RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/155625-25
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1982,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [P.I.] ,
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Willemsen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. W.B. Lisi, advocaat te Roermond, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van dat wat door en namens de benadeelde partij [benadeelde partij] , bijgestaan door haar advocaat, mr. M. Ferwerda, naar voren is gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van hetgeen vermeld onder het gedachtestreepje ‘- laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [benadeelde partij]’ in het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde. Wat betreft het onder 1 ten laste gelegde gaat zij daarbij uit van de primair ten laste gelegde verkrachting en wat betreft het onder 3 ten laste gelegde van de opzetverkrachting.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van ‘dwingen’ in de zin van artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr.). Er is evident geen sprake van geweld of bedreiging met geweld. Van een andere feitelijkheid kan evenmin worden gesproken. Uit de gedragingen van aangeefster kan worden afgeleid dat zij ruimte had om zich te onttrekken aan de situatie en die ruimte heeft zij op enig moment ook benut. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. Er waren geen situaties waarin aangeefster expliciet duidelijk heeft gemaakt dat zij het niet wilde, zodat vrijspraak moet volgen voor de ten gelegde opzetverkrachting. Ook heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde periode na oktober 2024 niet bewezen kan worden. Er is onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van aangeefster dat er na oktober 2024 nog seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.
Voor het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde en de schuldverkrachting zoals impliciet onder feit 3 ten laste is gelegd tot aan de pleegperiode november 2024 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Inleidende opmerkingen
Verdenking
Verdachte wordt verweten dat hij gedurende een periode van ruim twee jaar, namelijk van 24 november 2022 tot en met 1 februari 2025, zijn dochter heeft misbruikt. De seksuele handelingen zouden mede hebben bestaan uit het binnendringen van het lichaam met zijn vingers. De handelingen zijn in drie aparte feiten tenlastegelegd, omdat aangeefster in de eerste periode (feit 1) minderjarig was, in feit 2 is de periode ten laste gelegd vanaf het moment dat zij 18 jaar is geworden en feit 3 ziet op de periode vanaf 1 juli 2024, de datum waarop de (nieuwe) Wet seksuele misdrijven in werking is getreden.
De rechtbank zal de feiten hieronder beoordelen aan de hand van de het beoordelingskader tot 1 juli 2024 (onder 1 en 2 ten laste gelegde) en het beoordelingskader van na die tijd (onder 3 ten laste gelegde).
Verklaring verdachte
Verdachte heeft bekend dat hij de seksuele handelingen zoals uitgeschreven op de tenlastelegging jegens zijn dochter heeft begaan.
Het oordeel ten aanzien van de omschreven seksuele handelingen (feit 1, 2 en 3)
De rechtbank acht op basis van de verklaring van aangeefster, die zij betrouwbaar en consistent acht, en de verklaring van verdachte de seksuele handelingen zoals omschreven in de drie ten laste gelegde feiten bewezen en ziet zich voorts gesteld voor de vraag hoe de handelingen moeten worden gekwalificeerd. De rechtbank onderkent daarbij dat niet voor alle afzonderlijke seksuele handelingen die hieronder in de bewezenverklaring onder de verschillende gedachtestreepjes worden genoemd, op grond van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat zij in elk van de drie tijdvakken hebben plaatsgevonden, dan wel welke handelingen in welk tijdvak hebben plaatsgevonden. Wat betreft de kern van het verwijt dat verdachte in alle bewezenverklaarde feiten wordt gemaakt – het verrichten van seksuele handelingen mede bestaand uit het binnendringen van het lichaam, hetzij onder dwang (feit 1 en 2), hetzij opzettelijk tegen de wil (feit 3) - geldt echter dat dit in alle te onderscheiden tijdvakken bewezen kan worden. De rechtbank zal daarom alle feiten bewezen verklaren en voor de onder de diverse gedachtestreepjes nader gespecificeerde handelingen een ‘en/of’-bewezenverklaring toepassen. Voor het verwijt dat de rechtbank verdachte maakt en de daaraan hieronder te verbinden straf maakt dit niet uit.
