RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-240047-25
Datum uitspraak: 27 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 31 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juni 2025 door the Circuit Court in Poznań in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1972,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting 23 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 23 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak 6 januari 2026
Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de vragen met betrekking tot de toets aan artikel 12 OLW, zoals eerder gesteld door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC), nogmaals voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, aangevuld met de door de rechtbank geformuleerde vragen.
Zitting 20 januari 2026
Op deze zitting is de behandeling van het EAB – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, en door een tolk in de Poolse taal. De behandeling van de zaak is voor bepaalde tijd aangehouden, teneinde het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten op de door de rechtbank bij tussenuitspraak van 6 januari 2026 geformuleerde vragen.
Zitting 27 januari 2026
De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak
De rechtbank stelt vast dat in punt 3 van de tussenuitspraak van 6 januari 2026 al is geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB. Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 6 januari 2026. Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het IRC op 15 januari 2026 de volgende aanvullende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteiten:
“ With regard to the judgement of the Circuit Court in Poznan of 28.10.2021, ref. XVII Ka 402/21
1. Was [opgeëiste persoon] aware of the procedure in appeal, ending in the judgment of the Circuit Court in Poznan of 28.10.2021, ref. XVII Ka 402/21? And if so, how?
2. Had the lawyer that appealed the decision of the District Court in Grodzisk Wielkopolski of 14.09.2020, ref. II K 295/18, ending in the judgment of the Circuit Court in Poznan of 28.10.2021, ref. XVII Ka 402/21, been given a mandate by [opgeëiste persoon] to appeal the decision and to defend [opgeëiste persoon] in appeal?
If the lawyer had not been given a mandate, could you please answer the following questions as well:
Did [opgeëiste persoon] provide the Polish authorities with his address during the proceedings in the concerning criminal case and have the summons for the appeal hearing been sent to this address?
Did [opgeëiste persoon], during the proceedings in the concerning criminal case receive instructions about the duty to inform the polish authorities about address changes and about the consequences of not complying with this obligation? Did he sign for these instructions?
Were these instructions applicable to the criminal proceedings as a whole, including a possible appeal procedure? And was he informed about this? If so, how?
With regard to the judgement of the Court of Appeals in Poznan of 31.10.2024, ref. II Aka 205/20
3. Was [opgeëiste persoon] aware of the procedure in appeal, ending in the judgment of the Court of Appeals in Poznan of 31.10.2024, ref. II Aka 205/20? And if so, how?
4. Had the lawyer that appealed the decision of the Circuit Court of Poznan of 20.12.2019, ref. III K 76/11, ending in the judgment of the Court of Appeals in Poznan of 31.10.2024, ref II Aka 205/20, been given a mandate by [opgeëiste persoon] to appeal the decision and to defend [opgeëiste persoon] in appeal?
If the lawyer had not been given a mandate, could you please answer the following questions as well:
Did [opgeëiste persoon] provide the Polish authorities with his address during the proceedings in the concerning criminal case and have the summons for the appeal hearing been sent to this address?
Did [opgeëiste persoon], during the proceedings in the concerning criminal case, receive instructions about the duty to inform the polish authorities about address changes and about the consequences of not complying with this obligation? Did he sign for these instructions?
Were these instructions applicable to the criminal proceedings as a whole, including a possible appeal procedure? And was he informed about this? If, so, how?”
Op 20 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt.
“In response to questions 3 and 4 in the letter of 15 January 2026 the Regional Court in Poznan in case III Kop 85/25 concerning [opgeëiste persoon] and case Il AKa 205/20, hereby informs that [opgeëiste persoon] has granted power of attorney to his defence counsel of choice, including the power to lodge appeals on his behalf. Furthermore, in the course of the proceedings, [opgeëiste persoon] provided his address of residence, and all correspondence concerning cases III K 76/11 and II AKa 205 /20 was sent to this address, including notification of the acceptance of the appeal lodged by his defence counsel, but the defendant did not collect this correspondence. Pursuant to Article 75 § 1 of the Code of Criminal Procedure, first sentence, the defendant is obliged to notify the investigating authority of any change of residence or place of stay lasting longer than 7 days, including due to imprisonment in another case, as well as of any change in contact details specified in Article 213 § 1, which he knows to be known to the investigating authority. [opgeëiste persoon] was instructed on the above during his first interrogation as a suspect at the preparatory stage of the proceedings and signed these instructions. These instructions applied to the entire criminal proceedings.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. Ten aanzien van de beslissing van 28 oktober 2021 met nummer XVII Ka 402/21 is namelijk geen antwoord ontvangen op de gestelde vragen. Ten aanzien van de beslissing van 31 oktober 2024 met nummer II AKa 205/20 zijn niet alle vragen beantwoord. Niet is gebleken of de advocaat gemachtigd was om de opgeëiste persoon in de procedure in hoger beroep te verdedigen en of de advocaat in hoger beroep aanwezig is geweest. Ook is niet duidelijk of voor de opgeëiste persoon kenbaar was dat de adresinstructie op de gehele procedure zag.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat.
