ECLI:NL:RBAMS:2026:1648

ECLI:NL:RBAMS:2026:1648

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 16-02-2026
Zaaknummer 13/196983-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Veroordeling poging tot moord. Gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/196983-25

Datum uitspraak: 13 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] ,

thans gedetineerd te: [detentieplaats] ,

hierna: verdachte.

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 januari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. de Krijger en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.J. Gils, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en van wat [medewerker slachtofferhulp] van slachtofferhulp namens de benadeelde partij hierover ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven en na wijziging ter zitting – ten laste gelegd dat hij op 27 juni 2025 te Amsterdam zich heeft schuldig gemaakt aan

primair: een poging tot moord op [benadeelde partij] ;

subsidiair: een poging tot gekwalificeerde doodslag op [benadeelde partij] ;

meer subsidiair: een poging tot doodslag op [benadeelde partij] ;

meest subsidiair: een poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij] .

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3. Waardering van het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

Verdachte heeft met kracht de hals en nek van [benadeelde partij] dichtgeknepen, waardoor zij geen adem kon halen, en haar meermaals gestoken in vitale delen van het lichaam. Dit geheel van gedragingen is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel bij [benadeelde partij] , dat het opzet van verdachte ten volle hierop gericht was. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte niet heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging, maar vanuit een vooropgezet plan om [benadeelde partij] te doden. Er zijn geen contra-indicaties aanwezig waaruit volgt dat geen sprake zou zijn van voorbedachte raad bij verdachte. Verdachte heeft volgens de officier van justitie dus gehandeld met voorbedachte raad. De officier van justitie vindt daarmee dat poging tot moord bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte niet het opzet had om [benadeelde partij] te doden. Hij wilde [benadeelde partij] in bedwang krijgen, omdat hij haar van geld wilde beroven. Hij heeft de wurggreep beëindigd, omdat hij bang was dat [benadeelde partij] geen lucht kreeg. Dit duidt erop dat hij haar niet om het leven wilde brengen. Verdachte heeft [benadeelde partij] met een mes gestoken omdat [benadeelde partij] zich hevig begon te verweren. Het steken is dus gepleegd in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, toen verdachte onverwacht veel en krachtig verweer van [benadeelde partij] ondervond. Verdachte heeft dus niet gehandeld met voorbedachte raad om [benadeelde partij] te doden en moet daarom worden vrijgesproken van poging tot moord.

Van een poging tot (gekwalificeerde) doodslag is evenmin sprake, omdat het handelen van verdachte geen aanmerkelijke kans op de dood van [benadeelde partij] opleverde. Ook hiervan moet verdachte worden vrijgesproken.

Voor wat betreft de meest subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het primair tenlastegelegde

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechtbank het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Op 27 juni 2025 om 11.49 uur maakt verdachte via WhatsApp een afspraak met [benadeelde partij] , om 16.00 uur in haar woning. Naar deze afspraak neemt verdachte een mes mee. Bij binnenkomst in de woning van [benadeelde partij] wisselen verdachte en [benadeelde partij] kort enkele beleefdheden uit. Wanneer [benadeelde partij] muziek wil opzetten, draait zij zich met haar rug naar verdachte toe, waarna hij direct overgaat tot geweld: verdachte gijpt haar van achteren vast, gooit haar op het bed en gaat met zijn volle gewicht op haar liggen, draait haar om, zodat zij met haar rug op het bed ligt en grijpt haar vervolgens met beide handen bij de keel en knijpt haar keel enige tijd met kracht dicht. Terwijl [benadeelde partij] zich hevig verzet, pakt verdachte het mes dat hij heeft meegenomen en steekt haar eerst in haar rug. In totaal steekt verdachte [benadeelde partij] tien keer in haar gezicht, nek, hals, rug, borst en hoofd. Nadat zij meerdere keren is gestoken, lukt het [benadeelde partij] om een grote lijst van de muur te trekken die zij als een soort schild gebruikt om verdachte af te weren. Verdachte stopt dan met vechten en vervolgens ontstaat er een, wat [benadeelde partij] noemt, “stand off”, waarbij verdachte en [benadeelde partij] tegenover elkaar staan. Op de vraag van [benadeelde partij] wat verdachte wil, antwoordt hij dat hij geld wil. [benadeelde partij] legt uit waar haar geld ligt. Verdachte pakt dit geld echter niet. In plaats daarvan moet [benadeelde partij] zich stilhouden van verdachte en zegt hij dat hij gewoon ging wachten tot zij flauw zou vallen. Dit duurt nog een lange tijd, want (even) na 16.47 uur wordt door getuige [getuige] aangebeld bij de woning van [benadeelde partij] , waarnaar verdachte de voordeur opent en naar buiten rent.

De rechtbank overweegt dat de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte wijst op de uitvoering van een tevoren gemaakt plan om aangever van het leven te beroven. Verdachte heeft 11.49 uur een seksafspraak gemaakt met [benadeelde partij] die om 16.00 uur zou plaatsvinden. Verdachte heeft een mes meegenomen naar de afspraak. Bij binnenkomst heeft hij zonder enige aanleiding, toen [benadeelde partij] zich omdraaide, het eerste moment gegrepen om haar onverhoeds aan te vallen met fors geweld, waaronder wurgen en daarna het meerdere malen steken met het mes.

De rechtbank neemt op grond hiervan, waaronder het tijdstip van het maken van de afspraak en het moment van uitvoering van het geweld, als vaststaand aan dat verdachte vóór de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Verdachte heeft ook voldoende tijd gehad om daarover na te denken. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken.

Van enige contra-indicaties, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is de rechtbank evenmin gebleken. Verdachte en de raadsman hebben een uitleg gegeven over de intentie van verdachte. Verdachte had een vermoeden dat [benadeelde partij] cash geld in haar woning had en was van plan [benadeelde partij] te beroven met zo min mogelijk geweld. Hij zegt een gokschuld te hebben gehad van € 5.000,- euro en dat zijn schuldeiser(s) hem onder druk zette(n) om die schuld af te betalen. Verdachte zou radeloos zijn geweest en zag een beroving als enige uitweg om aan het geld te komen. Hij had van te voren niet uitgedacht hoe hij het geld van [benadeelde partij] afhandig zou maken en heeft, eenmaal in de woning, besloten om haar met een wurggreep in bedwang proberen te krijgen zodat hij daarna het geld zou kunnen pakken. Toen hij zag dat [benadeelde partij] geen lucht meer kreeg heeft hij [benadeelde partij] uit zichzelf losgelaten. Het mes had hij niet voor de beroving meegenomen naar de woning van [benadeelde partij] ; hij draagt altijd een mes bij zich voor zijn eigen veiligheid op straat. Toen hij [benadeelde partij] in bedwang probeerde te krijgen, zodat hij haar geld kon pakken, en zij van zich afvocht liep het uit de hand en heeft hij haar gestoken. Toen [benadeelde partij] eenmaal gewond was, was het geld voor hem niet meer belangrijk en was zijn enige zorg nog dat [benadeelde partij] medische hulp zou krijgen en dat hij zou kunnen ontkomen.

De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk geworden, en de beweerde intentie kan niet in overeenstemming worden gebracht met de hiervoor vastgestelde feitelijke gang van zaken. Daarbij geldt dat niets van het handelen van verdachte erop wijst dat hij daadwerkelijk uit was op geld. Zodra hij zijn kans zag ging hij over tot extreem geweld, zonder dat hij daarbij om geld vroeg. Als hij [benadeelde partij] eenmaal flink heeft verwond en zij is verzwakt door haar letsels, grijpt hij ook niet de kans die zij hem biedt om het geld te pakken of er vandoor te gaan. In plaats daarvan blijft hij lange tijd tegenover haar staan wachten tot zij flauw zou vallen. Hij verricht geen hulp en belt niet de hulpdiensten. Pas als er ruime tijd later iemand aanbelt vertrekt hij uit de woning, zonder het geld mee te nemen. Wel neemt hij bij zijn vlucht de telefoons van [benadeelde partij] mee, zodat zij ook niet zelf de hulpdiensten kan inschakelen.

Verder geldt dat verdachte op verschillende momenten over essentiële onderdelen in zijn verklaring wisselend heeft verklaard en dat hij ook op de terechtzitting op doorvragen van de rechtbank weer afwijkt van wat hij op eerdere momenten of zelfs op de terechtzitting heeft verklaard.

Ook geldt dat op basis van de beschikbare informatie in het dossier niet valt vast te stellen of verdachte daadwerkelijk een schuld had, laat staan dat hij onder druk werd gezet om de die schuld af te lossen. Hierover heeft verdachte wisselend verklaard.

De door de verdachte gegeven lezing is te minder geloofwaardig omdat hij niet heeft kunnen uitleggen hoe hij wist dat hij bij [benadeelde partij] moest zijn voor geld, en dat zij niet voor een pooier werkte. Dit terwijl niets erop wijst dat hij en [benadeelde partij] eerder contact met elkaar hebben gehad. Zijn slachtoffer lijkt dan ook willekeurig gekozen.

