ECLI:NL:RBAMS:2026:1384

ECLI:NL:RBAMS:2026:1384

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 09-02-2026
Datum publicatie 10-02-2026
Zaaknummer 13/118108-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vrijspraak van poging moord. Veroordeling voor poging doodslag op ex-vrouw. Geen sprake van noodweerexces. Gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging. Tegenstrijdige rapportages over de persoon van verdachte (PBC weigerrapportage en Tripple rapportage). Immateriële schadevergoeding wegens schokschade.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/118108-24

Datum uitspraak: 9 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren in 1967 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het [verblijfsplaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op

6 november 2025 en 22 en 26 januari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.L.M. van Poll, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N.M. van Wersch, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 6 april 2024 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een poging moord dan wel doodslag op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ).

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van poging moord op [slachtoffer] . Er is onvoldoende bewijs waaruit volgt dat verdachte een mes had meegenomen met het plan om [slachtoffer] dood te steken.

Wel kan volgens de officier van justitie de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging doodslag op [slachtoffer] worden bewezen. Door haar elf keer in haar borst en hals te steken was er een aanmerkelijk kans op dodelijk letsel. De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het mogelijk overlijden van [slachtoffer] dat het niet ander kan dan dat verdachte de kans hierop bewust heeft aanvaard.

Standpunt van de verdediging

Er is geen sprake geweest van voorbedachte raad of van kwaad opzet op de dood van aangeefster. Gelet op de handelingen van verdachte en de gevolgen voor aangeefster kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat aangeefster het leven zou laten.

Oordeel van de rechtbank

Ook de rechtbank acht niet bewezen dat verdachte met voorbedachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte [slachtoffer] 11 keer met een mes in haar hals, rug en borst heeft gestoken, daarmee levensgevaarlijk letsel heeft toegebracht, en bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij hierdoor zou komen te overlijden.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 6 april 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermaals, met kracht met een mes, in de halsstreek, en in de rug en borst van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De stelling van verdachte dat hij door [slachtoffer] zou zijn aangevallen en dat hij zich daartegen mocht verdedigen, wordt niet door bewijsmiddelen in het dossier ondersteund. De enige verwonding die verdachte aan die aanval zou hebben overgehouden, een gebroken middenhandsbeentje, kan ook op andere wijze zijn veroorzaakt en is onvoldoende ter onderbouwing van deze stelling. Van een noodweersituatie was daarom geen sprake en daarmee is ook noodweerexces niet aan de orde.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt waardoor hij ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

De verklaring van verdachte dat het aangeefster was bij wie de escalatie en het geweld begon, is aannemelijk. Immers, het feit dat verdachte die dag alleen naar aangeefster is gegaan om de kinderen te halen, maakt dat het niet logisch is dat hij uit eigen beweging geweld zou plegen tegen de moeder van die kinderen. Verder verklaren getuigen [getuige 1] en [getuige 2] dat zij verdachte hebben horen zeggen dat hij geslagen is door aangeefster. Verder bewijst het aantoonbare letsel bij verdachte dat er geweld tegen hem is gebruikt. Tot slot is het vanuit het perspectief van aangeefster niet verwonderlijk dat zij de zaken wat dikker aanzet. Om deze redenen moet worden uitgegaan van de verklaringen van verdachte en had hij weinig andere keus dan zich te verdedigen. Dat hij daarbij verder is gegaan dan nodig staat verder buiten iedere discussie.

Nu verdachte naar eigen zeggen handelde uit angst, paniek en pijn, dient de overschrijding van de noodzakelijke verdediging te worden toegeschreven aan een hevige gemoedsbeweging waardoor is voldaan aan de vereisten van een geslaagd beroep op noodweerexces.

Oordeel van de rechtbank

Voor een beroep op noodweerexces geldt allereerst dat er een noodzaak tot verdediging moet zijn geweest. De rechtbank vindt de feitelijke toedracht die aan het beroep op noodweerexces ten grondslag is gelegd, namelijk dat aangeefster degene was die met geweld is gestart waartegen verdachte zich moest verdedigen, in het licht van de gegeven onderbouwing niet aannemelijk geworden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Ter onderbouwing van het beroep op noodweerexces heeft de verdediging gewezen op de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , alsmede op het letsel van verdachte. Ook heeft de verdediging kanttekeningen geplaatst bij de betrouwbaarheid van [slachtoffer] en andere getuigen.

De rechtbank overweegt dat, hoewel er twee getuigen zijn die verdachte direct na het steekincident hebben horen zeggen dat het slachtoffer hem had geslagen, daarmee nog niet aannemelijk is geworden dat aangeefster als eerste geweld jegens verdachte heeft gebruikt en hem heeft aangevallen. Hetzelfde geldt voor het bij verdachte geconstateerde letsel, een gebroken middenhandsbeentje, omdat dit letsel op zichzelf niets zegt over hoe, waar en wanneer dit is ontstaan en dit letsel ook kan passen in het scenario dat aangeefster heeft geschetst en de beelden van de worsteling op de galerij. De rechtbank merkt op dat de bron van de getuigen en van de oorzaak van het letsel enkel verdachte zelf is. Tot slot is het plaatsen van kanttekeningen bij de betrouwbaarheid van aangeefster onvoldoende om de door verdachte geschetste feitelijke toedracht aannemelijk te maken.