Ten aanzien van de beslissing van 28 oktober 2021 met nummer XVII Ka 402/21 is de oproep voor de procedure in hoger beroep gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres en is de opgeëiste persoon verdedigd door een gemachtigd raadsman. Ten aanzien van de beslissing van 31 oktober 2024 met nummer II AKa 205/20 heeft de opgeëiste persoon een adresinstructie gehad die gold voor de hele procedure en is de oproep voor de procedure in hoger beroep naar het opgegeven adres gestuurd.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het arrest van 28 oktober 2021 met nummer XVII Ka 402/21 van the Circuit court of Poznań
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen.
Vast staat dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij vindt daarbij het volgende van belang.
In het kader van de beoordeling van de vraag of de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten zal inhouden, is het van belang of de opgeëiste persoon uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen op het proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat. Ook de handelswijze van de opgeëiste persoon kan door de rechtbank in aanmerking worden genomen. De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De rechtbank is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat de opgeëiste persoon op de hoogte is geweest of had moeten zijn van de procedure in hoger beroep. Uit het dossier blijkt niet dat de opgeëiste persoon zijn advocaat heeft gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen en zijn verdediging te voeren. Daarnaast is onduidelijk of de opgeëiste persoon geïnformeerd is dat de adresinstructie gold voor de hele procedure, inclusief een eventuele hoger beroepsprocedure. Hierover zijn aanvullende vragen gesteld, maar daarop is geen antwoord gekomen zodat de rechtbank niet kan vaststellen of de opgeëiste persoon gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten.
De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat niet vastgesteld kan worden of de opgeëiste persoon op ondubbelzinnige wijze uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon aanwezig te zijn, dan wel om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.
De rechtbank zal daarom ten aanzien van deze beslissing de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.
Ten aanzien van het arrest van 31 oktober 2024 met nummer II AKa 205/20 van the Court of Appeals in Poznań
Ook voor deze procedure geldt dat de rechtbank alleen de procedure in hoger beroep zal toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de opgeëiste persoon voor de feiten waarvoor hij is veroordeeld in voorarrest heeft gezeten. Ook heeft de opgeëiste persoon tijdens zijn verhoor een adresinstructie gehad die gold voor de gehele procedure inclusief hoger beroep. De opgeëiste persoon is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze adresinstructie getekend en een adres opgegeven. Daarnaast heeft hij zijn advocaat gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon van de tegen hem aanhangige strafrechtelijke procedure op de hoogte was, inclusief de mogelijkheid van een hoger beroep, en van zijn verplichtingen in die procedure. De oproepingen voor de zitting in hoger beroep zijn gezonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon nadien een adreswijziging heeft doorgegeven toen hij naar Nederland ging. Nu de opgeëiste persoon zijn advocaat in eerste aanleg heeft gemachtigd om hoger beroep in te stellen, had het ook op zijn weg gelegen om contact te onderhouden met zijn advocaat of de Poolse autoriteiten over het verdere verloop van de procedure. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid de overlevering op grond van artikel 12 OLW te weigeren.
5. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit II onder 1 aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van dit feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten II onder 2 tot en met 4 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon met een Nederlander gelijk gesteld kan worden en heeft ter onderbouwing hiervan stukken overgelegd. De opgeëiste persoon staat sinds 18 juni 2021 ingeschreven in Nederland. Hij verbleef echter vanaf begin 2021 bij zijn zoon in Nederland. De raadsvrouw heeft daarom verzocht de overlevering op grond van artikel 6a OLW te weigeren en tot strafovername over te gaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de stukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer niet tijdig zijn ingediend en daarom buiten beschouwing moeten worden gelaten.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de stukken voorafgaand aan de zitting van 23 december 2025 niet tijdig zijn ingediend. De rechtbank zal echter toch acht slaan op deze stukken nu de behandeling van het EAB meermaals is aangehouden en hierdoor voldoende tijd is geweest om de stukken in ogenschouw te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 18 juni 2021 in Nederland staat ingeschreven. Vanaf dat moment heeft hij ook een inkomen gegenereerd. Er zijn echter geen stukken overgelegd ter onderbouwing van een rechtmatig verblijf van vóór deze datum. De periode van 18 juni 2021 tot en met heden bedraagt vier jaar en ruim zeven maanden zodat niet is voldaan aan de eis van ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf.
Nu niet aan het eerste vereiste is voldaan, behoeft het tweede vereiste geen bespreking meer. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.
7. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
8. Slotsom
De rechtbank stelt ten aanzien van the judgment of 20 December 2019 of the Circuit Court Poznań (III K 76/11) partially commuted by the judgment of 31 October 2024 of the Court of Appeals in Poznań (II AKa 205/20) vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, dat verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en dat geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering voor dat arrest toe. Voor het overige weigert de rechtbank de overlevering op grond van artikel 12 OLW.
9. Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
10. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Poznań in Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf die is opgelegd bij judgment of 20 December 2019 of the Circuit Court Poznań (III K 76/11) partially commuted by the judgment of 31 October 2024 of the Court of Appeals in Poznań (II AKa 205/20) voor de feiten zoals omschreven in onderdeel e) onder II, van het EAB;
WEIGERT de overlevering voor zover het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het de vrijheidsstraf die is opgelegd bij judgment of 14 September 2020 of the District Court in Grodzisk Wielkopolski (II K 295/18) partially commuted by the judgment of 28 October 2021 of the Circuit Court in Poznań (XVII Ka 402/21) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) onder I, van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.