ECLI:NL:RBAMS:2026:1724

ECLI:NL:RBAMS:2026:1724

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 18-02-2026
Zaaknummer 11809539 \ CV EXPL 25-10006
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verbintenissenrecht. Niet onjuist geïnformeerd bij het sluiten van overeenkomst tot inzameling van restafval. Betaling facturen. Afwijzing stilzwijgende verhogingen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11809539 \ CV EXPL 25-10006

Vonnis van 3 februari 2026

in de zaak van

GEMEENTE AMSTERDAM,

te Amsterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: de gemeente,

gemachtigde: [gemachtigde] ,

tegen

1. de vennootschap onder firma [gedaagde 1] ,

te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 2],

te [woonplaats] ,3 . [gedaagde 3],

te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

hierna afzonderlijk te noemen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , en samen te noemen [gedaagden] ,

procederend in persoon.

De zaak in het kort

[gedaagde 1] heeft met de gemeente een overeenkomst tot inzameling van restafval gesloten. [gedaagden] hebben een betalingsachterstand laten ontstaan. De gemeente vordert hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de achterstand, vermeerderd met rente, incasso- en proceskosten. Deze vorderingen worden grotendeels toegewezen, omdat het verweer van [gedaagden] dat zij bij het sluiten van de overeenkomst onjuist zijn geïnformeerd door de gemeente niet slaagt. Wel wordt minder toegewezen dan gevorderd, omdat een grondslag voor de in rekening gebrachte verhogingen van de inzamelingsvergoeding ontbreekt.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 augustus 2025;

- de akte houdende overlegging producties ten behoeve van comparitie van de gemeente;

- de mondelinge behandeling van 3 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Tijdens de mondelinge behandeling is voor de gemeente [naam] verschenen. Voor [gedaagden] is [gedaagde 2] verschenen. Zij hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn samen de vennoten van [gedaagde 1] . De activiteit van [gedaagde 1] is blijkens haar inschrijving bij de Kamer van Koophandel de handel in elektronische apparatuur. Haar winkel heeft de naam [handelsnaam] .

Op 21 augustus 2013 hebben de gemeente en [gedaagde 1] een overeenkomst tot inzameling van restafval gesloten. Op basis van deze overeenkomst mocht [gedaagde 1] met ingang van 28 augustus 2013 vier bedrijfsafvalzakken à € 2,50 per week aanbieden. De overeengekomen totale inzamelingsvergoeding is aldus € 10,00 exclusief btw per week. Bij de ‘Ondertekening voor akkoord’ staat onder andere vermeld: ‘Alg. lev. voorw. paraaf (gezien)’. Daarachter staat geen paraaf of handtekening. De overeenkomst is wel ondertekend voor [gedaagde 1] .

Gaandeweg de contractperiode heeft de gemeente de inzamelingsvergoeding verhoogd.

De overeenkomst is op 30 juni 2024 geëindigd, nadat deze bij e-mail van 29 maart 2024 door [gedaagde 1] was opgezegd. In deze e-mail heeft [gedaagde 1] onder meer geschreven: ‘toen wij destijds t contract afsloten werd ons verteld dat wij hierdoor de helft goedkoper zouden uitkomen tov als wij via de reinigingsrechten zouden aangaan. DAT blijkt nu onjuiste informatie en zijn wij voor de gek gehouden’.

[gedaagde 1] heeft over de jaren 2021 tot en met 2024 een betalingsachterstand laten ontstaan. De gemeente en nadien ook haar gemachtigde hebben [gedaagde 1] diverse keren aangemaand deze achterstand te betalen.

3. Het geschil

Samenvattend vordert de gemeente dat [gedaagden] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 2.155,51 wegens openstaande facturen en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.080,00, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, en van de proceskosten van de gemeente, vermeerderd met de wettelijke rente.

[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente. Daartoe voeren zij aan dat de gemeente hen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst onjuist heeft geïnformeerd, misleid, dan wel misbruikt, omdat hen toen zou zijn verteld dat zij een contract moesten afsluiten voor minimaal vier vuilniszakken per week en zij daardoor goedkoper zouden uitkomen. Tevens voeren [gedaagden] aan dat het afval nooit werd opgehaald en dat de inzamelingsvergoeding stilzwijgend is verhoogd.

