ECLI:NL:RBAMS:2026:1335

ECLI:NL:RBAMS:2026:1335

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer 1325996325
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

executie-EAB Portugal, overlevering toestaan, artikel 11 OLW, artikel 6a OLW: geen gelijkstelling, artikel 12 sub b OLW en TUL-beslissing

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-259963-25

Datum uitspraak: 5 februari 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 16 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 15 september 2025 door het Gerecht van het arrondissement Faro – Lokale strafrechter van Loulé, – Rechter 3, Portugal (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1982 (geboorteplaats en -land onbekend),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

Zitting 11 december 2025

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 11 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, die waarneemt voor mr. R. Zilver, beiden advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Portugese taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.De rechtbank heeft op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de beslistermijn nogmaals met 30 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

Zitting 22 januari 2026

Op deze zitting is de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling van de rechtbank voortgezet, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, die waarneemt voor mr. R. Zilver, en door een tolk in de Portugese taal.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Portugese nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB, gelezen in samenhang met de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 3 november 2025, vermeldt een uitvoerbare uitspraak van de Strafrechtbank van Loulé, Kamer 3, van het Arrondissement Faro van 25 mei 2021.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW niet van toepassing is, omdat uit de bijlagen bij de aanvullende informatie niet blijkt dat de opgeëiste persoon de oproep daadwerkelijk in ontvangst heeft genomen. Daarnaast stond de opgeëiste persoon ten tijde van deze oproep (10 september 2019) al niet meer ingeschreven in Portugal. Ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12, sub c, OLW heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW aan de orde is, omdat de opgeëiste persoon is bijgestaan door een gemachtigd advocaat. Daarnaast is ook de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c, OLW van toepassing, omdat het vonnis in Nederland aan de opgeëiste persoon is uitgereikt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in onderdeel d) van het EAB aangegeven dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen om bij het proces aanwezig te zijn. Hierbij is echter geen datum vermeld waarop deze oproep in persoon aan de opgeëiste persoon in persoon zou zijn uitgereikt. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW is daarom niet van toepassing. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW is evenmin van toepassing, omdat niet gebleken is dat de advocaat door de opgeëiste persoon gemachtigd was om namens hem de procedure te voeren.

De rechtbank stelt verder vast dat de stukken die gevoegd zijn bij de verstrekte aanvullende informatie van 3 november 2025, een akte van uitreiking van het vonnis op 23 april 2021 aan de opgeëiste persoon in persoon bevat. Voorts blijkt uit die stukken dat de opgeëiste persoon daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op hoger beroep en het tijdbestek waarbinnen dit moest worden ingesteld. De opgeëiste persoon heeft geen hoger beroep ingesteld binnen het voorgeschreven tijdsbestek. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van 15 oktober 2023 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Deze beslissing zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd en valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.

Uit de aanvullende informatie van 3 en 26 november 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf is bevolen, omdat de opgeëiste persoon de voorwaarden die verbonden waren aan de schorsing van de tenuitvoerlegging niet heeft nageleefd. Aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf van één jaar en acht maanden ligt dus geen nieuwe veroordeling voor een nieuw strafbaar feit ten grondslag.

Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd.

4. Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Portugal een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Inleiding

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:

1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;

2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en heeft hiertoe over de periode april 2019 tot en met maart 2024 belastingaanslagen, jaaropgaves, facturen, loonstroken en een energiecontract overgelegd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Eerste voorwaarde

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon vanaf april 2019 tot in ieder geval 2024 in Nederland woont en werkt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er echter onvoldoende stukken aangeleverd die aantonen dat de opgeëiste persoon in 2024 voldoende inkomsten uit werk heeft gegenereerd om te kunnen oordelen dat sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid. De opgeëiste persoon heeft weliswaar een aantal facturen van zijn eigen bedrijf uit 2024 verstrekt, maar stukken waaruit blijkt dat deze facturen zijn betaald dan wel andere objectieve inkomstengegevens die zien op 2024 ontbreken. Daarom is niet aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

Dit betekent dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de tweede voorwaarde. Het gelijkstellingsverweer wordt verworpen.

6. Artikel 11; detentieomstandigheden

Inleiding

Bij uitspraak van 6 april 2021 heeft de rechtbank een algemeen reëel gevaar aangenomen dat personen die in Portugal in de detentie-instellingen van Lissabon, Caxias en Setúbal zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). In het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) gepubliceerd in 2023 – waarbij Caxias en Setúbal anders dan Lissabon niet zijn bezocht – is het aangenomen algemeen reëel gevaar niet ontkracht. De rechtbank gaat dan ook nog steeds uit van een algemeen reëel gevaar in de zin van artikel 4 Handvest voor deze drie detentie-instellingen.

Op 29 december 2025 heeft de Algemeen-Directeur van de Algemene Directie Re-integratie en Gevangenisdiensten van het Portugese Ministerie van Justitie de volgende garantie verstrekt:

“In mijn hoedanigheid van Algemeen-Directeur Reïntegratie en Gevangenisdiensten van het Portugese Ministerie van Justitie, en omdat ik, op grond van de artikelen 20 en 22, lid 3 van het Wetboek voor de Uitvoering van Straffen en Maatregelen van Vrijheid, de bevoegdheid heb om gevangenen toe te wijzen en over te brengen naar verschillende Gevangenisinrichtingen, verklaar en garandeer ik dat [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] .1982, zoon van [persoon 1] en [persoon 2] , niet zal worden toegewezen aan of overgebracht naar de gevangenissen van Lissabon, Caxias of Setúbal.”

Oordeel van de rechtbank

Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de op 29 december 2025 afgegeven garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentie-instellingen van Lissabon, Caxias en Setúbal heeft aangenomen, wordt door de garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij daar niet zal worden gedetineerd. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor overlevering.

7. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Gerecht van het arrondissement Faro – Lokale strafrechter van Loulé – Rechter 3, Portugal, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau en N.F.M. de Koning, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 februari 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?