ECLI:NL:RBAMS:2026:1778

ECLI:NL:RBAMS:2026:1778

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 19-02-2026
Zaaknummer 13/238488-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van aangever door hem te steken met een schaar. Aangever heeft drie steekverwoningen opgelopen. Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, met aftrek van voorarrest. Verdachte wordt vrijgesproken van de poging tot doodslag, dan wel zware mishandeling. Het beroep op noodweer(exces) is verworpen. Vordering BP gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/238488-24

Datum uitspraak: 19 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. T.M. van Wanrooij, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.C.R. Gijsen, naar voren hebben gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen mr. A. Sarkis namens de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren heeft gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - samengevat - tenlastegelegd dat hij zich op 21 juli 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [benadeelde partij] door hem met een schaar in de borst en de arm te steken. Het feit is subsidiair tenlastegelegd als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als een mishandeling.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag, omdat niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond op de dood van [benadeelde partij] (hierna: aangever).

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling. Gelet op de meerdere ongecontroleerde en onverwachtse steekbewegingen van verdachte met de schaar richting het lichaam van aangever kan worden vastgesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen gerechtvaardigd beroep op noodweer(exces) toekomt. Gelet op de wisselende verklaringen van verdachte en het ontbreken van letsel van verdachte is de feitelijke toedracht dat verdachte door aangever is aangevallen niet aannemelijk gemaakt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verklaring van aangever is niet geloofwaardig en wordt niet gesteund door andere bewijsmiddelen. Verdachte heeft direct verklaard dat hij zichzelf heeft verdedigd, omdat hij werd vastgepakt en geslagen door aangever. Verdachte heeft aangever eerst bedreigd met een schaar en vervolgens aangever met de punt van de schaar gestoken. De verklaring van verdachte wordt onder andere ondersteund door de oppervlakkige verwondingen bij aangever. Verdachte is gestopt met het steken op het moment dat hij zich kon onttrokken aan de situatie.

Indien de rechtbank het beroep op noodweer(exces) afwijst, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot doodslag en de poging tot zware mishandeling. Gelet op het lichte letsel dat aangever heeft opgelopen kan niet worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond op de dood van aangever of op zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Bovendien is gelet op de intentie van verdachte niet komen vast te staan dat verdachte een aanmerkelijke kans heeft aanvaard op dan wel het overlijden van aangever dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte had immers zijn hand om de schaar, waarbij slechts een klein gedeelte van de punt eruit stak.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak poging tot doodslag

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet is komen vast te staan dat verdachte met zijn handelen opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer, ook niet in voorwaardelijke vorm. De rechtbank zal verdachte van de poging tot doodslag vrijspreken.

Vrijspraak poging tot zware mishandeling

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier er onvoldoende duidelijkheid bestaat over de feitelijke toedracht van het steken om te kunnen concluderen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Verdachte heeft het opzet op het toebrengen van dergelijk letsel ontkend en enkel verklaard dat hij, door zijn hand om het grootste deel van de schaar te houden, alleen met de punt van de schaar stekende bewegingen heeft gemaakt. Verder is er geen objectief bewijs voorhanden om vast te kunnen stellen met welke kracht verdachte aangever heeft gestoken.

Het letsel bestaat uit drie kleine steekverwondingen, waarvan twee in de arm en één in de linker bovenkant van de borstkas van aangever. Bij het ontbreken van een forensische letselverklaring waaruit zou kunnen volgen dat er een aanmerkelijke kans is geweest op zwaar lichamelijk letsel is er naast onduidelijkheid over de feitelijke gang van zaken ook onduidelijkheid over wat de gevolgen hadden kunnen zijn van het handelen van verdachte.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de poging tot zware mishandeling niet bewezen kan worden.

Bewezenverklaring mishandeling

Verdachte heeft bekend dat hij aangever heeft gestoken, maar heeft een beroep gedaan op noodweer.

Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad ligt in het begrip ‘mishandeling’ de wederrechtelijkheid van de gedraging besloten. De rechtbank zal het beroep op noodweer in dit kader dan ook als een bewijsverweer beschouwen.

Voor het aannemen van een noodweersituatie is noodzakelijk dat aannemelijk wordt dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens verdachte, waartegen hij zich mocht verdedigen. Deze verdediging moet dan vervolgens ook noodzakelijk en proportioneel zijn.

Verdachte heeft verklaard dat hij op zijn werk door zijn collega, te weten aangever, is geslagen. Na werk wilde hij de ruzie met aangever uitpraten en heeft toen met hem afgesproken op een rustige plek in Amsterdam-Noord. Verdachte was op dat moment samen met twee andere mannen, omdat hij bang was en door hen naar huis gebracht wilde worden. Verdachte heeft een schaar uit zijn tas gehaald en in zijn achterzak gestopt op het moment dat aangever had laten weten dat hij onderweg was. Tijdens de ontmoeting heeft aangever hem geslagen en vastgepakt, waarop verdachte zich met de schaar heeft verdedigd. Daarentegen heeft aangever verklaard dat hij toen hij aankwam op de afgesproken plek direct door verdachte is aangevallen met een schroevendraaier en een schaar. Aangever heeft zich geprobeerd te verweren tegen de geweld van verdachte.

De rechtbank stelt voorop dat het dossier bestaat uit veel onduidelijkheden. De verklaringen van verdachte en aangever lopen sterk uiteen en zij wijzen elkaar aan als de initiële agressor. De rechtbank ziet ook in de verklaring van aangever hiaten waardoor de rechtbank niet zonder meer van de juistheid van de verklaring van aangever uit kan gaan. Zo is de verklaring van aangever dat hij tijdens de ruzie in de barbershop verdachte niet zou hebben geslagen in strijd met de verklaring van de twee getuigen die daarover zijn gehoord.