4. De beoordeling

Geen dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden

Naar de kantonrechter begrijpt, verweren [gedaagden] zich ex artikel 3:51 lid 3 BW tegen de op de overeenkomst gebaseerde vorderingen van de gemeente met een beroep op dwaling (artikel 6:228 lid 1 sub a BW), bedrog (artikel 3:44 leden 1 en 3 BW) en misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 leden 1 en 4 BW). In dat kader hebben zij aangevoerd verkeerd te zijn geïnformeerd door de gemeente, hetgeen de gemeente heeft betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn [gedaagden] niet onjuist geïnformeerd, dan wel hebben zij hun daarop gerichte stellingen onvoldoende onderbouwd.

[gedaagden] hebben aangevoerd dat zij ten tijde van de contractsluiting tegen een daarbij betrokken medewerker van de gemeente hebben gezegd dat zij maximaal één of twee zakken afval per maand zouden hebben, maar dat hen toen is gezegd dat zij een overeenkomst tot inzameling van restafval moesten afsluiten én dat het minimaal af te nemen volume voor een winkel vier zakken per week is. Volgens [gedaagden] is toen niet verteld dat zij bij minder dan vier zakken per week ook gebruik zouden kunnen maken van containers van de gemeente tegen betaling van reinigingsrecht. Naar de kantonrechter begrijpt zouden [gedaagden] voor die optie hebben gekozen als zij daarvan zouden hebben geweten. Uit de e-mail van 29 maart 2024 blijkt echter dat [gedaagden] ten tijde van de contractsluiting wel zijn geïnformeerd over het alternatief ‘via de reinigingsrechten’. In hun reactie op de dagvaarding hebben [gedaagden] ook benoemd dat hen dit is gezegd toen zij destijds het contract afsloten. In zoverre zijn [gedaagden] dus niet onjuist geïnformeerd.

Voor zover het verweer van [gedaagden] tevens is gegrond op de stelling dat zij onjuist zijn geïnformeerd over het minimaal af te nemen volume van vier zakken per week, slaagt hun verweer ook niet, omdat tussen partijen niet in geschil is dat de ondergrens bij het sluiten van een overeenkomst tot inzameling van restafval vier zakken per week is. Daarover zijn [gedaagden] dus evenmin onjuist geïnformeerd.

Verder hebben [gedaagden] gesteld dat hen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst ten onrechte is gezegd dat zij goedkoper zouden uitkomen als zij de overeenkomst met de gemeente zouden aangaan dan wanneer zij reinigingsrecht zouden betalen of een overeenkomst met een andere afvalophaaldienst zouden aangaan. Deze stelling hebben [gedaagden] onvoldoende onderbouwd. Zij hebben de kosten van het reinigingsrecht niet toegelicht en hebben geen prijzen bij andere bedrijven uit 2013 (het jaar van de contractsluiting) overgelegd, zodat geen vergelijking gemaakt kan worden. Voor zover [gedaagden] zich hebben beroepen op de wel door hen overgelegde prijzen, waaronder de prijzen uit hun huidige contract met Milieu Service Nederland uit 2024, blijkt daaruit nog niet dat de gemeente duurder is. De prijs per maand kan wel lager zijn dan de destijds met de gemeente overeengekomen prijs, maar dat maakt de dienstverlening nog niet goedkoper, omdat dan ook rekening moet worden gehouden met het volume afval dat voor die prijs mag worden aangeboden en met welke regelmaat het afval wordt opgehaald. Daarop hebben [gedaagden] geen toelichting gegeven.

De slotsom van het voorgaande is dat het beroep van [gedaagden] op dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden niet slaagt.

Afval opgehaald

[gedaagden] hebben niet onderbouwd dat de gemeente het afval niet ophaalde. De gemeente heeft dat betwist en toegelicht dat het ophalen gebeurde in een standaardronde. Aan deze ongemotiveerde stelling van [gedaagden] zal daarom worden voorbijgegaan.