Het oordeel over het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde
Op het onder 1 en 2 ten laste gelegde is het oude artikel 242 Sr van toepassing, omdat de pleegdata voor de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven liggen. Voor de beoordeling of er sprake is van verkrachting, dient de rechtbank hier het bij dat artikel behorende beoordelingskader toe te passen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat ten aanzien van het bestanddeel ‘dwang’ geen sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever ten gunste van de verdachte.
Om tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde verkrachting te komen, dient te worden vastgesteld dat verdachte door geweld of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat geen sprake is geweest van geweld, bedreiging met geweld of bedreiging met een andere feitelijkheid. De vraag resteert dan of sprake is geweest van andere feitelijkheden waardoor de verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van de ten laste gelegde seksuele handelingen.
De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt als volgt.
Aangeefster heeft in haar aangifte aangegeven dat zij bang was, bang dat haar vader haar zou haten en dat zij de pijn niet wilde hebben als hij haar zou straffen of boos zou worden. Zij heeft zichzelf stil gehouden en het laten gebeuren. Ze hield haar benen vaak gekruist maar haar vader was sterk. Over de keren dat haar vader ‘s nachts in haar kamer kwam en hij haar hand naar zijn penis trok verklaart zij dat ze net deed alsof ze sliep. Er zijn momenten geweest dat aangeefster de hand van haar vader wegduwde, hetgeen ook verdachte heeft verklaard, maar dat was voor verdachte kennelijk geen reden om het misbruik te stoppen want daarna gebeurde het gewoon weer.
Aangeefster heeft verder verklaard dat zij altijd bang was dat haar vader boos werd en dat hij je ook bij je keel kon pakken. De moeder van aangeefster heeft verklaard dat haar man de baas was in huis en dat hij – al dan niet óók in de periodes die hier zijn tenlastegelegd - de kinderen ook sloeg.
De rechtbank acht bewezen dat aangeefster, door de hiervoor omschreven omstandigheden, het gevoel had dat zij zich niet aan de situatie kon onttrekken en het moest ondergaan. De afhankelijkheidsrelatie, het feit dat ze aan zijn zorg was toevertrouwd en de omstandigheid dat haar vader erg boos dan wel agressief kon worden spelen daarbij een rol. Uit het feit dat aangeefster zich slapend hield en zijn hand daadwerkelijk enkele keren wegduwde moet het voor verdachte ook duidelijk zijn geweest dat zij zich gedwongen voelde de handelingen te ondergaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat er sprake is geweest van de hiervoor bedoelde dwang door feitelijkheden en daarmee van verkrachting, zoals onder feit 1 primair en onder feit 2 ten laste is gelegd.
Het oordeel over het onder 3 ten laste gelegde
Uit de artikelen 242 en 243 Sr, zoals die gelden sinds 1 juli 2024, volgt dat het strafbaar is om bij een ander seksueel het lichaam binnen te dringen als de persoon die dat doet, weet (art 243 Sr) of ernstige reden heeft om te vermoeden (art 242 Sr) dat bij de andere persoon de wil daartoe ontbreekt. De wederkerigheid van het seksueel contact staat hierbij centraal. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet op prijs te stellen en de verdachte dit seksuele contact toch heeft voortgezet.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte wist, dan wel ernstige reden had om te vermoeden dat bij aangeefster de wil ontbrak om de in de tenlastelegging genoemde seksuele handelingen te ondergaan.
De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden blijkt dat de wil bij aangeefster tot seksueel contact met haar vader, verdachte, ontbrak én dat het niet anders kan dan dit voor verdachte duidelijk was. Dit betekent dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting.
