RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/232811-25
Datum uitspraak: 13 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1984 [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres 1] ,
thans gedetineerd te: [detentieplaats] ,
hierna: verdachte.
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Bont en van wat verdachte en zijn raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij en van wat de benadeelde partij [benadeelde partij] en zijn advocaat mr. C.A. Bouw hierover ter terechtzitting naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich op 19 juli 2025 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van een poging tot doodslag op [benadeelde partij] door met een hamer meermaals op zijn hoofd te slaan, subsidiair ten laste gelegd als het medeplegen van een poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Daartoe is aangevoerd dat verdachte en medeverdachte doelgericht meermalen met een hamer op het hoofd hebben geslagen van [benadeelde partij] . Door op het hoofd te slaan hebben zij de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde partij] daarbij het leven zou verliezen. Daarnaast acht de officier van justitie het medeplegen bewezen, nu uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat verdachte en medeverdachte gezamenlijk achter [benadeelde partij] aanrennen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat op basis van de camerabeelden niet kan worden vastgesteld dat verdachte het hoofd van [benadeelde partij] meermalen met een hamer heeft geraakt. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat dit wel het geval is geweest, stelt de raadsman zich op het standpunt dat evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte het opzet had om het hoofd van [benadeelde partij] met een hamer te raken. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij [benadeelde partij] enkel bang wilde maken, waardoor zijn opzet niet was gericht op het toebrengen van dodelijk, dan wel zwaar lichamelijk letsel. Om die reden kan volgens de raadsman niet worden aangenomen dat verdachte de aanmerkelijke kans op dergelijk letsel heeft aanvaard. De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de verklaring van verdachte ter terechtzitting, de aangifte, het proces-verbaal van beschrijving camerabeelden en het letsel van [benadeelde partij] vast dat verdachte en zijn broertje (hierna: medeverdachte) meermalen met een hamer op, en in de richting van, het hoofd van [benadeelde partij] hebben geslagen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en medeverdachte bij het tankstation achter [benadeelde partij] aanrennen, terwijl verdachte op dat moment twee hamers in zijn hand heeft. Medeverdachte pakt [benadeelde partij] vervolgens aan de achterzijde bij zijn T-shirt vast. Op dat moment heeft verdachte zijn hand omhoog en slaat met de hamer op het lichaam van [benadeelde partij] . Vervolgens heeft ook medeverdachte een hamer in zijn hand. Verdachte en medeverdachte blijven tijdens de aanval achter [benadeelde partij] aan rennen terwijl hij van verdachte en medeverdachte wegrent. Ondertussen pakken zij [benadeelde partij] wederom vast en slaan zij hem meerdere malen met een hamer op zijn hoofd. Daarna probeert [benadeelde partij] zich los te maken en weg te rennen. Verdachte en medeverdachte rennen opnieuw achter hem aan en slaan met de hamers in zijn richting. Tot slot pakt medeverdachte [benadeelde partij] weer vast en slaat opnieuw met een hamer op zijn hoofd.
Poging tot doodslag (primair tenlastegelegde)
Aan de rechtbank ligt vervolgens de vraag voor of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde partij] . Uit het dossier blijkt niet dat verdachte [benadeelde partij] vol opzet had op de dood van [benadeelde partij] . Wel is bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [benadeelde partij] . Naar algemene ervaringsregels levert het meermalen slaan met een hamer op een hoofd immers een aanmerkelijke overlijdenskans van het slachtoffer op, zodat eenieder – en dus ook verdachte – geacht moet worden daarvan wetenschap te hebben. Door desalniettemin gezamenlijk meerdere keren met een hamer op het hoofd van [benadeelde partij] te slaan, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zou komen te overlijden.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande de poging tot doodslag op [benadeelde partij] bewezen.