Afwijzing verhoging inzamelingsvergoeding

De gemeente heeft aangevoerd dat de bij [gedaagden] in rekening gebrachte verhogingen van de inzamelingsvergoeding zijn overeengekomen in artikel 5.4 van de Algemene voorwaarden van de afdeling Bedrijfsafval van de gemeente, waarin staat dat de prijs kan worden aangepast. De gemeente heeft echter onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde 1] de toepasselijkheid van deze algemene voorwaarden heeft aanvaard. In de overeenkomst staat dat niet en voor [gedaagde 1] is niet geparafeerd dat zij algemene leveringsvoorwaarden zouden hebben gezien, zoals in de overeenkomst staat vermeld. [gedaagden] hebben ook betwist algemene voorwaarden te hebben ontvangen. Anders dan de gemeente heeft aangevoerd, is de enkele handtekening van [gedaagde 1] onder de overeenkomst onvoldoende om te oordelen dat daarmee ook zou zijn getekend voor de toepasselijkheid van, dan wel inzage in algemene voorwaarden, gelet op het feit dat de gemeente zelf wenst dat daarvoor in de overeenkomst een separate paraaf wordt geplaatst. Deze separate paraaf zou een zinledige toevoeging zijn als met de handtekening hetzelfde zou worden bereikt. In dit geval is ook anderszins niet gesteld of gebleken dat met de handtekening voor [gedaagde 1] tevens is bedoeld in te stemmen met de toepasselijkheid van of inzage in algemene voorwaarden. Op grond hiervan worden de door de gemeente gevorderde tariefverhogingen afgewezen.

De gemeente heeft 28 facturen overgelegd, waarvan zij betaling vordert en waarvan niet is betwist dat die openstaan. In de vier overgelegde facturen uit 2021 is geen verhoogde inzamelingsvergoeding in rekening gebracht, zodat de gevorderde betaling van deze vier facturen toewijsbaar is (totale factuurwaarde: € 48,21 + € 60,26 + € 48,21 + 48,21 = € 204,89). Voor de overige 24 facturen geldt het volgende. Uit de facturen blijkt dat de gemeente per maand factureerde. Partijen hebben geen meer- of minderwerk van de gemeente gesteld, zodat de kantonrechter bij zijn berekening van het toewijsbare deel van de vordering zal uitgaan van de overeengekomen vier zakken per week voor in totaal € 10 exclusief btw per week. Gemiddeld bedraagt de overeengekomen inzamelingsvergoeding per maand dan: € 10 per week x 52 weken / 12 maanden = € 43,33 x 21% btw = € 52,43. Vermenigvuldigd met 24 facturen is daarom € 1.258,40 toewijsbaar.

[gedaagden] hebben aangevoerd dat zij in het verleden verhoogde tarieven hebben betaald. Voor zover zij in dit verband bedoeld hebben een verrekeningsverweer te voeren, is dat verweer onvoldoende onderbouwd, want zij hebben niet toegelicht welke verhogingen zij wanneer hebben betaald. Aan dit verweer wordt daarom voorbijgegaan.

De slotsom van het voorgaande is dat in totaal aan hoofdsom € 1.463,29 zal worden toegewezen. De gevorderde en niet betwiste handelsrente wordt toegewezen met ingang van de dag na de verschillende vervaldata van de onderliggende facturen, waarbij dus heeft te gelden dat voor elk van de facturen met een datum na 2021 dient te worden uitgegaan van een factuurwaarde van € 52,43.

Buitengerechtelijke incassokosten

Aan de wettelijke eisen voor de vergoeding van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan en [gedaagden] heeft deze kosten niet betwist. Op grond van artikel 2 lid 1 van dit Besluit en rekening houdend met de hoogte van de toe te wijzen hoofdsom, worden deze kosten begroot op € 219,49. De gemeente heeft niet gesteld btw verschuldigd te zijn over deze kosten, zodat het genoemde bedrag niet zal worden vermeerderd met btw. De gevorderde wettelijke handelsrente over dit bedrag zal worden afgewezen, omdat de verplichting tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten niet voortvloeit uit een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW (HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:40, r.o. 3.2). De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is daarentegen wel toewijsbaar, zoals gevorderd vanaf de dag van dagvaarding.

Proceskosten

[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. Gelet op het feit dat een deel van de vordering is afgewezen, worden [gedaagden] veroordeeld tot betaling van een bedrag aan griffierecht dat overeenstemt met het toegewezen deel van het gevorderde. Het meer betaalde aan griffierecht blijft voor rekening van de gemeente. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

123,97

- griffierecht

385,00

- salaris gemachtigde

408,00

(2 punten × € 204,00)

- nakosten

67,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

984,47

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Hoofdelijke veroordeling [gedaagden]

Op grond van artikel 18 van het Wetboek van Koophandel zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als vennoten van [gedaagde 1] hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van [gedaagde 1] . Daarom wordt de veroordeling hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 1.463,29, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van de dag na de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 219,49 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van de gemeente van € 984,47, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Boeve en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?