Pleegperiode
Op basis van de verklaring van aangeefster op 4 maart 2025, inhoudende dat de laatste keer dat er iets was gebeurd 3 à 4 weken geleden was, namelijk vlak voor het informatieve gesprek (dat plaatsvond op 11 februari 2025) en de verklaring van moeder dat haar dochter haar in februari 2025 heeft verteld over het misbruik, acht de rechtbank de pleegperiode zoals ten laste gelegd van 1 juli 2024 tot en met 1 februari 2025 bewezen.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1
primair
in de periode van 24 november 2022 tot en met 23 november 2023 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer, door een andere feitelijkheid, zijn eigen dochter te weten [benadeelde partij] (geboren op [geboortedag 2] 2005) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , te weten meermalen, (telkens)
- het brengen van één of meer vinger(s) tussen de schaamlippen en op de clitoris en in de vagina van die [benadeelde partij] en/of
- het betasten van de vagina van die [benadeelde partij] en/of
- het betasten van de borsten en lichaam van die [benadeelde partij] en/of
- het likken van de van vagina en schaamlippen van die [benadeelde partij] en/of
- het houden van zijn, verdachtes, penis tegen het lichaam van die [benadeelde partij] en/of
- het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [benadeelde partij] en/of
- het drukken en houden van zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die [benadeelde partij]
waarbij die andere feitelijkheden hebben bestaan uit,
- het grote leeftijdsverschil en
- het door verdachte misbruik maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht als vader en (daarbij) gebruik heeft gemaakt van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheids- en/of machtsrelatie en
- het misbruik maken van zijn fysieke overwicht ten opzichte van die [benadeelde partij] en
- ( meermalen) voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van
verzet/weerstand van die [benadeelde partij] ;
2
in de periode van 24 november 2023 tot en met 30 juni 2024 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer, door een andere feitelijkheid, zijn eigen dochter te weten [benadeelde partij] (geboren op [geboortedag 2] 2005) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , te weten meermalen, (telkens)
- het brengen van één of meer vinger(s) tussen de schaamlippen en op de clitoris en in de vagina van die [benadeelde partij] en/of
- het betasten van de vagina van die [benadeelde partij] en/of
- het betasten van de borsten en lichaam van die [benadeelde partij] en/of
- het likken van de van vagina en schaamlippen van die [benadeelde partij] en/of
- het houden van zijn, verdachtes, penis tegen het lichaam van die [benadeelde partij] en/of
- het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [benadeelde partij] en/of
- het drukken en houden van zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die [benadeelde partij]
waarbij die andere feitelijkheden hebben bestaan uit,
- het grote leeftijdsverschil en
- het door verdachte misbruik maken van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht als vader en (daarbij) gebruik heeft gemaakt van de daaruit voortvloeiende afhankelijkheids- en/of machtsrelatie en
- het misbruik maken van zijn fysieke overwicht ten opzichte van die [benadeelde partij] en
- ( meermalen) voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van
verzet/weerstand van die [benadeelde partij] ;
3
in de periode van 1 juli 2024 tot en met 1 februari 2025 te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer, met een persoon, te weten zijn eigen dochter, [benadeelde partij] (geboren op [geboortedag 2] 2005) seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten meermalen, (telkens)
- het brengen van één of meer vinger(s) tussen de schaamlippen en op de clitoris en in de vagina van die [benadeelde partij] en/of
- het betasten van de vagina van die [benadeelde partij] en/of
- het betasten van de borsten en lichaam van die [benadeelde partij] en/of
- het likken van de van vagina en schaamlippen van die [benadeelde partij] en/of
- het houden van zijn, verdachtes, penis tegen het lichaam van die [benadeelde partij] en/of
- het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [benadeelde partij] en/of
- het drukken en houden van zijn, verdachtes, lichaam tegen het lichaam van die [benadeelde partij]
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde partij] daartoe de wil ontbrak.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) ex artikel 38z Sr op te leggen en oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contact- en gebiedsverbod voor de duur van vijf jaar. Wat betreft deze 38v-maatregel vordert de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een veroordeling een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van het voorarrest niet overschrijdt, met daarnaast een fors voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Voorts heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd in samenhang met de persoon van verdachte en zijn proceshouding waaruit naast berouw ook een vraag om hulp is af te leiden. Ook stelt de verdediging zich op het standpunt dat er duidelijke aanwijzingen zijn om de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De verdediging verzet zich tegen oplegging van een GVM omdat een deugdelijke grondslag hiervoor ontbreekt.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich over een periode van ruim twee jaar schuldig gemaakt aan (opzet)verkrachting van zijn eigen dochter. Het seksuele misbruik is begonnen toen zij net 17 jaar was. Verdachte heeft met grote regelmaat, soms wel meerdere keren per week, verschillende seksuele handelingen verricht bij zijn dochter, waaronder het seksueel binnendringen van haar lichaam. Verdachte heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn dochter en op haar gevoel van veiligheid in haar eigen woning. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn dochter in hem als vader had en heeft zijn eigen lusten boven het welzijn van zijn dochter gesteld. Het is algemeen bekend dat door seksueel misbruik de normale seksuele en persoonlijke ontwikkeling van een slachtoffer ernstig kan worden geschaad en dat zij daarvan nog lang psychische klachten kan ondervinden. Kinderen die slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik, zeker door die personen waarop zij onvoorwaardelijk moeten kunnen vertrouwen en bij wie zij zich veilig en geborgen hadden moeten weten, ervaren immers in veel gevallen nog jaren grote gevolgen van wat hen is aangedaan. Dit blijkt ook uit hetgeen ter terechtzitting is besproken en uit de verklaring van de klinisch psycholoog waaruit volgt dat PTSS bij het slachtoffer is vastgesteld.
Persoon van de verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 10 juli 2025 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 8 oktober 2025, opgesteld door GZ-psycholoog R.L. Paris. Hieruit volgt – kort gezegd – dat er bij verdachte sprake is van een ander gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Gekeken naar het persoonlijkheidsfunctioneren komen er namelijk verschillende beperkingen naar voren op het gebied van identiteit, zelfsturing, empathie en intimiteit. Verdachte is enkel gericht op zichzelf en zijn eigen behoeften, ook in het contact met de ander. Ondanks dat er op basis van het dossier en de zelfrapportage van verdachte enige aanwijzingen naar voren komen voor seksuele preoccupatie kan een parafiele stoornis niet worden gesteld, maar ook niet worden uitgesloten. Dat de rapporteur geen parafiele stoornis heeft kunnen vaststellen dan wel uitsluiten, maakt dat zij geen uitspraak kan doen over de doorwerking van deze stoornis op het ten laste gelegde. De gestelde persoonlijkheidsstoornis op zichzelf is, gelet op het opportunistisch gemotiveerde karakter van het ten laste gelegde, in de ogen van de rapporteur onvoldoende grond voor het adviseren van een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid. Op basis van de combinatiescore van de twee instrumenten wordt het risico op recidive in seksueel delictgedrag ingeschat als ‘laag-matig’. Desalniettemin wordt er ook een aantal factoren gezien die het risico op recidive enigszins verhogen. Omdat geen uitspraak over de doorwerking kan worden gedaan onthoudt de onderzoeker zich van advies over de behandelinterventies.
Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van de reclassering van 2 januari 2026, opgesteld door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker. Hieruit volgt het advies dat bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden wordt opgelegd. Vanwege het gebrek aan informatie kan geen goede delictanalyse dan wel adequaat plan van aanpak worden gemaakt. Om die reden ziet de reclassering geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert een GVM op te leggen om te zijner tijd de risico's te beoordelen en, indien nodig, voorwaarden te stellen om de risico's zo klein mogelijk te maken.
Ter zitting hebben de deskundigen, voor [reclasseringswerker] was [persoon 2] aanwezig, waarbij zij aangaf bij de totstandkoming van het reclasseringsrapport betrokken te zijn geweest, voornoemde rapporten bevestigd. Voorts hebben zij ter terechtzitting vragen beantwoord en de knelpunten benoemd bij onder ander het opleggen van een behandelverplichting. Deskundige Paris heeft daarbij herhaald dat vanwege het ontbreken van doorwerking zij geen behandeladvies heeft gegeven. Zij heeft daarnaast in algemene zin opgemerkt dat bij een persoonlijkheidsstoornis waarbij opportunistisch gedrag een rol speelt, een ambulante behandeling passend zou zijn.
