RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/525311-07
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/525311-07, tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en het onderzoek op de terechtzitting van 20 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en hetgeen de raadsman van veroordeelde, mr. L. Palanciyan, naar voren hebben gebracht.
De zaak wordt gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de ontnemingszaak tegen medeveroordeelde [medeveroordeelde] (13/525307-07).
2. De vordering
De officier van justitie heeft op 2 maart 2010 een ontnemingsvordering (hierna: vordering) ingediend bij de rechtbank. De vordering strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel van € 59.959,50.
3. De grondslag van de vordering
Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2014 veroordeeld voor – onder andere – het medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, in de periode van 1 november 2002 tot en met 1 september 2005.
De rechtbank verstaat de vordering, gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar zij verwijst, aldus dat deze betrekking heeft op de feiten waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.
4. Het procesverloop
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 24 maart 2010. Op de zitting heeft de raadsman van veroordeelde, mr. L.M. Lalji, het verzoek gedaan zeven getuigen te laten horen door de rechter-commissaris. De rechtbank heeft het verzoek toegewezen en de behandeling van de vordering voor onbepaalde tijd aangehouden, waarbij de zaak werd verwezen naar de rechter-commissaris teneinde de zeven getuigen te horen. De vordering is vervolgens niet meer op zitting gepland, totdat het openbaar ministerie de zaak opnieuw ter terechtzitting van 20 januari 2026 heeft aangebracht. Op voorhand heeft de officier van justitie te kennen gegeven de niet-ontvankelijkheid te zullen vorderen.
5. Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat zij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering. Het standpunt van de officier van justitie komt erop neer dat voortzetting van de ingezette vordering vanwege het tijdsverloop niet langer opportuun is. De vordering is lang geleden ingediend en de behandeling daarvan ligt al zeer lange tijd volkomen stil.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft medegedeeld het standpunt van de officier van justitie te delen.
Het oordeel van de rechtbank
Uit de ontnemingsvordering van 2 maart 2010 blijkt dat de officier van justitie haar voornemen kenbaar heeft gemaakt om op de terechtzitting van 24 maart 2010 een ontnemingsvordering tegen veroordeelde aanhangig te maken. De rechtbank merkt dit moment aan als start van de redelijke termijn in de ontnemingsprocedure. Nu het vonnis in de onderliggende strafzaak op 5 juni 2014 is gewezen, is er sprake van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn van ruim elf jaren.
Bij de beoordeling van de door de officier van justitie gevorderde niet-ontvankelijkheid heeft de rechtbank acht geslagen op het door de Hoge Raad genoemde uitgangspunt dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De rechtbank is van oordeel dat het in deze specifieke zaak niet slechts gaat om een overschrijding van de redelijke termijn. Het tijdsverloop heeft ook negatieve consequenties bij de (verdere) voortzetting van deze procedure. De verdediging heeft immers in 2010 verzocht om zeven getuigen te laten horen bij de rechter-commissaris. Deze getuigen zijn tot op heden niet gehoord. Voor een correcte voortzetting van de procedure is het noodzakelijk dat alle zeven getuigen door de rechter-commissaris worden gehoord. Gelet op het tijdsverloop is het in redelijkheid niet te verwachten dat de getuigen inhoudelijk kunnen verklaren. De ernstige overschrijding van de redelijke termijn heeft daarmee tot gevolg dat de rechtbank de vordering niet zorgvuldig kan beoordelen, wat een ernstige inbreuk oplevert op het recht van veroordeelde op een eerlijk proces. De rechtbank is daarom van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de ontnemingsvordering.
6. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds en N.T. Arnoldussen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.K. Raspoort, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 januari 2026.