Tegenover hetgeen de verdediging stelt als oorzaak van het door verdachte gebruikte geweld blijkt uit het dossier onder meer het volgende. Het begin van de geweldshandelingen heeft in de woning van het slachtoffer plaatsgevonden. Op dat moment waren naast verdachte en het slachtoffer enkel hun twee jonge kinderen aanwezig in de woning. Aangeefster heeft verklaard dat [zoon 1] , hun zoon, niet met zijn vader mee wilde omdat hij voetballen had. Toen ze tegen verdachte had gezegd dat hij moest stoppen om hun zoon mee naar buiten te trekken had hij een mes gepakt en begon hij haar te steken, eerst in haar keel. De oudste van de twee kinderen, [zoon 1] , heeft direct nadat de politie was gearriveerd spontaan verklaard: “Mijn vader kwam ons vandaag ophalen. Mijn vader kreeg ruzie met mijn moeder. Mijn vader heeft mijn moeder geslagen. Mijn vader heeft een mes gepakt en mijn moeder daarmee geslagen.” Tegen een andere politieagent zegt hij: "Mag ik iets in je oor fluisteren?" Papa is gek geworden. Hij heeft mijn mama vermoord.

Verder hoorde de bovenbuurvrouw van aangeefster, getuige [getuige 3] , een paar minuten nadat er bij haar onderburen was aangebeld, kinderen gillen en meermaals schreeuwen: ”Papa, niet doen!” Toen ze op de galerij naar beneden keek zag ze verdachte insteken op het slachtoffer en riep getuige in het Arabisch “Stop, stop!” Ze hoorde verdachte in het Arabisch antwoorden: "Ik wordt gek van haar! Ik mag mijn kinderen niet zien!"

[zoon 1] heeft op 6 april 2024 in een studioverhoor verklaard dat zijn vader (verdachte) zijn moeder (het slachtoffer) vuisten had gegeven en toen het mes uit zijn zak pakte en zijn moeder naar buiten duwde. [zoon 1] wees aan dat zijn vader het mes bij de keel van zijn moeder had gedaan. [zoon 1] heeft niets verklaard over slaan door moeder.

De overige getuigen hebben de aanleiding van het steken door verdachte niet gezien.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, tegen de achtergrond van het dossier, onvoldoende aanknopingspunten voor het scenario dat verdachte zich heeft moeten verdedigen nadat het slachtoffer hem heeft aangevallen. Dit betekent dat het bestaan van ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding en daarmee een noodweersituatie onvoldoende aannemelijk is geworden. Nu een noodweersituatie niet is aangenomen dient het beroep op noodweerexces te worden verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel verpleging zal worden opgelegd, ongemaximeerd. De officier van justitie stelt dat er meer waarde aan het onderzoek van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) moet worden toegekend dan aan het ambulante onderzoek van de triple-rapporteurs. Uit het PBC-onderzoek zijn voldoende aanwijzingen naar voren gekomen dat bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens aanwezig was ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Ook is sprake van een hoog recidiverisico.

Daarnaast vraagt de officier van justitie om een contactverbod ex art. 38v Sr op te leggen voor de duur van vijf jaar ten aanzien van [slachtoffer] en voor de duur van drie jaar ten aanzien van de kinderen, met twee weken vervangende hechtenis voor elke overtreding van het contactverbod.

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging verzocht het onvoorwaardelijk strafdeel te beperken tot de duur van de voorlopige hechtenis of in ieder geval niet boven de twee jaren te laten uitkomen. Ten aanzien van een voorwaardelijk strafdeel en eventuele voorwaarden refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft daarnaast verzocht om aan verdachte geen tbs met dwangverpleging op te leggen. Het PBC-onderzoek is zeer gebrekkig geweest en er dient meer waarde te worden toegekend aan het triple onderzoek, waar verdachte aan heeft mee gewerkt. Voor de incidentele observaties van prikkelbaar en geagiteerd gedrag die in het PBC zijn gedaan geven de triple-rapporteurs een inzichtelijke verklaring. De triple-rapporteurs stellen geen stoornis vast zodat niet aan de eisen voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft [slachtoffer] , met wie hij in een scheidingsprocedure zat, geprobeerd te doden door haar met een mes meerdere malen te steken. Verdachte woonde ergens anders maar was die bewuste dag in de woning van [slachtoffer] om hun beider zoontjes op te halen in het kader van een omgangsregeling. Er ontstond ruzie tussen verdachte en [slachtoffer] over het meenemen van de kinderen. Verdachte heeft, in het bijzijn van zijn kinderen, [slachtoffer] vervolgens elf maal met een mes in haar hals en bovenlijf gestoken. Hun zoontje [zoon 1] dacht dat zijn moeder dood zou gaan en heeft tevergeefs geprobeerd zijn vader te stoppen. Het toegebrachte letsel was levensbedreigend. [slachtoffer] , die uit de woning heeft weten te ontkomen naar de galerij van de flat en later naar het huis van de buren, heeft het enkel dankzij tijdige en adequate medische hulp overleefd.

Bijzonder verdrietig is het gegeven dat de twee kinderen, op dat moment slechts 7 en 3 jaar oud, getuige zijn geweest van het steken van hun moeder door hun vader, het daarmee gepaard gaande bloedverlies en van de hectiek, het geschreeuw, de angst en agressie. Daarmee is hen geestelijk letsel toegebracht waar ze mogelijk nog (zeer) lang de nadelige gevolgen van zullen ondervinden. [slachtoffer] heeft het dodelijk letsel overleefd, maar ook zij zal nog lang de fysieke en geestelijke gevolgen van het strafbare feit moeten dragen.

Verdachte ontkent het steken niet, maar legt de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag volledig bij het slachtoffer. De rechtbank maakt zich daarom grote zorgen over een toekomstige omgangsregeling met zijn kinderen, waarbij de moeder en verdachte elkaar zullen treffen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het blanco strafblad van verdachte van 30 juni 2025.

De rechtbank acht gelet op de aard en de ernst van het feit een gevangenisstraf passend en geboden. De hoogte van de gevangenisstraf wordt echter mede bepaald door de vraag of het feit volledig aan verdachte kan worden toegerekend en of tevens de maatregel van tbs kan en dient te worden opgelegd.

Gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens

Voor de beantwoording van de vraag of bij verdachte ten tijde van het plegen van het feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, heeft de rechtbank acht geslagen op meerdere rapportages die zijn opgesteld omtrent de persoon van verdachte.

Uitzonderlijk in deze zaak is het gegeven dat deze rapportages tot verschillende conclusies hebben geleid. De deskundigen van het PBC concluderen op basis van het door hen verrichte onderzoek dat er bij verdachte sprake is van een stoornis. Zij adviseren de maatregel tbs met verpleging op te leggen. De deskundigen die zes maanden later een triple-onderzoek hebben uitgevoerd, concluderen echter dat er géén stoornis kan worden vastgesteld.

Dat stelt de rechtbank voor de vraag aan welke van de beide onderzoeken zij de meeste waarde dient toe te kennen bij de beantwoording van de vraag naar de geestvermogens van verdachte.

In algemene zin, los van de onderzoeken in deze strafzaak, merkt de rechtbank op dat het onderzoek door het PBC een klinisch onderzoek betreft, waarbij een onderzochte persoon ook een periode wordt geobserveerd, en het onderzoek van de triple-rapporteurs een ambulant onderzoek betreft. Aan een klinische observatie in het PBC wordt door gedragsdeskundigen in algemene zin veel waarde gehecht. Ingeval een te onderzoeken persoon zijn medewerking aan het onderzoek weigert is observatie een belangrijk deel van het onderzoek. Desalniettemin kan bij weigerende observandi door de onderzoekers van het PBC niet altijd voldoende informatie uit het onderzoek worden verkregen om tot een diagnose en advies te kunnen komen.

Bij een ambulant (triple) onderzoek heeft de onderzoeker meestal twee tot drie gesprekken met de onderzochte. Deze gesprekken kunnen, in het kader van het gehele gedragskundige onderzoek, voldoende zijn om een diagnose te stellen en tot een advies te komen, zeker indien er sprake is van een meewerkende verdachte.

De rechtbank overweegt dat zij het in de onderhavige zaak relevant acht dat verdachte, behalve bij het eerste psychiatrisch consult rechtspleging op 18 april 2024, steeds zijn medewerking aan onderzoeken heeft geweigerd. Hij heeft pas zijn medewerking willen verlenen aan een (op zijn verzoek verricht) gedragskundig onderzoek, nadat de PBC-onderzoekers op basis van het door hen verrichte onderzoek een stoornis bij verdachte hadden vastgesteld en tot een tbs-advies kwamen. Verdachte was en is het niet eens met dit advies.

Voorts acht de rechtbank de volgende, kort weergegeven, rapportages van belang.

Een briefrapport van een trajectconsult aangaande verdachte, op 18 april 2024 opgemaakt door J. Hartman (arts in opleiding tot psychiater) en S. Rakhshandehroo (psychiater).

De geconsulteerde psychiater heeft op 9 april 2024, drie dagen na de door verdachte gepleegde poging doodslag op zijn vrouw, verdachte gesproken en verdachte heeft de vragen van de psychiater beantwoord. De psychiater heeft het volgende advies gegeven:

Op basis van het huidige consult zijn er bij hem aanwijzingen naar voren gekomen voor psychische problematiek (waaronder emotieregulatie- en impulsbeheersingsproblemen). Verder dient de mogelijkheid van een lichamelijke oorzaak van dit gedrag in overweging te worden genomen, gezien het feit dat betrokkene, die een blanco strafblad heeft, nu op 57-jarige leeftijd voor het eerst in aanraking komt met justitie vanwege vermoedelijk gewelddadig gedrag.

Tijdens het huidige consult zijn er tevens aanwijzingen gevonden voor langdurige problemen in de relatie tussen betrokkene en zijn (voormalige) echtgenote, met wie hij jonge kinderen heeft. Bij bewezenverklaring is het risico op een herhaling van geweld door betrokkene, met gevolgen daarvan voor zijn gezin, niet uitgesloten.

Een dubbelonderzoek door psychiater en psycholoog is geïndiceerd om diagnostiek te verrichten naar psychopathologie en somatisch lijden bij betrokkene, het eventueel verband tussen deze (indien aanwezig) en het ten laste gelegde en het recidiverisico.

Een Pro Justitia rapport van forensisch psychologisch onderzoek aangaande verdachte, opgemaakt op 30 mei 2024 door GZ-psycholoog T. Stoel. De onderzoeker rapporteert onder meer:

Betrokkene heeft een blanco justitiële voorgeschiedenis en voor zover bekend een blanco psychiatrische voorgeschiedenis. Wel blijkt uit dossierinformatie dat er sprake zou zijn van periodes van somberheid en doodsgedachten in het verleden, echter blijft de aard daarvan verder onduidelijk. Tussen betrokkene en zijn (ex-) partner is sprake van een langlopend en onopgelost conflict, waarbij van beide kanten beschuldigingen naar elkaar worden geuit en er sinds 2023 verschillende meldingen bij de politie zijn gedaan en Veilig Thuis betrokken is geraakt. In onderhavige onderzoek heeft betrokkene tweemaal geweigerd naar de spreekkamer te komen en derhalve kon geen onderzoek worden uitgevoerd. Of er sprake is van psychopathologie valt op basis van de huidig beschikbare informatie moeilijk te zeggen, alhoewel emotie- en impulsbeheersingsproblematiek niet uit te sluiten valt. Gezien de aard en ernst van het ten laste gelegde wordt geadviseerd betrokkene te plaatsen in het Pieter Baan Centrum.

Ingeschat wordt dat de mogelijkheden voor klinische observatie en milieuonderzoek voldoende zicht zal geven op de persoon en persoonlijkheid van betrokkene om (een deel van) de onderzoeksvragen te beantwoorden.”

Pro Justitia rapportage van het PBC aangaande verdachte, uitgebracht op 7 april 2025 en opgemaakt door I.M. van Woudenberg, GZ-psycholoog, en M.D. van Ekeren, psychiater.

Verdachte is van 30 december 2024 tot 7 februari 2025 gedurende zes weken opgenomen in het PBC voor onderzoek. In het rapport valt onder meer te lezen:

Betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan het huidige klinisch onderzoek. (…) Het milieuonderzoek is zeer beperkt gebleven: twee van zijn ex-partners reageerden niet op de uitnodiging voor een gesprek met de milieurapporteur, wel had de milieurapporteur een gesprek met zijn laatste partner, slachtoffer van het onderhavig ten laste gelegde. Overige referenten waren niet beschikbaar. Hierdoor is het milieurapport niet alleen beperkt maar ook eenzijdig gebleven. De enige informatie die beschikbaar gekomen is over betrokkene is afkomstig uit het penitentiair dossier, uit politiemutaties en uit het straf- en persoonsdossier.

Door de weigering van betrokkene aan het onderzoek deel te nemen, is het beeld van zijn psychisch functioneren beperkt gebleven.

(…)

Ondanks de beperkingen die de weigering van betrokkene met zich meebracht, heeft hij op gedragsniveau veel van zich laten zien: hoewel betrokkene juist de bedoeling had om helemaal niets van zich te laten zien, heeft hij zijn impulsen niet of nauwelijks onder controle waardoor een gedragsbeeld zichtbaar is geworden dat dusdanig opmerkelijk is dat de vragen kunnen worden beantwoord.”

De gedragsdeskundigen van het PBC komen op grond van hun onderzoek tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een psychische stoornis, waarvan ook sprake was ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Zij adviseren behandeling in het kader van de maatregel tbs met dwangverpleging.

De rechtbank overweegt dat de bevindingen van de psychiater in het kader van het trajectconsult, namelijk dat er aanwijzingen zijn voor psychische problematiek (waaronder emotieregulatie- en impulsbeheersingsproblemen), in de lijn zijn van de conclusies van het PBC. Ook de inschatting van psycholoog T. Stoel ‘dat de mogelijkheden voor klinische observatie en milieuonderzoek voldoende zicht zal geven op de persoon en persoonlijkheid van betrokkene om (een deel van) de onderzoeksvragen te beantwoorden’ wordt bevestigd door het hiervoor kort weergegeven PBC-rapport.

Van belang acht de rechtbank voorts de motivatie die verdachte vervolgens geeft om alsnog mee te werken aan een gedragskundig onderzoek. Verdachte heeft op 28 mei 2025 tegenover de rechtbank onder meer verklaard over het onderzoek in het PBC, zakelijk weergegeven:

‘Er werden spelletjes gespeeld. Ik werd op de proef gesteld en verplicht om mee te werken tegen mijn zin in. Telkens probeerden de psychiater en psycholoog mij onder druk te zetten om te praten. Het lijkt een soort wraakactie omdat ik niet wilde meewerken. Ik ben bereid om alles te vertellen en te tonen dat ik een normaal persoon ben die niet gevaarlijk is voor de maatschappij. Ik ben ervan overtuigd dat ik een normaal mens ben. Tot de dag van vandaag snap ik niet wat er is gebeurd en hoe dit is gebeurd. Wat ik wil is de kans krijgen om te laten zien dat ik een normaal mens ben. Dat ik TBS niet verdien. TBS gaat de rest van mijn leven verwoesten.’

Verdachte stelt dat hij eerder het advies van zijn toenmalige raadsvrouw heeft opgevolgd om niet mee te werken aan de onderzoeken. De (nieuwe) raadsman van verdachte heeft verzocht om een nader onderzoek van verdachte. Ondanks het verzet van de officier van justitie heeft de rechtbank daarop opdracht gegeven om aanvullend onderzoek naar verdachte te laten verrichten, bij voorkeur ambulant en door dezelfde PBC-rapporteurs. Desgevraagd gaven de PBC-onderzoekers aan een nader onderzoek niet geïndiceerd te achten, omdat zij ondanks de eerdere weigering een advies hebben kunnen formuleren.

Er heeft vervolgens een volledig Pro Justitia triple onderzoek plaatsgevonden.

In het rapport van dat onderzoek valt onder meer het volgende te lezen.

Pro Justitia rapportage van triple onderzoek, uitgebracht op 14 oktober 2025 en opgemaakt door N.P.A. van der Weegen, GZ-psycholoog en M. Heus, psychiater. De psychiater merkt op:

Betrokkene is driemaal getrouwd en rond zijn veertigste tien jaar alleen gaand geweest. (…) Het feit dat geen van zijn huwelijken stand heeft gehouden roept bij deze onderzoeker vragen op over de kwaliteit van de emotionele verbinding die betrokkene aangaat en de manier waarop hij met problemen binnen een relatie om gaat. Hier is, echter, binnen dit onderzoek onvoldoende zicht op gekomen. Ook de psycholoog rapporteert “Hoe betrokkene zich in een partnerrelatie beweegt is onvoldoende duidelijk geworden in onderhavig onderzoek.”

De psycholoog en psychiater geven aan dat het beeld dat van verdachte geschetst wordt in het onderzoek van het PBC niet naar voren komt uit de gesprekken van de milieu onderzoeker met zijn familie, met een vriend van betrokkene en met zijn laatste werkgever. Ook wordt dit beeld niet bevestigd in het psychiatrisch en psychologisch onderzoek van de triple-rapporteurs.

De psycholoog rapporteert dat zij op basis van de informatie van verdachte en de informatie van geraadpleegde referenten geen reden heeft om aan te nemen dat er problemen zijn in het omgaan met anderen.

De triple-psycholoog en -psychiater kunnen op basis van hun onderzoek geen stoornis vaststellen. Er wordt door hen geen psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psychogeriatrische aandoening bij verdachte vastgesteld. Wel worden:

persoonlijkheidstrekken bij betrokkene gezien die meer kwetsbaar kunnen zijn (eergevoel, hang naar autonomie, neiging tot externaliseren). Echter, binnen dit triple onderzoek, zijn er onvoldoende aanwijzingen dat deze trekken gedurende zijn leven problematisch gedrag of psychologische problemen hebben gegeven, die hebben geleid tot klinisch significante lijdensdruk of tot beperkingen in het functioneren op meerdere levensterreinen (sociaal, maatschappelijk, beroepsmatig).

Mogelijk heeft de specifieke situatie in het PBC, waar betrokkene tegen zijn zin geplaatst werd, waar hij geobserveerd werd en hij het idee had dat zijn weigering onvoldoende werd gerespecteerd, in combinatie met zijn eergevoel en hang naar autonomie, tot veel spanning bij betrokkene geleid waardoor hij zich gepest en uitgedaagd voelde en o.a. meer prikkelbaar, agerend gedrag heeft laten zien.”

Een verklaring voor het gedrag van verdachte, in de zin dat hij [slachtoffer] elf keer met een mes heeft gestoken in het bijzijn van zijn kinderen, wordt niet gegeven in het rapport.

Ter terechtzitting heeft de deskundige I.M. van Woudenberg, GZ-psycholoog, tevens de onderzoekend psycholoog van verdachte in het PBC, in reactie op het triple-rapport en in antwoord op vragen onder meer het volgende -zakelijk weergegeven- verklaard:

‘Ik heb het rapport van het triple onderzoek gelezen en heb ook overleg gehad met de psychiater en mede-rapporteur van het PBC. De informatie en bevindingen uit het triple rapport leiden niet tot een andere conclusie en advies dan de conclusies en het advies in het PBC-rapport.

In het PBC hebben we verdachte gedurende een periode van 6 aaneengesloten weken met een heel team kunnen observeren. Non-verbaal gedrag kan veelzeggender zijn dan woorden. We hebben op basis van de observatie en ons onderzoek een beeld van het gedrag van verdachte gekregen waar we veel gewicht aan toekennen.

De kant van verdachte zoals die door de triple-rapporteurs wordt geschetst, de vriendelijke en behulpzame kant, is een kant die ook wij hebben gezien. Bij een ambulant onderzoek is het moeilijk om de andere kant te zien te krijgen: de triple-rapporteurs hebben verdachte in het kader van hun onderzoek maar een paar keer relatief kort kunnen zien. Het PBC heeft verdachte langdurig kunnen observeren in de dagelijkse omgang met anderen in de groep en dan krijg je iets heel anders te zien. Verdachte accepteert geen nee en zijn gedrag kan heel snel omslaan. Hij liet in het PBC heftige reacties op kleine gebeurtenissen zien. Wat verdachte liet zien was heftig, agerend en intimiderend gedrag. Ik noem het feit dat op enig moment zowel de groepsleider, de mederapporteur als ik ons onveilig hebben gevoeld bij verdachte toen we hem gezamenlijk bezochten in zijn cel.

Bijna veertig procent van de observandi in het PBC weigert mee te werken. Dan kan je echter ook beleefd blijven. Observatie brengt bovendien voor àlle observandi stress mee, dat weten we. Het observeren verklaart niet het gedrag van verdachte.

Het milieuonderzoek van het triple onderzoek is weliswaar gebaseerd op meer informatie van referenten, maar dit betreft met name referenten uit de familie en de werkgever van verdachte. Bovendien woont een deel van de referenten in Marokko en de vraag is in hoeverre zij zicht hebben op verdachte.

Het is met name de vraag hoeveel deze referenten kunnen zeggen over de relaties van verdachte. Helaas hebben ook de triple-onderzoekers geen informatie gekregen over de eerdere relaties van verdachte anders dan van verdachte zelf.’

Ter terechtzitting, telefonisch met de zittingszaal verbonden, heeft deskundige M. Heus, psychiater en een van de triple-rapporteurs, de bevindingen en conclusies in het triple-rapport bevestigd (zakelijk weergegeven):

‘Tijdens het onderzoek is flink doorgevraagd bij verdachte, tot het irritante aan toe, waarbij soms ook een fellere toon werd gebruikt en verdachte door de onderzoekers werd tegengesproken. Toch heeft hij bij hen niet het gedrag laten zien waar het PBC op doelt.

Het klopt dat een observatie van een heel team gedurende langere tijd een breder beeld van iemand geeft dan het beeld dat tijdens een persoonlijk contact wordt verkregen.’

De rechtbank overweegt met betrekking tot de Pro Justitia rapporten van het PBC en de triple rapporteurs als volgt.

De discrepantie tussen het beeld dat verdachte aan de triple-rapporteurs heeft laten zien en het beeld dat hij tijdens zes weken observatie heeft laten zien in het PBC, wordt door de triple-rapporteurs vanuit de context verklaard: verdachte wilde daar (in het PBC) niet zijn en voelde zich niet gehoord in zijn weigering. De rechtbank gaat er echter van uit dat de deskundigheid en ervaring van de onderzoekers in het PBC inhouden dat zij bij hun onderzoek rekening houden met de impact die een opname en een observatie in het PBC op de geobserveerde en op diens gedrag kan hebben.

Het bewezenverklaarde strafbare feit betreft ernstig geweld, gepleegd in de context van een relatie. Het slachtoffer en verdachte hebben elk een beeld geschetst van het verloop van hun relatie, waarbij zij elkaar noemen als gebruiker van geweld binnen de relatie.

Over de twee eerdere, beëindigde, huwelijken van verdachte is enkel informatie van verdachte; de rapporteurs van het PBC noch de triple rapporteurs hebben bij het verrichten van het milieuonderzoek contact kunnen krijgen met de andere twee ex-vrouwen.

In het PBC is verdachte echter gedurende een periode van zes weken geobserveerd, ook in de dagelijkse omgang met anderen in de groep. De rechtbank weegt de waarde van de observaties van de rapporteurs in het PBC daarom zwaarder dan de waarde van de verklaringen en het gedrag van verdachte tegenover de triple-rapporteurs.

De rechtbank beoordeelt de rapportages mede in de context van de feiten en omstandigheden van het strafbare feit, het tijdsverloop tussen het feit en de opeenvolgende rapportages, de houding van verdachte tijdens de gedragskundige onderzoeken en de reden waarom die houding is veranderd.

Uit het rapport van het PBC blijkt dat de rapporteurs zich bewust zijn van de (vele) beperkingen bij het onderzoek, die zij in hun rapport expliciet benoemen. Daarnaast geven de rapporteurs aan welk onderzoek zij zouden hebben willen doen als verdachte had meegewerkt.

Ondanks de evidente beperkingen in het onderzoek van het PBC hebben de onderzoekers onderbouwd aangegeven dat zij voldoende informatie uit het in het PBC verrichte onderzoek hebben verkregen om de gestelde vragen te kunnen beantwoorden.

De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen in het PBC-rapport de conclusie en het advies kunnen dragen. Dit oordeel lag ook in de lijn van verwachtingen van de geconsulteerde psychiater, op basis van een consult waar verdachte aan heeft meegewerkt.

Op grond van al het vorenstaande zal de rechtbank uitgaan van het onderzoek van de PBC-rapporteurs bij het beantwoorden van de vraag of er bij verdachte ten tijde van het plegen van het feit sprake was van een stoornis.

Het rapport van het PBC van 7 april 2025 houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Beantwoording van de vraagstelling door de deskundigen

Door de weigering van betrokkene aan het onderzoek deel te nemen, is het beeld van zijn psychisch functioneren beperkt gebleven. Het is aannemelijk dat betrokkene zijn beslissing om het onderzoek te weigeren goed heeft overwogen, er zijn geen argumenten te veronderstellen dat er sprake is van een zogenaamde pathologische weigering.

Ondanks de beperkingen die de weigering van betrokkene met zich meebracht, heeft hij op gedragsniveau veel van zich laten zien: hoewel betrokkene juist de bedoeling had om helemaal niets van zich te laten zien, heeft hij zijn impulsen niet of nauwelijks onder controle waardoor een gedragsbeeld zichtbaar is geworden dat dusdanig opmerkelijk is dat de vragen kunnen worden beantwoord.

Tijdens betrokkenes verblijf in het Pieter Baan Centrum is het beeld wisselend: bij momenten is betrokkene een rustige, soms ook vriendelijk man, die echter snel kan opvlammen en tot plotselinge sterke agitatie kan komen. Hij komt dan over als een zelfbepalende man die zich niet kan voegen naar de ander, maar die eist dat zaken lopen zoals hij het zich wenst: betrokkene heeft een sterke controlebehoefte en mist het vermogen zich te verplaatsen in een ander: betrokkene kan niet mentaliseren, zijn empathische vermogens schieten te kort. Hij is daarnaast krenkbaar en raakt snel geagiteerd, waarbij hij de controle over zijn impulsen verliest. Op grond van het huidig onderzoek kan dan ook worden vastgesteld dat er sprake is van een beperkte frustratietolerantie, een gestoorde emotieregulatie en een gestoorde impulscontrole. Daarnaast valt achterdocht op ten aanzien van de groepsleiding van wie hij het gevoel heeft dat zij hem opzettelijk uitdagen, door de psychiater en psycholoog voelt hij zich gepest.

Dat het niet tot fysiek agressieve incidenten met groepsleiding en met individuele onderzoekers is gekomen, hangt niet samen met adequate remmende functies van betrokkene zelf, maar veeleer met de structuur van de afdeling, de overmacht aan personeel en de professionele de-escalerende houding die het personeel geregeld tegenover betrokkene moet aannemen. In de hoog beveiligde setting van het PBC (niveau 4) moet men zich inspannen om escalatie van betrokkenes gedrag te voorkomen. Hoewel betrokkene ook geladen over kan komen tegenover mannen valt vooral op dat hij zijn zelfbeheersing sneller verliest tegenover vrouwen. De (wellicht transculturele) achtergronden hiervan konden niet met hem worden besproken.

De aetiologie, met andere woorden, de precieze ontstaansachtergrond van de beperkte frustratietolerantie, de gestoorde emotieregulatie, de gestoorde impulscontrole, de krenkbaarheid, controlebehoefte en achterdocht is waarschijnlijk gelegen in de persoonlijkheid van betrokkene. Op basis van de observaties van de groepsleiding, samengaand met de indrukken van onderzoekers tijdens de beperkte contacten bestaat de indruk dat er thans geen sprake is van ernstige psychiatrische beelden als een angststoornis, waaronder PTSS, een dissociatieve stoornis of een psychotische- of schizofreniespectrumstoornis. Of er eventueel sprake is van een licht verstandelijke beperking kon niet nader onderzocht worden.

Indien betrokkene aan het onderzoek had meegewerkt dan zou een eventuele narcistische persoonlijkheidsstoornis hoofdhypothese van onderzoek zijn geweest.

