktober 2025 te Amsterdam twee flessen wasmiddel (Dreft) en een stuk vlees ter waarde van 20,59 euro, die aan winkelbedrijf [bedrijf] (filiaal gelegen aan de [adres] ) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Omdat verdachte het ten laste gelegde heeft bekend, wordt op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de gebruikte bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn opgesomd in bijlage II bij dit vonnis.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de maatregel

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren zonder aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er wordt voldaan aan de zogeheten ‘harde’ en ‘zachte’ criteria voor de ISD-maatregel.

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om geen ISD-maatregel op te leggen, omdat niet wordt voldaan aan de zachte criteria. De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van tien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, zodat verdachte aansluitend zelf zijn terugkeer naar Polen kan realiseren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen voor de duur van één jaar.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal op 5 oktober 2025. Winkeldiefstal levert veel schade en overlast op voor de winkels en daarnaast ervaart het winkelpersoneel veel ongemakken door winkeldiefstal.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 28 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor winkeldiefstallen.

Rapportage

De rechtbank heeft kennisgenomen van het advies van GGZ Reclassering Inforsa van 9 december 2025, opgemaakt door [persoon 3] . De reclassering heeft – kort gezegd – gerapporteerd dat het recidiverisico van verdachte als hoog wordt ingeschat. De reclassering maakt deze inschatting mede gelet op verdachtes delictverleden en de omstandigheid dat hij geen inkomen heeft. Ook is er bij verdachte sprake van problematisch middelengebruik. De reclassering heeft verder gerapporteerd dat het rechtmatig verblijf van verdachte in Nederland is beëindigd. Hierdoor kan verdachte geen aanspraak meer maken op sociale voorzieningen, waardoor het niet mogelijk is om hulpverleningsinterventies in te zetten om het risico op recidive te helpen verminderen. Op basis van het voorgaande voldoet verdachte volgens de reclassering aan zowel de harde als de zachte ISD-criteria. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte op te leggen, zodat verdachte kan worden begeleid bij zijn terugkeer naar Polen.

De deskundige [persoon 1] heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd en daar waar nodig aangevuld. De deskundige heeft aangevoerd dat bij verdachte sprake is van instabiliteit op alle leefgebieden. Zij heeft benadrukt dat als de ISD-maatregel wordt opgelegd, de nadruk komt te liggen op hulp bij verslaving en ondersteuning bij repatriëring naar Polen. Repatriëring biedt de meest reële kans op het terugdringen van recidive en biedt verdachte het meest reële toekomstperspectief. Volgens de deskundige leert de ervaring dat voor repatriëring vanuit Nederland naar Polen voldoende tijd moet worden genomen en adviseert zij daarom de maatregel voor de duur van twee jaren op te leggen.

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de reclassering over en maakt die tot de hare.

De op te leggen maatregel

De ISD-maatregel heeft als doel de maatschappij te beveiligen en recidive te beëindigen. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Verdachte voldoet hierdoor aan de ‘harde’ criteria voor de ISD-maatregel.

De rechtbank is – anders dan de raadsman van verdachte – van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. De rechtbank overweegt op basis van het hiervoor genoemde rapport en de daarop ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige dat er geen reële alternatieven voorhanden zijn om het recidiverisico in te perken. Uit het reclasseringsadvies blijkt namelijk onder meer dat een drangkader door middel van een reclasseringstoezicht – gelet op de verblijfstatus van verdachte – geen optie is. Verdachte heeft geen recht op sociale voorzieningen, waardoor geen invulling kan worden gegeven aan een reclasseringstoezicht. Daarnaast moet er op basis van het reclasseringsadvies ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen oplegging van deze maatregel, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank overweegt in dit verband in het bijzonder dat het door de verdediging voorgestelde alternatief van het opleggen van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf, waarna verdachte in de gelegenheid wordt gesteld vrijwillig Nederland te verlaten, onvoldoende garanties biedt. Verdachte is immers al eerder teruggekeerd naar Nederland vanuit Polen. De rechtbank heeft er geen vertrouwen in dat verdachte zijn leven in Nederland zelfstandig vorm kan en/of zal geven, waardoor de kans groot is dat hij – eenmaal in vrijheid – opnieuw diefstallen zal plegen. De rechtbank ziet in het voorgaande dan ook aanleiding om de ISD-maatregel op te leggen

Conclusie

De rechtbank zal gelet op het voorgaande aan verdachte de ISD-maatregel opleggen. Met het oog op beëindiging van de recidive van verdachte en de optimale bescherming van de maatschappij, is het van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de (maximale) termijn van twee jaren opleggen en zal zij de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 Sr.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.Ş. Doğan, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en C.J.M. in 't Veld-Vernooij, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.K. Raspoort, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2026.

[...]

[...]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.K. Raspoort

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?