Opzet op de dood

De rechtbank is van oordeel dat de hierboven beschreven geweldshandelingen door verdachte, namelijk het wurgen en meerdere malen met een mes steken in de rug, borst en hals, naar zijn aard en uiterlijke verschijningsvorm zozeer zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat daarmee is komen vast te staan dat verdachte hier (vol) opzet op heeft gehad.

Conclusie

Bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot moord.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 27 juni 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven te beroven, de keel van die voornoemde [benadeelde partij] (terwijl zij op bed lag en hij, verdachte, bovenop die voornoemde [benadeelde partij] zat) (met kracht) heeft dichtgeknepen en die voornoemde [benadeelde partij] meermaals met een mes in het gezicht en het hoofd en de nek en de hals en de rug en de borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in het bewezenverklaarde gedeelte van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf van acht jaren op te leggen, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij het opleggen van een straf rekening te houden met de proceshouding en persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent: poging tot moord. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen waarom verdachte tot zijn daad is gekomen. Verdachte kende [benadeelde partij] niet en heeft dus kennelijk zonder aanleiding geprobeerd haar in haar eigen woning van het leven te beroven. [benadeelde partij] heeft daarbij moeten vechten voor haar leven. Ondanks haar hevige en dappere verzet is het verdachte toch gelukt om haar flink te verwonden. Verdachte is vervolgens naar haar blijven kijken en heeft gewacht tot zij haar bewustzijn zou verliezen. Verdachte is in totaal zo’n 45 minuten in de woning van [benadeelde partij] geweest. [benadeelde partij] heeft op de zitting invoelbaar verteld hoe angstaanjagend dit voor haar is geweest en hoe zij nog tot op de dag van vandaag de fysieke en mentale gevolgen ervaart van wat haar die dag is overkomen. Verdachte heeft niet impulsief gehandeld. Hij had voldoende tijd om tot inkeer te komen en zijn voornemen niet ten uitvoer te brengen. Dit maakt het des te schokkender dat hij tot deze daad is overgegaan.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia rapport betreffende verdachte van 17 oktober 2025, opgemaakt door psycholoog V. Terra. De psycholoog heeft – samengevat – gerapporteerd dat er weliswaar aanwijzingen zijn voor een stoornis in gokken (minimaal matig van ernst), maar dat uit het psychologisch onderzoek geen duidelijk verband naar voren komt tussen de vastgestelde stoornis en het tenlastegelegde. De psycholoog concludeert dat verdachte tijdens het tenlastegelegde in staat was de consequenties van zijn handelen te overzien en adviseert het tenlastegelegde volledig toe te rekenen aan verdachte. De rechtbank neemt dit advies over.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van 12 januari 2026. Hieruit volgt – kort weergegeven – dat de Reclassering risicofactoren ziet ten aanzien van de financiële situatie, gokverslaving en cannabisverslaving van verdachte. De familie van verdachte, dagbesteding en huisvesting ziet de reclassering als beschermende factoren. Verdachte heeft echter geen hulpvraag ten aanzien van behandeling of begeleiding, aangezien hij van mening is dat hij zelfstandig en met de hulp van zijn familie zijn problemen aan het oplossen is. De Reclassering adviseert om in een later stadium, gedurende detentiefasering, opnieuw te onderzoeken of de inzet van behandeling en/of interventies gewenst is.

Strafoplegging

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Alles afwegende komt de rechtbank tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. De rechtbank wijkt hiermee aanzienlijk af van de vordering van de officier van justitie. De rechtbank is namelijk van oordeel dat die vordering geen recht doet aan de aard en de ernst van het feit.

8. Benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 2.148,26 aan materiële- en € 11.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot materiele- en immateriële schadevergoeding toe te wijzen.

De verdachte heeft op de terechtzitting de vordering tot schadevergoeding erkend. De raadsman heeft geen verweer tegen de vordering gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. Omdat de verdachte de vordering heeft erkend en daartegen geen gemotiveerd verweer is gevoerd, komt het geheel aan gevorderde schade voor toewijzing in aanmerking.

De rechtbank wijst de materiële schadevordering toe tot een bedrag van € 2.148,26. De rechtbank wijst de immateriële schadevordering daarom toe tot een bedrag van € 11.000,-.

Schadevergoedingsmaatregel In het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 45, 36f, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vier is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot moord

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 2.148,26 (tweeduizendhonderdachtenveertig euro en zesentwintig cent) aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 11.000,- (elfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel Legt verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 13.148,26 (dertienduizendhonderdachtenveertig euro en zesentwintig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover veroordeelde aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.B.W. Beekman, voorzitter,

mrs. M. Smit en G.J.M. Kruizinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2026.

[...]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.B.W. Beekman

Griffier

  • mr. L.S. Eisses

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?