Hoewel de narcistische persoonlijkheidsstoornis de meest waarschijnlijke verklaring is voor het gedragsbeeld van betrokkene kan niet worden uitgesloten dat er mogelijk organisch cerebrale pathologie ten grondslag ligt aan het gedrag, evenmin kan worden uitgesloten dat er mogelijk sprake is van persoonlijkheidspathologie én van organiciteit. De verergering vanaf 2023 is in dat verband opmerkelijk. Daarbij moet worden opgemerkt dat betrokkene een blanco strafblad heeft.

De psychische stoornis heeft de gedragskeuzes van betrokkene ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde beïnvloed. Het onderzoekend team adviseert uw college om betrokkene het ten laste gelegde indien bewezen in verminderde mate toe te rekenen.

Klinisch gezien is er sprake van een ernstig langdurig patroon van emotie- en impulsrelatieproblematiek dat op de afdeling in het Pieter Baan Centrum slechts niet tot escalatie heeft geleid door de sterke structuur van de beveiligde omgeving. Bij het ontbreken van deze structuur acht het onderzoekend team de kans op herhaling hoog, waarbij verdere escalatie niet kan worden uitgesloten. Toepassing van de risico taxatie instrumenten stelt het onderzoekend team voor het probleem dat er in het huidig onderzoek veel onbekend gebleven is, waardoor veel van de items in de instrumenten niet kunnen worden gescoord. Samengenomen wordt het risico op gewelddadig gedrag op basis van de risicotaxatie-instrumenten en de klinische indruk in de toekomst hoog geschat.

De problematiek van betrokkene is ernstig en structureel van aard en eist een lange behandelduur, waarbij nader onderzoek naar de aetiologie van de psychische stoornis en nader onderzoek naar mogelijke organiciteit noodzakelijk worden geacht. Omdat betrokkene geen inzage heeft gegeven in zijn belevingen en er sprake is van externalisatie dient precisering van de diagnostiek in de behandeling ruime aandacht te krijgen. Hierbij geldt dat er sprake is van snelle ontregeling, hetgeen naar alle waarschijnlijkheid het verdere diagnostisch proces en de behandeling zal bemoeilijken.

Daar betrokkene geen ziekte-inzicht en geen bereidheid tot behandeling heeft en bovendien een lange behandelduur in de lijn der verwachting ligt, ziet het onderzoekend team geen andere mogelijkheid dan uw College te adviseren betrokkene behandeling in het kader van een tbs met verpleging van overheidswege op te leggen.

Een sterk gestructureerde setting met hoog beveiligingsniveau is gezien de gestoorde agressieregulatie noodzakelijk. Hiermee ligt het adviseren van een andere maatregel niet in de rede.

De deskundige heeft voornoemd advies ter terechtzitting bevestigd.

De rechtbank deelt de conclusies en het advies van de PBC-deskundigen en neemt deze over.

Straf en maatregel

De rechtbank gaat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit uit van verminderde mate van toerekening.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek van het

voorarrest, passend en geboden. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, nu zij het van belang acht dat behandeling van de stoornis niet te lang op zich hoeft te laten wachten. De problematiek van verdachte is volgens de deskundigen immers ernstig en structureel van aard en zal een lange behandelduur eisen. Ook betrekt de rechtbank hierbij het belang van zijn kinderen dat hun vader snel behandeld kan worden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de

penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv).

De rechtbank is van oordeel dat naast een gevangenisstraf de oplegging van een gevangenisstraf ook de noodzaak bestaat tot het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan. Het bewezenverklaarde feit betreft een misdrijf als genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1, Sr (een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld). Op grond van de hiervoor vermelde bevindingen en conclusies van de deskundigen stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dat het risico op geweldsrecidive dat verdachte in zich bergt, direct samenhangt met zijn (waarschijnlijk hardnekkige) problematiek, zodat verdachte onbehandeld een gevaar voor de samenleving vormt.

Om de stoornissen en het daarmee verband houdende recidivegevaar van verdachte terug te dringen is een langdurige klinische behandeling aangewezen en noodzakelijk. Een effectieve behandeling kan in onderhavig geval slechts worden gerealiseerd middels oplegging van de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege.

Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, het recidivegevaar en de noodzaak van een langdurige klinische behandeling, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging eist. De tbs-maatregel met dwangverpleging biedt de maatschappij de meest passende bescherming en biedt de meest optimale mogelijkheden voor behandeling en begeleiding van verdachte waarmee de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zo goed als mogelijk wordt gewaarborgd.

De rechtbank zal daarom gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Deze maatregel wordt, met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, opgelegd wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de terbeschikkingstelling is daarom niet beperkt tot de duur van vier jaren.

Hoewel de rechtbank de wens van het slachtoffer voor een contactverbod legitiem acht, ziet de rechtbank gelet op de bijna 2 jaar durende voorlopige hechtenis, de opgelegde gevangenisstraf en de tbs-maatregel geen aanleiding om bij onderhavig vonnis aan die wens door toepassing van artikel 38v Sr tegemoet te komen. De rechtbank gaat ervan uit dat de directeuren van de penitentiaire inrichting waar de verdachte verblijft en de kliniek waar de verdachte zal worden behandeld de nodige maatregelen ter bescherming van het slachtoffer en haar kinderen zullen nemen, zodra daartoe aanleiding bestaat.

Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

Verbeurdverklaring

Het mes behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.

Teruggave

De telefoon zal, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, aan verdachte worden teruggegeven.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 5.976,48 aan vergoeding van materiële schade en € 40.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie vindt dat zowel de gevorderde materiële als de immateriële schade geheel kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft met betrekking tot de gevorderde materiële schade aangevoerd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering ten aanzien van de post huishoudelijk hulp. De mate waarin de benadeelde partij beperkt was, en wie haar in welke mate bij het huishouden zou hebben geholpen wordt niet onderbouwd. Dit geldt ook ten aanzien van de post verhuiskosten. Er lijken willekeurig enkele kostenposten van de totale kosten van een verhuizing te worden opgevoerd. Voorts heeft de raadsman verzocht de gevorderde vergoeding voor de in het behandelplan opgenomen kosten voor littekenbehandeling te matigen.