De verdediging heeft aangevoerd dat de feiten, gelet de problematiek van verdachte, niet volledig aan hem kunnen worden toegerekend. De rechtbank ziet op basis van het dossier en de rapporten geen aanknopingspunten die tot verminderde toerekenbaarheid zouden moeten leiden. De rechtbank acht verdachte daarom dan ook volledig toerekeningsvatbaar voor de ten laste gelegde feiten.
Strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor de bewezen verklaarde feiten gekeken naar deze oriëntatiepunten.
De ernst van de feiten rechtvaardigt uit het oogpunt van normmarkering en vergelding dat aan verdachte een forse gevangenisstraf wordt opgelegd.
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het feit dat het slachtoffer de dochter van verdachte is, haar leeftijd, de duur en frequentie van het misbruik en dat het misbruik plaatsvond op een plek waar zij zich veilig moest kunnen voelen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaar passend en geboden. De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om aan verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen, bestaande uit een meldplicht en een ambulante behandeling, om de maatschappij te beschermen en verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw in de fout te gaan. Nu de rechtbank oplegging van bijzondere voorwaarden in dit geval noodzakelijk vindt, zal aan verdachte geen GVM-maatregel worden opgelegd.
Contact- en locatieverbod (38v-maatregel)
Omdat verdachte en het slachtoffer familie zijn, is het niet ondenkbaar dat verdachte contact zou willen opnemen met het slachtoffer. Om het slachtoffer te beschermen zal de rechtbank aan verdachte een contact- en locatieverbod in de zin van artikel 38v Sr opleggen, inhoudende dat verdachte gedurende vijf jaar op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen met het slachtoffer. Verdachte heeft immers ernstig misbruik gemaakt van het slachtoffer. Het locatieverbod zal gelden voor de hele straat waar het slachtoffer woonachtig is, te weten de [adres] .
De rechtbank zal bepalen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van vijf dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
De rechtbank zal voorts bepalen dat dit contact- en locatieverbod dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.
8. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 109,19 aan vergoeding van materiële schade (kosten voor informatieverstrekking) en € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel rechtbank
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Het gevorderde bedrag van € 109,19, zijnde de kosten voor informatieverstrekking van de klinisch psycholoog, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat in voldoende mate is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van de strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit. Het geestelijke letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen, blijkt uit de bij de vordering gevoegde brief van haar klinisch psycholoog van 5 november 2025.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 10.000,-.
Wettelijke rente en kosten
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente over het bedrag van € 109,19 toe vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening en over het bedrag van € 10.000,- vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 november 2022) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 242 (oud), 243 en 248 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1, primair:
- verkrachting, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 2:
- verkrachting, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 3:
- opzetverkrachting, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van drie jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij de reclassering
Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen voor zijn persoonlijkheidsstoornis bij de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk na de detentie van veroordeelde. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
Contact- en locatieverbod (artikel 38v Sr):
Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van vijf jaar op geen enkele wijze – direct of indirect –contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] (geboren op [geboortedag 2] 2005, wonende op het adres [adres] ).
Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van vijf jaar niet in de straat mag komen waar het slachtoffer, [benadeelde partij] , samen met haar moeder en broertjes woont, te weten de [adres] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt vijf dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt, gelet op artikel 38v, vierde lid, Sr, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 109,19 aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 6 november 2025 ter zake een bedrag van € 109,19 en 24 november 2022 ter zake een bedrag van € 10.000,-, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 10.109,19 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade zijnde 6 november 2025 ter zake van een bedrag van € 109,19 en 24 november 2022 ter zake een bedrag van € 10.000,- tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Thomas, voorzitter,
mrs. H.B.W. Beekman en L. Noyon, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 januari 2026.
[--]
[--]