RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummers: 13/294744-25 (zaak A) en 15/231704-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) Parketnummer vordering tul: 09/289393-22
Datum uitspraak: 25 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 februari 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.I. Witlox, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de deskundige H.P.R. Nibte,
reclasseringswerker, ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 11 februari 2026 – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Zaak A:
feit 1: het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] op 19 juli 2025 op het treintraject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk;
feit 2: het medeplegen van diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld van een pet, sieraden, telefoons en kledingstukken toebehorende aan [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] op 19 juli 2025 op het treintraject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk;
feit 3: het medeplegen van afpersing door [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] met geweld en/of bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van telefoons, codes, pasjes, sleutels, kledingstukken en geld op 19 juli 2025 op het treintraject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk.
Zaak B:
feit 1: het bedreigen van [opsporingsambtenaar 1] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling op 8 juli 2025 te Haarlem;
feit 2: het beledigen van buitengewoon opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] op 8 juli 2025 te Haarlem;
feit 3: het verzetten tegen zijn aanhouding door buitengewoon opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] op 8 juli 2025 te Haarlem.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en gelden als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Zaak A en B:
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Standpunt van de verdediging
Zaak A:
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Het signalement van verdachte is, ondanks zijn lengte en opvallende haardos, niet omschreven door aangevers. Verdachte voldoet niet aan het signalement van de daders dat aangevers wel hebben omschreven. Het enkele feit dat verdachte, samen met anderen die zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten jegens aangevers, in en uit de trein is gestapt, maakt verdachte niet schuldig aan de tenlastegelegde feiten. Dat verdachte op de camerabeelden te zien is met iets wits dat mogelijk een kledingstuk van een van de aangevers zou kunnen zijn en door een medeverdachte is gebeld met de gestolen telefoon van een van de aangevers, maakt dit niet anders. Uit die omstandigheden kan niet worden afgeleid dat verdachte de tenlastegelegde handelingen die in de treincoupé plaatsvonden, heeft verricht.
Subsidiair verzoekt de raadsman de rechtbank in aanmerking te nemen dat verdachte zelf de tenlastegelegde handelingen niet heeft verricht en slechts onderdeel van de groep is geweest. Verder is geen sprake geweest van (klassieke) vrijheidsberoving.
Zaak B:
De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreiging en belediging. Verdachte ontkent de aangever te hebben bedreigd of beledigd. Het enkele feit dat hij op de vraag of hij wapens had met "ja" heeft geantwoord, kan volgens de raadsman niet worden gekwalificeerd als een bedreiging. Met betrekking tot het tenlastegelegde verzet bij aanhouding heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Zaak A (vrijspraak):
Op basis van het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 19 juli 2025 werden aangevers [naam 3] , [naam 2] en [naam 1] in de trein van Nijmegen naar Alkmaar door een groep jongens gedwongen hun bezittingen af te geven, waarbij ze werden geslagen en met messen bedreigd. Daarnaast werden zij belemmerd om de trein te verlaten.
Verdachte bevond zich op het moment van de beroving in dezelfde treincoupé als aangevers, samen met onder andere de medeverdachte [medeverdachte] . Deze medeverdachte heeft bekend betrokken te zijn geweest bij de tenlastegelegde feiten. Op camerabeelden is te zien dat aangevers en de groep jongens op station Arnhem uit de trein stappen. Ook is op de beelden te zien dat verdachte in de nabijheid van aangevers bleef. Verdachte had op dat moment iets wits onder zijn arm. Aangever [naam 3] heeft verklaard dat hij bij het instappen van de trein een wit vest droeg en dat hij dit vest aan de groep jongens moest afgeven. Bij medeverdachte [medeverdachte] is onder meer een gestolen telefoon van aangever [naam 1] aangetroffen. Verdachte is gebeld met deze gestolen telefoon.
