RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/179272-25
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende op het adres [adres] [woonplaats] ,
thans gedetineerd te: [naam Justitieel Complex] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. T.M. van Wanrooij, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.C.J. Tuip, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 30 april 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer] en/of vervolgens een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] (vervolgens) met een kogel in zijn arm/pols/ellenboog, in elk geval in het lichaam heeft geraakt/geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 april 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte
voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer] en/of vervolgens een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] (vervolgens) met een kogel in zijn arm/pols/ellenboog, in elk geval in het lichaam heeft geraakt/geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 30 april 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi-automatisch pistool van het kaliber 6,35mm Browning, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
4.1.
De rechtbank acht, met de officier van justitie en anders dan de verdediging, het onder 1 primair ten laste gelegde, de poging tot doodslag, bewezen.
Door als ongeoefend schutter in een hectische situatie van korte afstand met een vuurwapen op het slachtoffer te schieten, ter hoogte van de romp, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer dodelijk letsel zou oplopen. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gericht op de hand van het slachtoffer en daarmee dus niet de aanmerkelijke kans zou hebben aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk zou raken. Tegelijkertijd heeft verdachte verklaard dat hij nooit eerder met een pistool heeft geschoten en dat het slachtoffer tijdens de situatie draaiende bewegingen maakte met zijn bovenlichaam. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat het risico dat verdachte het slachtoffer elders in het (boven)lichaam zou raken aanzienlijk was en dat niet anders kan worden geconcludeerd dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk zou raken.
4.2.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:
op 30 april 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, een vuurwapen heeft gericht op die [slachtoffer] en vervolgens een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
op 30 april 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi-automatisch pistool van het kaliber 6.35mm Browning, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad.
5. Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
6. De strafbaarheid van de feiten
De rechtbank acht – met de officier van justitie en de verdediging - het onder 1 primair bewezene niet strafbaar. Zij overweegt daartoe als volgt.
Uitgaande van de verklaring van verdachte was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich noodzakelijk moest verdedigen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte betrouwbaar en aannemelijk, nu deze overeenkomt met de op de zitting getoonde camerabeelden van het incident, waarop te zien is dat verdachte plotseling door het slachtoffer met een groot mes werd aangevallen.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of verdachte zich kon onttrekken aan de aanval en of dat redelijkerwijs van hem mocht worden verlangd. De rechtbank concludeert dat dit niet het geval was. Verdachte heeft daarover verklaard dat er omstanders bij waren die hij kent als leden van het groepje van het slachtoffer. Het slachtoffer bleef op hem afkomen en verdachte was bang dat als hij zich zou omdraaien om weg te lopen, het slachtoffer of één van de omstanders achter hem aan zou komen en in zijn rug zou steken.
Op de camerabeelden is te zien dat de aanval plaats vond in een smalle straat waar meerdere mensen zich ophielden. Op de camerabeelden is verder te zien dat verdachte, zoals hij ook heeft verklaard, eerst heeft geprobeerd de aanval te stoppen door het vuurwapen dreigend te bewegen. Toen hij vervolgens het wapen wilde wegstoppen, kwam het slachtoffer weer op hem af met een stekende beweging. Hierop heeft verdachte eenmaal op het slachtoffer geschoten.
Gelet op het voorstaande is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Verdachte dient dan ook terzake van het onder 1 primair bewezen geachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het onder 2 bewezen geachte is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen en maatregelen
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem onder 2 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de in beslaggenomen voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft een vuurwapen van categorie III voorhanden gehad.
Het voorhanden hebben van vuurwapens bevordert, zoals in de onderhavige zaak ook is gebleken, het gebruik ervan en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarom dient daartegen uit oogpunt van generale preventie streng te worden opgetreden.
De rechtbank weegt mee dat in Amsterdam maatschappelijke problematiek op het gebied van vuurwapengebruik speelt en sprake is van een groot aantal schietincidenten. Verdachte had het wapen gebruiksklaar bij zich in een druk uitgaansgebied.
Een en ander is te ernstig om af te doen met een vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van het voorarrest niet overschrijdt, zoals door de raadsman van verdachte voorgesteld.
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 oktober 2025 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte niet eerder wegens vuurwapenbezit is veroordeeld.
De rechtbank heeft tot slot acht geslagen op het over verdachte opgestelde reclasseringsadvies van 14 januari 2026, in het bijzonder op de daarin geadviseerde op te leggen bijzondere voorwaarden. Zij zal het voorgestelde locatiegebod niet overnemen, nu zij niet is overtuigd van de noodzaak van een zodanig verstrekkende vrijheidsbeperking. De rechtbank neemt de overige voorwaarden over, zij het dat zij het elektronisch toezicht met betrekking tot het locatieverbod niet zal opleggen.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt opgelegd, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd, in die zin dat zij een lagere straf zal opleggen.
Onttrekking aan het verkeer
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1. stk munitie, koperkleurig, merk Geco, 6.35mm Browning (G6650154);
2. 1 stk munitie (G6650415);
3. 21 gr verdovende middelen, wit (G6650430).
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen 1 en 2 dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
De verdachte heeft ter zitting afstand gedaan van de in beslag genomen verdovende middelen (voorwerp 3). De rechtbank zal daarom daarover geen beslissing nemen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde:
poging tot doodslag;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Verklaart het in rubriek 4 onder 1 primair bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging terzake daarvan.
Verklaart het in rubriek 4 onder 2 bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, Vrede, daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 3 maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde moet zich volgens afspraak melden bij Reclassering Nederland op het volgende adres Middendreef 293, 8233 GT te Lelystad, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak.
Veroordeelde werkt mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door ForFact of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra de proeftijd ingaat of zoveel later als er een plek beschikbaar is. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien geïndiceerd door de zorgverlener werkt veroordeelde mee aan diagnostiek.
Contactverbod
Veroordeelde zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met het slachtoffer: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact.
Locatieverbod
Veroordeelde bevindt zich gedurende de proeftijd niet in het centrum van Amsterdam, zoals hieronder afgebeeld, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan veroordeelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden.
Verboden gebied centrum Amsterdam
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Voorwaarde daarbij is dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1. stk munitie, koperkleurig, merk Geco, 6.35mm Browning (G6650154);
1. stk munitie (G6650415).
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M. Loots, voorzitter,
mrs. J.M.R. Vastenburg en J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2026.