RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
parketnummer : 13-072303-24
raadkamernummer : 25-022066
datum : 10 februari 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van haar advocaat mr. N. Harlequin,
[adres] ,
hierna te noemen: de verzoekster.
1. Procesverloop
De politierechter in deze rechtbank heeft de verzoekster bij onherroepelijk geworden vonnis van 12 juni 2025 vrijgesproken.
Het verzoekschrift is op 8 september 2025 op de griffie van de rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 27 januari 2026 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de verzoekster, haar advocaat mr. N. Harlequin, en de officier van justitie mr. C. Nij Bijvank op zitting gehoord.
2. Verzoek
Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van in totaal € 103.970,-.
Het betreft de vergoeding van
Gederfde inkomsten
De verzoekster heeft haar verzoek tot het vergoeden van gederfde inkomsten als volgt toegelicht.
Ik verdien mijn geld als spreker en influencer. Ik ben begin 2025 bewust volledig offline gegaan in verband met de lopende strafzaak wegens smaad. Ik had iemand van racisme beschuldigd en werd daarvoor aangeklaagd. Mijn advocaat adviseerde volledige terughoudendheid online, om de kans op verdere juridische stappen of bewijsproblemen te voorkomen. Dit leidde tot directe inkomstenderving. Mijn werk als spreker en influencer is direct afhankelijk van mijn online aanwezigheid. Organisaties vinden en boeken mij via mijn content op sociale media of via mijn website, vaak naar aanleiding van posts die aandacht trekken of gedeeld worden in hun netwerk. Ik ben maandenlang offline geweest. Uit de tien opdrachten die sinds mijn terugkeer zijn binnengekomen, kwamen er acht direct via sociale media of via aanvragen waarin sociale media werd genoemd als reden dat men mij had gevonden. Doordat ik geen berichten kon posten, niet zichtbaar was en niet in gesprek kon gaan met mogelijke opdrachtgevers, droogde de stroom aanvragen volledig op. Vaste partners benaderden me niet meer, omdat mijn zichtbaarheid en online campagnes een essentieel onderdeel van onze samenwerking zijn.
Kortom: de keuze om volledig offline te gaan was noodzakelijk voor de rechtszaak, maar had als direct gevolg dat mijn primaire inkomstenbronnen stilviel meerdere gevolgen:
Op basis van de opdrachten en samenwerkingen die sinds mijn terugkeer online zijn binnengekomen, zie ik mijn gederfde inkomsten over de periode dat ik offline was op een totaal van € 97.848,-.
Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Kosten raadsvrouw
De verzoekster heeft haar verzoek tot vergoeding van haar advocaatkosten onderbouwd door overlegging van urenspecificaties en declaraties.
3. Standpunt van het Openbaar Ministerie
Gederfde inkomsten
Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen de verzochte vergoeding van gederfde inkomsten en heeft dat als volgt toegelicht. Uit het procesdossier blijkt dat de verzoekster op 25 april 2023 in Amsterdam een woordenwisseling heeft gehad met [naam] . Deze situatie is geëscaleerd en er is over en weer aangifte van mishandeling gedaan. Het Openbaar Ministerie heeft beide zaken geseponeerd en de partijen door middel van een sepotbrief hierover geïnformeerd. Op 28 september 2023 heeft [naam] aangifte van smaadschrift gedaan. Zij werd door mensen in haar omgeving benaderd dat de verzoekster de sepotbrief van het Openbaar Ministerie op Instagram had gepost. De naam van [naam] was weliswaar gedeeltelijk weggekrast, maar deze was nog wel zichtbaar op de achterzijde van de brief. De verzoekster is hiervoor wegens smaadschrift vervolgd. De verzoekster is – op advies van haar advocaat – in verband met deze strafzaak begin 2025 volledig offline gegaan. Haar advocaat heeft volledige terughoudendheid op haar account geadviseerd om de kans op verdere juridische stappen of bewijsproblemen te voorkomen. Uit het procesdossier blijkt dat de verzoekster haar volgers zelf op de hoogte heeft gesteld van de sepotbrief en de rechtszaak die daarop volgde. De reacties van haar volgers zijn vooral steunend van aard; de volgers van de verzoekster hebben haar sterkte gewenst met deze gang van zaken en vinden het ‘oneerlijk, naar, walgelijk en onrechtvaardig’ dat de verzoekster voor smaadschrift wordt vervolgd. De verzoekster heeft op meerdere momenten zelf de keuze gemaakt om informatie over de strafzaak te delen. Zij heeft de sepotbrief gepost en zij heeft ook de keuze gemaakt om haar volgers op de hoogte te stellen van de vervolgstappen van het Openbaar Ministerie. Daarnaast blijkt uit het dossier niet dat de volgers van de verzoekster op de gedeelde informatie op een vervelende, bedreigende of intimiderende manier hebben gereageerd. Integendeel, zij kreeg berichten dat haar volgers haar zullen steunen. Uit het verzoekschrift en uit het dossier blijkt onvoldoende dat de verzoekster zich genoodzaakt heeft gevoeld om niet meer actief te zijn op haar Instagram-account, noch dat zij als gevolg van die keus inkomensverlies heeft geleden. Alle omstandigheden in aanmerking genomen kan hetgeen de verzoekster heeft aangevoerd niet leiden tot de conclusie dat de gronden van billijkheid aanwezig zijn om een schadevergoeding toe te kennen.
Concluderend is de inkomstenderving onvoldoende onderbouwd met stukken en kan de causaliteit met de strafzaak niet vastgesteld worden. Dat de verzoekster als gevolg van haar keuzes naar eigen zeggen ruim € 90.000,- aan inkomsten heeft misgelopen, kan – gelet op de stukken in het procesdossier – niet redelijkerwijs direct het gevolg zijn geweest van de vervolging voor smaadschrift en de rechtszaak.
Kosten raadsvrouw
Het Openbaar Ministerie verzet zich niet tegen de verzochte vergoeding van de kosten van de raadsvrouw.
4. Beoordeling
Artikel 530 Sv luidt als volgt:
Artikel 534 lid 1 Sv luidt als volgt:
De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Gederfde inkomsten
De verzoekster is op 13 februari 2024 door de politie als verdachte van smaadschrift gehoord. Zij heeft op 17 januari 2025 een dagvaarding ontvangen om op 28 februari 2025 bij de politierechter te verschijnen. Op 28 februari 2025 is de zaak vanwege een wrakingsverzoek voor onbepaalde tijd aangehouden. De zaak is op 12 juni 2025 inhoudelijk behandeld. De verzoekster is die dag door de politierechter vrijgesproken.
De verzoekster stelt, kort gezegd, inkomsten te hebben gederfd omdat zij begin januari 2025 offline is gegaan, vanwege de strafzaak die tegen haar liep, waardoor haar inkomstenbronnen stilvielen.
De raadsvrouw van de verzoekster heeft naar voren gebracht dat hoewel strikte lezing van artikel 530 Sv mogelijk geen ruimte laat voor schadevergoeding van gederfde inkomsten zoals door de verzoekster verzocht, de schade (gederfde inkomsten) die de verzoekster heeft geleden wel het directe gevolg is van de strafzaak en de verzoekster daarom in aanmerking zou moeten komen voor schadevergoeding.
De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van de gederfde inkomsten af, omdat het Wetboek van Strafvordering niet voorziet in het toekennen van vergoeding van schade (gederfde inkomsten) anders dan die werkelijk geleden is als het gevolg van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting. Uit (de onderbouwing van) het verzoek blijkt niet dat de verzoekster door tijdverzuim in verband met de vervolging of door de behandeling van de zaak ter terechtzitting inkomsten is misgelopen.
Kosten raadsvrouw
De rechtbank kent de gevraagde vergoeding van € 5.445,- voor de kosten van de raadsvrouw toe. De opgegeven kosten worden onderbouwd door de overgelegde urenspecificaties en declaraties.
Kosten verzoekschriftprocedure
De rechtbank kent het gebruikelijke bedrag van € 680,- voor de kosten van het opstellen, indienen en toelichten van het verzoek toe.
Beslissing
De rechtbank kent aan verzoekster ten laste van de staat een vergoeding toe van € 6.125,-
Wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,
mr. I. Timmermans en mr. C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
Tegen de beslissing staat hoger beroep open bij het gerechtshof Amsterdam
voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna
en voor de gewezen verdachte binnen een maand na de betekening.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
De voorzitter beveelt de tenuitvoerlegging van deze beslissing wanneer zij onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van: € 6.125,- (zesduizend honderdvijfentwintig euro), ten gunste van de verzoekster, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [nummer] , ten gunste van Stichting Beheer Derdengelden Taekema Harlequin Advocaten, onder vermelding van [verzoekster] 530 Sv.
Aldus gedaan op 10 februari 2026
door mr. M.A.E. Somsen, voorzitter