Verdachte heeft verklaard dat hij achter aangevers in de treincoupé zat, hoorde en (deels) zag wat de groep jongens deed maar daar zelf niet bij betrokken was. Volgens verdachte heeft hij op enig moment nadat mensen rennend de treincoupe hadden verlaten een wit voorwerp dat achtergebleven was, opgepakt en mee de trein uit genomen.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet wordt weersproken door de bewijsmiddelen in het dossier. De enkele vaststelling dat verdachte zich in de trein bevond samen met een bekennende medeverdachte, is onvoldoende om te concluderen dat verdachte bij de tenlastegelegde feiten betrokken is geweest. Ook met de vaststelling dat verdachte is gebeld met de gestolen telefoon van aangever [naam 1] en op de camerabeelden van station Arnhem is te zien met iets wits dat het gestolen vest van aangever [naam 3] zou kunnen zijn, kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komen.. Het procesdossier biedt verder geen aanknopingspunten om te concluderen dat sprake is geweest van een vooropgezet plan, waarbij verdachte betrokken was. De conclusie is dat de belastende informatie in het dossier, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende is om vast te stellen dat verdachte een van de daders is geweest.
Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde vrijheidsberoving, diefstal en afpersing, zodat hij van deze feiten zal worden vrijgesproken.
Zaak B (veroordeling):
Op 8 juli 2025 wordt verdachte door verbalisant [opsporingsambtenaar 1] aangesproken op het treinstation van Haarlem, omdat hij niet uitcheckte bij de toegangspoortjes. Hierop rende verdachte weg. Later keerde verdachte terug en schold hij verbalisant [opsporingsambtenaar 1] uit met de woorden "je kankermoeder". Toen verbalisant [opsporingsambtenaar 1] vervolgens een identiteitsfouillering wilde uitvoeren en vroeg of verdachte scherpe voorwerpen bij zich droeg, hoorde hij verdachte zeggen: "ik heb een pistool en een AK-47 bij me en ik schiet je dood". Verdachte is vervolgens aangehouden, maar probeerde zich aan zijn aanhouding te onttrekken door zijn lichaam weg te draaien, zijn armen heen en weer te trekken en zijn benen af te zetten.
De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om te twijfelen aan het ambtsedig proces-verbaal van verbalisant [opsporingsambtenaar 1] , dat bovendien wordt ondersteund door een proces-verbaal van bevindingen van zijn collega [opsporingsambtenaar 2] , eveneens op ambtseed opgesteld. Zij heeft verdachte op 8 juli 2025 op het station van Haarlem de woorden "je kankermoeder" horen schreeuwen en verdachte horen zeggen "ik heb een pistool en een AK-47 in mijn zak en ik schiet jullie."
De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Zaak B:
1
op 8 juli 2025 te Haarlem [opsporingsambtenaar 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [opsporingsambtenaar 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik heb een pistool en een AK-47 bij me en ik schiet je dood";
2
op 8 juli 2025 te Haarlem opzettelijk een ambtenaar, te weten [opsporingsambtenaar 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar NS, werkzaam als medewerker Veiligheid & Service, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "je kankermoeder";
3
op 8 juli 2025 te Haarlem zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [opsporingsambtenaar 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar NS, werkzaam als medewerker Veiligheid & Service in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door
- zijn benen tegen de muur af te zetten, en
- zijn bovenlichaam weg te draaien van de muur, en
- met zijn armen heen en weer te blijven trekken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een
rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die
de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk deel dienen volgens de officier van justitie de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht om af te zien van strafoplegging, gezien het feit dat verdachte langdurig in voorarrest heeft gezeten. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Uiterst subsidiair verzoekt de raadsman de rechtbank om, naast een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen, eventueel gecombineerd met een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging en belediging van een opsporingsambtenaar en zich daarna verzet bij zijn aanhouding. Verdachte heeft zich respectloos tegen hem gedragen. Uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding volgt dat verdachte met zijn handelen het veiligheidsgevoel en het werkplezier van de opsporingsambtenaar heeft aangetast. Hij ondervindt veel last van de toenemende agressie in het vervoer. Het zijn dan ook vervelende feiten die het gezag van ambtenaren, die een publieke taak verrichten, ondermijnen. Opsporingsambtenaren moeten onder normale omstandigheden hun werk kunnen doen en verdachte had, ook al was hij het niet eens met zijn staandehouding, mee moeten werken.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 december 2025. Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor bedreiging, waardoor er sprake is van recidive. Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 20 januari 2026. Hieruit volgt dat de reclassering bij een veroordeling adviseert om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan de volgende bijzondere voorwaarden gekoppeld: meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contact- en locatieverbod, dagbesteding, het aflossen van schulden en het geven van toestemming voor informatie-uitwisseling tussen hulpverlenende instanties. De reclasseringsbegeleider van verdachte H.P.R. Nibte heeft op de zitting verklaard dat verdachte goed heeft meegewerkt aan het lopende reclasseringstoezicht, waarin hij zich ‘leerbaar’ opstelt.