Wat betreft de posten kleding, ziekenhuisdaggeldvergoeding, reiskosten, eigen risico en facturen voor het opvragen van medische informatie bij de huisarts en de fysiotherapeut heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De immateriële schade zou volgens de raadsman moeten worden gematigd tot een bedrag van € 20.000,-.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is betwist voor wat betreft de kosten voor huishoudelijke hulp (€ 2.050,-), de verhuiskosten (€ 999,39) en de kosten voor littekenbehandeling (2.032,50).

Huishoudelijke hulp

Het is evident dat [slachtoffer] , als alleenstaande moeder met twee jonge kinderen, hulp en ondersteuning behoefde bij de dagelijkse huishoudelijke bezigheden en de verzorging van de kinderen nadat zij thuiskwam na een ziekenhuisopname van vier weken als gevolg van de haar door verdachte toegebrachte verwondingen. Gezien de ernst en de aard van deze verwondingen en de impact die de gehele situatie op [verdachte] en haar kinderen heeft gehad komen deze kosten, ook zonder nadere onderbouwing van de mate waarin [slachtoffer] beperkt was, en ook nu deze hulp door haar naasten is verricht, voor vergoeding in aanmerking. Dat niet precies is aangegeven wie van haar naasten daarbij behulpzaam is geweest maakt dit niet anders.

Verhuiskosten

Ook de kosten voor een verhuizing komen in aanmerking voor vergoeding. Het is volstrekt voorstelbaar dat [slachtoffer] zich genoodzaakt voelde om te verhuizen na deze voor haar en haar kinderen zo traumatische ervaring die onlosmakelijk met de oude woning is verbonden. Dat mogelijk niet alle kosten met betrekking tot de verhuizing zijn opgevoerd maakt niet dat de kosten die wel zijn opgevoerd niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Littekenbehandeling

De kosten voor littekenbehandelingen betreffen geen reeds gemaakte kosten, maar zijn een inschatting van kosten die mogelijk in de toekomst gemaakt zullen gaan worden, waarvan echter onzeker is of dat daadwerkelijk het geval zal zijn. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering voor wat betreft dit onderdeel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering is voor wat betreft de overige posten van de materiële schade niet betwist, en de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank wat betreft die overige posten ook niet onrechtmatig of ongegrond voor.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 3.943,98 (drieduizendnegenhonderddrieënveertig euro en achtennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit zowel lichamelijk als geestelijk letsel heeft opgelopen, er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit, en verdachte het oogmerk had leed/angst toe te brengen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 20.000,- (twintigduizend euro).

De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.

De benadeelde partij [zoon 1] vordert € 25.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie vindt dat de gevorderde immateriële schade geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft verzocht het bedrag te matigen tot € 10.000,-.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door (van nabij) getuige te zijn geweest hoe zijn vader zijn moeder probeerde te doden door haar elf keer met een mes te steken. Dat heeft geleid tot geestelijk letsel, te weten PTSS. Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 20.000,-.

De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.

BEM-clausule

De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [zoon 1] (geboren op [geboortedatum] ) te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (BEM is een afkorting van ‘Belegging Erfenis en andere gelden Minderjarigen’). Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot hij achttien jaar is.

De rechtbank bepaalt tevens dat de advocaat van de benadeelde partij binnen 3 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis het Openbaar Ministerie op de hoogte stelt welke rekening voor de benadeelde partij is geopend.

De benadeelde partij [zoon 2] vordert € 25.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie vindt dat de gevorderde immateriële schade geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft verzocht het bedrag te matigen tot € 10.000,-.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door (van nabij) getuige te zijn geweest hoe zijn vader zijn moeder probeerde te doden door haar elf keer met een mes te steken. Dat heeft voor nu traumasignalen aan het licht gebracht, waarna EMDR is ingezet, maar waarbij niet uitgesloten is dat psychologische zorg ook in de toekomst noodzakelijk blijft.

De benadeelde partij heeft voldoende concrete en objectieve gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat ten gevolge van het strafbare feit een psychische beschadiging is ontstaan. Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 20.000,-.

De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.

BEM-clausule

De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [zoon 2] (geboren op [geboortedatum] ) te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot hij achttien jaar is.

De rechtbank bepaalt tevens dat de advocaat van de benadeelde partij binnen 3 maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis het Openbaar Ministerie op de hoogte stelt welke rekening voor de benadeelde partij is geopend.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Beslag

Verklaart verbeurd:

- een mes (goednummer 6486010).

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

- een telefoon (goednummer 6485953).

Benadeelde partijen

Benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van

€ 3.943,98 (drieduizendnegenhonderddrieënveertig euro en achtennegentig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 20.000,- (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 april 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Wijst de vordering voor wat betreft de immateriële schade voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 23.943,98 (drieëntwintigduizendnegenhonderddrieënveertig euro en achtennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 april 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 138 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan één van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [zoon 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [zoon 1] toe tot een bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 april 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [zoon 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [zoon 1] aan de Staat € 20.000,- (twintigduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 april 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 125 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan één van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [zoon 1] , geboren op [geboortedatum] , te openen rekening met een BEM-clausule.

Benadeelde partij [zoon 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [zoon 2] toe tot een bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 april 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [zoon 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [zoon 2] aan de Staat € 20.000,- (twintigduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (6 april 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 125 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan één van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [zoon 2] , geboren op [geboortedatum] , te openen rekening met een BEM-clausule.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,

mrs. P.K. Oosterling-van der Maarel en G.J.M. Kruizinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.A.E. Somsen

Griffier

  • mr. D. West

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?