RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-303148-25
Datum uitspraak: 20 januari 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 18 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 oktober 2025 door the District Court of Zamość, Second Penal Division (Sąd Okręgowy w Zamościu II Wydział Karny), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. R.F.M. Gerritsen, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een sentence of the Regional Court of Hrubieszów Second Penal Division of 14 October 2024, which became legally valid on 22 October 2024, met kenmerk II K 530/24.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, vijf maanden en zesentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Hoewel de opgeëiste persoon ten aanzien van feit 1 is verhoord, waarbij zij een adresinstructie heeft ontvangen, is ten aanzien van feit 2 – waarvan de pleegdatum ná het verhoor voor feit 1 ligt – niet duidelijk of zij tijdens het verhoor een adresinstructie heeft ontvangen. Subsidiair stelt de raadsman dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden, om hierover nadere vragen te stellen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat zij bij het verhoor voor feit 2 stukken heeft ondertekend, mogelijk heeft zij daar ook de adresinstructie ontvangen. Zelfs indien dat niet het geval is kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Ten aanzien van feit 1 heeft de opgeëiste persoon namelijk een adresinstructie ontvangen, waarbij zij is gewezen op de gevolgen van het nalaten daarvan. De oproep voor het proces waarbij beide feiten zijn afgedaan is gezonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. De opgeëiste persoon is echter vertrokken, zonder naar het proces te informeren, zodat zij stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar verdedigingsrechten, dan wel is zij onzorgvuldig geweest met betrekking tot haar bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden, om hierover nadere vragen te stellen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
In het kader van de beoordeling van de vraag of de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten zal inhouden, is het van belang of de opgeëiste persoon uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat. Ook de handelswijze van de opgeëiste persoon kan door de rechtbank in aanmerking worden genomen. De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De rechtbank stelt op grond van het dossier, waaronder aanvullende informatie van de District Court of Zamosc, Second Panel Devision van 2 december 2025, en het verhandelde ter zitting vast dat de opgeëiste persoon op 30 juni 2024 voor feit 1 is verhoord. De opgeëiste persoon heeft daarbij een adresinstructie ontvangen, waarbij zij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft ter zitting bevestigd dat zij bij het verhoor een adres heeft opgegeven en documenten heeft ondertekend, maar zij was niet bekend met de inhoud ervan. De oproep voor de geplande zitting is vervolgens gezonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres.
De rechtbank stelt vast dat de pleegdatum van feit 2, zijnde 6 juli 2024, ná de datum ligt waarop de opgeëiste persoon voor feit 1 is verhoord. De uitvaardigende autoriteit heeft geen informatie verschaft over de vraag of de opgeëiste persoon in het kader van feit 2 is verhoord en of zij daarbij een adres heeft opgegeven en ook een adresinstructie heeft gekregen. Hoewel de opgeëiste persoon zelf ter zitting heeft verklaard dat zij ook in het kader van feit 2 is verhoord en bij dat verhoor een adres heeft opgegeven blijkt dit niet uit de informatie van de uitvaardigende autoriteit en bovendien kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon bij het verhoor of op enig moment in de procedure ten aanzien van feit 2 een adresinstructie heeft ontvangen.
Het is daarom op dit moment niet mogelijk om te toetsen of de opgeëiste persoon ten aanzien van de strafrechtelijke procedure die op beide feiten ziet, haar verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. De rechtbank ziet echter ruimte om hierover nadere vragen te stellen, omdat de beslistermijn nog niet is verstreken. De rechtbank zal de behandeling van de zaak daarom aanhouden, om de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende vragen voor te leggen:
In onderdeel D. van het EAB en in de aanvullende informatie van de District Court of Zamosc, Second Panel Devision van 2 december 2025 is melding gemaakt van een verhoor op 30 juni 2024, waarbij de opgeëiste persoon een adresinstructie zou hebben ontvangen, waarvoor zij heeft getekend. De pleegdatum van feit 2 ligt echter na de datum van het verhoor. De rechtbank verneemt daarom graag het volgende:
is de opgeëiste persoon voor feit 2 aangehouden en verhoord?
heeft de opgeëiste persoon naar aanleiding van feit 2 een correspondentieadres opgegeven en daarbij een adresinstructie ontvangen, waarbij zij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan? Op welk moment in de procedure heeft dit plaatsgevonden? Heeft zij daarbij hetzelfde adres opgegeven als ten aanzien van feit 1? Indien dit niet het geval is, welk adres heeft zij opgegeven en is daar ook een oproep voor de zitting naar toe gestuurd?
4. Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
5. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
6. Beslissing
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
diefstal.
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
De rechtbank:
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor onder 3.1 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland vóór 9 februari 2026, zijnde het einde van de verlengde beslistermijn;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en
tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan haar raadsman;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemd tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.