Jeugdstrafrecht?
Omdat verdachte al ouder is dan 18 jaar, maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft
bereikt, kan volgens de wet het jeugdstrafrecht (ASR) toegepast worden indien omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of omstandigheden waaronder het feit is begaan, daartoe aanleiding geven. De reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat verdachte functioneert conform zijn kalenderleeftijd en hij geen interventie vanuit het jeugdstrafrecht nodig lijkt te hebben.
De rechtbank neemt dit advies over en zal het volwassenenstrafrecht toepassen.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten en naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring en wijkt daarom af van de vordering van de officier van justitie. De rechtbank acht het van belang dat een voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd zodat de reclassering verdachte passende begeleiding kan bieden. Verdachte kan op deze manier laten zien dat hij, zoals hij zelf op zitting heeft gezegd, zijn leven wil beteren. Het voorwaardelijke strafdeel dient daarnaast als stok achter de deur en strekt ertoe verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan het plegen van strafbare feiten schuldig te maken.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van twee weken. Aan deze voorwaardelijke straf worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld, met uitzondering van het contact- en verblijfverbod. Deze voorwaarden hebben namelijk betrekking op de tenlastegelegde feiten in zaak A, waarvan verdachte wordt vrijgesproken.
8. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij [naam 2] (zaak A)
De benadeelde partij [naam 2] vordert € 816 aan vergoeding van materiële schade en € 1.900 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, omdat de verdachte van het feit waarop de vordering tot schadevergoeding ziet wordt vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering van de benadeelde partij [naam 1] (zaak A)
De benadeelde partij [naam 1] vordert € 2.092,18 aan vergoeding van materiële schade en € 2.000 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, omdat de verdachte van het feit waarop de vordering tot schadevergoeding ziet wordt vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De vordering van de benadeelde partij [opsporingsambtenaar 1] (zaak B)
De benadeelde partij [opsporingsambtenaar 1] vordert € 400 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreekse immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist en wordt als billijk beschouwd. De gevorderde schadevergoeding zal dan ook door de rechtbank worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
In het belang van [opsporingsambtenaar 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
9. Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 09/289393-22
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling betreft het onherroepelijk geworden vonnis van 14 september 2023 van de politierechter van de rechtbank Den Haag, in de zaak met parketnummer 09/289393-22. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 210 dagen met aftrek, waarvan 105 dagen voorwaardelijk, en een proeftijd van 2 jaren.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel afwijzen, nu verdachte is vrijgesproken van het tenlastegelegde in zaak A.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 180, 266, 267 en 285
van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak B onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak B:
Feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Feit 2: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
Feit 3: wederspannigheid
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
- Ambulante behandeling
Veroordeelde werkt mee aan diagnostiek en laat zich behandelen door de forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start met ingang van heden (veroordeelde woont al begeleid). Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
- Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk en vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
- Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
- Andere voorwaarde het gedrag betreffende
Veroordeelde geeft toestemming om informatie uit te wisselen tussen hulpverlenende instanties zodat er een gezamenlijk plan van aanpak kan worden opgesteld.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
Verklaart de benadeelde partij, [naam 2] , niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding, nu verdachte van het feit waarop de vordering tot schadevergoeding ziet wordt vrijgesproken.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Verklaart de benadeelde partij, [naam 1] , niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding, nu verdachte van het feit waarop de vordering tot schadevergoeding ziet wordt vrijgesproken.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [opsporingsambtenaar 1] volledig toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 400 (vierhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van volledige betaling.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [opsporingsambtenaar 1] voornoemd. Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [opsporingsambtenaar 1] aan de Staat € 400 (vierhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 09/289393-22, te weten jeugddetentie voor de duur van 210 dagen met aftrek, waarvan 105 dagen voorwaardelijk.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. M.C.H. Broesterhuizen en C.J.M. in ‘t Veld-Vernooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2026.