Medeplegen
Ten aanzien van het medeplegen overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte en medeverdachte hebben gezamenlijk de confrontatie met [benadeelde partij] opgezocht en zijn gezamenlijk achter [benadeelde partij] aangerend. Vervolgens hebben beiden fysiek geweld tegen [benadeelde partij] gebruikt door hem met een hamer te slaan. Ook uit hun eigen verklaringen blijkt dat zij het samen gemunt hadden op [benadeelde partij] . Alles bij elkaar wijst dit op een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank acht het medeplegen dan ook bewezen.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 19 juli 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [benadeelde partij] van het leven te beroven, met een hamer meermaals op het hoofd van die [benadeelde partij] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5. Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf van dertig maanden op te leggen met aftrek van voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan deze proeftijd dienen bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast dient een contactverbod met het slachtoffer te worden opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan verdachte geen gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de reeds durende voorlopige hechtenis.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging doodslag door [benadeelde partij] meermalen met een hamer op zijn hoofd te slaan. Uit het dossier volgt dat verdachte en zijn mededader ook meermalen met een hamer tegen het lichaam van [benadeelde partij] hebben geslagen. De rechtbank weegt ook mee dat deze gebeurtenissen zich lijken af te spelen tegen de achtergrond van een al langer lopend conflict tussen de medeverdachte en [benadeelde partij] . Een half uur voor het incident heeft vermoedelijk een confrontatie tussen hen plaatsgevonden. Verdachte werd vervolgens door medeverdachte gebeld en gevraagd naar het tankstation te komen, omdat medeverdachte daar [benadeelde partij] had gezien. Vervolgens hebben verdachte en medeverdachte bewust de confrontatie met [benadeelde partij] opgezocht. Het incident vond overdag plaats op de openbare weg, waarbij meerdere omstanders aanwezig waren. Op de camerabeelden is te zien dat sommige omstanders in hun auto schuilen, terwijl een ander wegvlucht. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit voor [benadeelde partij] en de omstanders een angstige situatie is geweest. Daarnaast heeft [benadeelde partij] letsel opgelopen door de handelingen van verdachten, waaronder een blijvend litteken. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat het incident grote impact op hem heeft gehad.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 19 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor mishandeling.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van 26 januari 2026. Hieruit volgt – kort gezegd – dat er zorgen bestaan over een aantal leefgebieden, waarvan de leefgebieden middelengebruik, psychosociaal functioneren, dagbesteding en familie als indirect delictgerelateerd worden aangemerkt. Verdachte lijkt inzicht te tonen in zijn problemen en geeft aan open te staan voor hulp om abstinent te blijven en om aan zijn psychische problemen te werken.
Strafoplegging
Voor het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank het van belang verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen door het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden. De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd, nu de rechtbank meer dan de officier van justitie rekening houdt met het lang lopende conflict tussen medeverdachte en [benadeelde partij] .
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, meewerken aan dagbesteding en beheersing van het middelengebruik als bijzondere voorwaarden verbinden. Ook zal de rechtbank een contactverbod met [benadeelde partij] opleggen als bijzondere voorwaarde.
8. Benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
Benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert hoofdelijke veroordeling voor een bedrag van € 2.500,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade, met vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Op de zitting heeft mr. C.M. Bouw de vordering nader toegelicht.
Standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is met betrekking tot de vordering van vergoeding van toekomstige medische kosten. De overige gevorderde schadevergoeding is voor toewijzing vatbaar.
De raadsman heeft verzocht dat bij toekenning van de vordering tot schadevergoeding rekening wordt gehouden met het eigen aandeel van de benadeelde partij.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering met betrekking tot toekomstige medische kosten. Deze schade is op dit moment immers nog niet vast te stellen.
Verder staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 7.500,-. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om een eigen schuld correctie toe te passen. De rechtbank wijst de immateriële schadevordering daarom toe tot een bedrag van € 7.500,-.
De rechtbank wijst het overige deel van de vordering tot immateriële schadevergoeding af nu zij de hoogte van de immateriële schade op € 7.500,- heeft vastgesteld.
Schadevergoedingsmaatregel In het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vier is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
Medeplegen poging doodslag
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later iets anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde houdt zich gedurende de proeftijd aan afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 2] Amsterdam.
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door Inforsa FAZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische en verslavingsproblematiek.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Beheersing middelengebruik
Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaat uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd.
Contactverbod
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. De politie houdt toezicht op het contactverbod.
Voorwaarden daarbij zijn verder dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 7.500,- (zevenduizendvijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag.
Veroordeelt verdachte tot hoofdelijke betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel Legt verdachte de hoofdelijke verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 72 (tweeënzeventig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover veroordeelde aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.J.M. Kruizinga, voorzitter,
mrs. M. Smit en H.B.W. Beekman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2026.
[...]