Op basis van het dossier en hetgeen is besproken tijdens de terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat zij niet kan vaststellen wie de eerste geweldshandeling heeft verricht. Zelfs al zou aangever de initiële agressor zijn geweest, dan nog kan verdachte zich niet beroepen op noodweer. Hij had immers twee vrienden als steun meegenomen waardoor voor verdachte een andere weg openstond dan te steken met een schaar, te weten het roepen om hulp. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank niet aannemelijk dat sprake is geweest van een noodweersituatie waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte acht de rechtbank de mishandeling bewezen. Nu de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, behoeft dit oordeel geen nadere motivering.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 21 juli 2024 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] meermalen met een schaar in de borststreek en de linkerarm te steken.

5. De strafbaarheid van het feit en verdachte

Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweerexces. Verdachte heeft door zijn gedragingen de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden, maar deze overschrijding is het onmiddellijk gevolg van de door het geweld van aangever veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.

Zoals beschreven onder rubriek 3.3.3 is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Verdachte heeft de hem verweten gedraging dan ook niet verricht in een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces niet slaagt. Er is ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

De strafeis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 45 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met een contactverbod met aangever [benadeelde partij] . Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een taakstraf op te leggen van 120 uren.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om in strafmatigende zin mee te wegen dat aangever een aandeel heeft gehad in het conflict. Ook dient meegenomen te worden dat verdachte een slechte gezondheid heeft en al jarenlang is gescheiden van zijn familie door oorlog.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen

geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van

een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van aangever door hem te steken met een schaar. Aangever heeft door toedoen van verdachte aan het gevecht in ieder geval lichamelijke schade overgehouden.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 22 december 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 20 maart 2025. De reclassering adviseert om een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden, omdat er geen aanknopingspunten zijn voor enige interventies. Verdachte is sociaal maatschappelijk goed geïntegreerd en er zijn geen aanwijzingen voor psychische problematiek of problemen ten aanzien van middelengebruik.

Strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het gegeven dat zij verdachte, in tegenstelling tot wat de officier van justitie heeft gevorderd, niet veroordeelt voor een poging tot zware mishandeling, er aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van de strafeis. De rechtbank acht gelet op de ernst van de mishandeling en de LOVS oriëntatiepunten een taakstraf de passende strafmodaliteit. In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de aangever ook een aandeel heeft gehad in het geheel. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 80 uren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft op 6 februari 2026 het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven.

8. Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen en niet teruggegeven:

1 1 STK Schaar (G2024172372);2. 1 STK Handgereedschap (Schroevendraaier (G2024172372).

De rechtbank is van oordeel dat de schaar dient te worden verbeurd verklaard, omdat het bewezenverklaarde feit met behulp van dit voorwerp is begaan. De schroevendraaier dient te worden geretourneerd aan de rechthebbende.

9. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 849,82 aan vergoeding van materiële schade en € 17.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De materiële schade is onderverdeeld in de volgende posten:

De immateriële schade is onderverdeeld in geestelijk letsel (€ 15.000,-) en letsel door littekens (€ 2.000,-).

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard moet worden, gelet op de omvang en het late tijdstip van indienen van de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren, omdat de verdediging wordt geschaad in haar mogelijkheid om effectief verdediging te voeren gelet op het late indienen van de vordering.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat enkel de schadepost van het T-shirt toewijsbaar is. De overige schadeposten zowel materieel als immaterieel zijn onvoldoende onderbouwd en de benadeelde partij dient dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is betwist.

De rechtbank wijst de materiële schadevergoeding toe tot een bedrag van € 548,82, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit bedrag bestaat uit € 40,- aan het T-shirt, € 438,82 aan de medische kosten en € 70,- aan reiskosten. De rechtbank is van oordeel dat voldoende onderbouwd dat de benadeelde deze kosten heeft gemaakt als gevolg van het bewezenverklaarde.

De benadeelde partij heeft schade gevorderd aan zijn kleding, omdat de benadeelde door de kleding die hij tijdens het incident aanhad, flashbacks en depressieve gevoelens ervaart. Hoewel de rechtbank deze gevoelens naar en begrijpelijk vindt, moet zij een rechtstreeks verband tussen de schade en het bewezenverklaarde vaststellen. Ten aanzien van het T-shirt staat vast dat het kledingstuk tijdens het incident is beschadigd. Voor de overige gevorderde materiële schade is het rechtstreekse verband onvoldoende onderbouwd. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De rechtbank zal de benadeelde niet ontvankelijk verklaring in zijn vordering ten aanzien van de schadeposten 2 en 3 (broek en schoenen).

Ook ten aanzien van de schadepost 6 (huishoudelijke hulp) geldt dat de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, nu deze onvoldoende onderbouwd is.

De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.

De rechtbank wijst de immateriële schadevergoeding toe tot een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering tot immateriële schadevergoeding.

De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd ten aanzien van het geestelijk letsel. De vordering is daarom op dit moment onvoldoende onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van en zoals gevorderd door de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd voor het toegewezen deel van de gevorderde schadeposten. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair en subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Beslag

Verklaart verbeurd:

1. STK Schaar (G2024172372)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1. STK Handgereedschap (Schroevendraaier (G2024172372)

Benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij] , toe tot een bedrag van € 548,82 (vijfhonderdachtenveertig euro en tweeëntachtig cent) aan vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, ter vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 juli 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 1.548,82 (duizend vijfhonderdachtenveertig euro en tweeëntachtig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 juli 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. van Galen, voorzitter,

mrs. R. van de Water en N.T. Arnoldussen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold en M. Pathuis, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B. van Galen

Griffier

  • mr. F.E. Leopold en M. Pathuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?