ECLI:NL:RBAMS:2026:1679

ECLI:NL:RBAMS:2026:1679

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 17-02-2026
Datum publicatie 17-02-2026
Zaaknummer 11448568 \ CV EXPL 24-15866 - E
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

vonnis na getuigenverhoor, artikel 7:268 lid 2 BW, vordering voorzetten huur na overlijden toewijsbaar

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11448568 \ CV EXPL 24-15866

Vonnis van 17 februari 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiseres] ,

gemachtigde: mr. P.M. Poelman,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

te geheim adres,

hierna te noemen: [gedaagde 1]2. [gedaagde 2] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [gedaagde 2] ,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

gemachtigde: mr. E.W. Baart.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 juli 2025 (hierna: het tussenvonnis),- het getuigenverhoor van 15 december 2025,

- de conclusie na getuigenverhoor van [eiseres] ,

- de conclusie na getuigenverhoor van [gedaagden] .

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie en reconventie

In het tussenvonnis is [eiseres] in de gelegenheid gesteld om (aanvullend) bewijs te leveren van haar stelling dat zij haar hoofdverblijf heeft in het gehuurde en met [erflater] een duurzaam gemeenschappelijke huishouding voerde.

[eiseres] heeft daartoe nadere stukken in het geding gebracht, waaronder een schriftelijke verklaring van de zus van [erflater] , en getuigen gehoord. Uit de getuigenverklaringen van de nichten van [erflater] en de buren blijkt voldoende dat [eiseres] jarenlang met [erflater] heeft samengewoond in het gehuurde. Op basis van deze getuigenverklaringen in onderlinge samenhang beschouwd met de in 4.7 van het tussenvonnis benoemde omstandigheden - te weten dat [eiseres] in de periode van 2018 tot en met 2024 veelvuldig boodschappen heeft gedaan en contante bedragen heeft gepind in de buurt van het gehuurde en er geen aanknopingspunten zijn dat [eiseres] in die periode ergens anders verbleef - is genoegzaam komen vast te staan dat [eiseres] al jarenlang haar hoofdverblijf heeft in het gehuurde. Het feit dat [eiseres] regelmatig voor familiebezoek in Suriname heeft verbleven, doet daar niet aan af, net zo min als het feit dat zij voor 2018 niet steeds op het adres van het gehuurde heeft ingeschreven gestaan. Een duidelijke verklaring daarvoor heeft [eiseres] niet gegeven, maar dat neemt niet weg dat uit de getuigenverklaringen voldoende valt af te leiden dat zij ook ruim voor 2018 feitelijk al in het gehuurde met [erflater] samenwoonde.

Zoals in het tussenvonnis verder is overwogen moet door waardering van alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden beoordeeld of van een gemeenschappelijke huishouding sprake is. Uit de overgelegde stukken (de verklaring van de zus van [erflater] , en foto’s en afdrukken van fotoboeken) in combinatie met de reeds in 4.11 van het tussenvonnis beoordeelde stukken, en de getuigenverklaringen van de nichten van [erflater] blijkt genoegzaam dat [eiseres] tot zijn overlijden al die jaren onafgebroken een affectieve relatie heeft gehad met [erflater] . Duidelijk is dat [erflater] en [eiseres] de bedoeling hebben gehad om blijvend en met een verwachting voor de toekomst samen te wonen, op grond waarvan kan worden aangenomen dat tussen hen sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Dit wordt verder ondersteund door het feit dat [eiseres] en [erflater] samen de uitgaven deelden (in die zin dat [erflater] vooral de kosten voor de woning voor zijn rekening nam en [eiseres] vooral de kosten van de boodschappen), frequent samen op vakantie gingen, samen dagjes weg gingen, familie bezochten/ontvingen en [eiseres] de zorg voor [erflater] op zich nam toen het slechter ging met zijn gezondheid.

Het voorgaande leidt er toe, nu in het tussenvonnis reeds is geoordeeld dat aan de overige voorwaarden van artikel 7:268 lid 2 BW is voldaan, dat de vordering van [eiseres] in conventie tot voortzetting van de huur jegens [gedaagde 1] wordt toegewezen. In het tussenvonnis is reeds bepaald dat de vorderingen jegens [gedaagde 2] worden afgewezen. Dit brengt met zich mee dat de vordering in reconventie van [gedaagden] tot ontruiming van het gehuurde en de daarmee samenhangende vorderingen, worden afgewezen.

[gedaagde 1] is in conventie het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden in conventie begroot op:

- taxe getuigen € 196,77

- kosten van de dagvaarding

€

139,57

- griffierecht

€

87,00

- salaris gemachtigde

€

759,50

(3,5 punten × € 217,00)

- nakosten

€

72,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.254,84

[eiseres] is in conventie jegens [gedaagde 2] in het ongelijk gesteld, zodat zij de proceskosten van [gedaagde 2] moet voldoen. Deze kosten worden - gelet op het feit dat [gedaagde 2] geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd - begroot op nihil. Ook in reconventie worden de proceskosten van [eiseres] - die [gedaagden] moeten voldoen omdat hij in het ongelijk is gesteld - gelet op de samenhang met de procedure in conventie op nihil gesteld.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Gelet op het bepaalde in artikel 7:268 lid 2 BW en de aard van de zaak bestaat er aanleiding om alleen de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

jegens [gedaagde 2]

wijst de vorderingen jegens [gedaagde 2] af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil;

jegens [gedaagde 1]

bepaalt dat [eiseres] de huurovereenkomst tussen wijlen de heer [erflater] en [gedaagde 1] met betrekking tot de woning aan de [adres] voortzet met ingang van de datum van overlijden van de heer [erflater] ;

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.254,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig betaalt en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen van [gedaagden] af,

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil,

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar en in het openbaar uitgesproken, in aanwezigheid van de griffier, op 17 februari 2026.

42146

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand