ECLI:NL:RBAMS:2026:2057

ECLI:NL:RBAMS:2026:2057

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 27-02-2026
Zaaknummer 13.277581.23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Veroordeling voor de medeplichtigheid aan het teweegbrengen van een ontploffing bij een portiek van een appartementencomplex. Adolescentenstrafrecht is toegepast.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.277581.23

Datum uitspraak: 27 februari 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te: [naam 1] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. de Krijger en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.J. Horenblas naar voren hebben gebracht.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door mevrouw [naam 2] , namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering naar voren is gebracht.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van hetgeen [naam] , namens de benadeelde partij, naar voren heeft gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat:

hij op 18 oktober 2023 in Amsterdam samen met een of meer anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief, in elk geval een stuk zwaar vuurwerk (model Cobra) bij de portiek van de [adres portiek] te plaatsen, te ontsteken en/of tot ontploffing te brengen waardoor er gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen was.

Subsidiair is dit ten laste gelegd als medeplichtigheid door chauffeur te zijn voor de medeverdachte(n).

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Vormverzuimen

5. Waardering van het bewijs

De rechtbank ziet zich voor de vragen gesteld of er sprake is van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv en of daar rechtsgevolgen aan verbonden moeten worden, zoals aangevoerd door de raadsman. De rechtbank bespreekt hierna achtereenvolgens (i) de vorderingen ten aanzien van camerabeelden, (ii) het plaatsen van een camera bij de woning van verdachte, (iii) het achterhouden van ontlastend bewijs, (iv) het informeren toepassing BOB-bevoegdheden, (v) het opvragen van de opgenomen gesprekken in de PI en (vi) doorzoeking telefoon schending Landeck-vereisten.

(i) De vorderingen ten aanzien van de beelden van Shell, Gare du Nord en Airport Business park

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vorderingen ten aanzien van de beelden van Shell, Gare du Nord en Airport Business Park ontbreken in het dossier, zodat sprake is van een schending van artikel 126nda lid 3 van het wetboek van Strafvordering (Sv).

Het standpunt van de officier van justitie

Hoewel de officier van justitie met de raadsman de constatering deelt dat in het dossier enkele vorderingen ontbreken, stelt zij zich op het standpunt dat hieraan geen consequenties hoeven te worden verbonden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van de beelden van de Shell, Gare du Nord en het Airport Business Park in het dossier ontbreken en dat dit een vormverzuim oplevert. Bij de beoordeling van de vraag welke gevolgen daaraan verbonden moeten worden, neemt de rechtbank in aanmerking dat de bepaling van artikel 126nda, derde lid, Sv ertoe strekt om aan de rechthebbende of houder van de camerabeelden een bewijs te geven dat verstrekking van die camerabeelden op juiste gronden heeft plaatsgevonden (vgl. Kamerstukken II 2017/18, 34 720, nr. 6, p. 7). De verdediging heeft niet geconcretiseerd in welk belang verdachte is geschaad door het ontbreken van dit bewijs. De rechtbank zal volstaan met het constateren van dit vormverzuim en daaraan geen rechtsgevolg verbinden.

(ii) Plaatsen van camera bij de woning van verdachte

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van een schending van artikel 126g Sv, omdat er bij de woning van verdachte een camera is geplaatst waarmee stelselmatig is geobserveerd. Stelselmatige observatie vereist een bevel van de officier van justitie en dat is niet verstrekt. De raadsman verzoekt hiermee rekening te houden in de strafmaat.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van stelselmatige observatie, zodat geen sprake is van een vormverzuim.

Het oordeel van de rechtbank

Observaties worden beschouwd als stelselmatig in het geval zij geschikt zijn om een min of meer compleet beeld van bepaalde aspecten van het leven van de verdachte te verkrijgen. Of dat het geval is, is afhankelijk van de omstandigheden zoals de duur, intensiteit, plaats en het doel van de observaties en de wijze waarop zij hebben plaatsgevonden. Indien dat niet het geval is, kan de met het observeren samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als zo beperkt worden beschouwd dat de algemene taakomschrijving van opsporingsambtenaren, neergelegd in artikel 3 van de Politiewet 2012 (hierna: Politiewet) en artikel 141 Sv daarvoor voldoende legitimatie bieden. Dit zal in het bijzonder het geval zijn indien de observaties slechts in een bepaald gebied en kortstondig worden uitgevoerd.

In verband met het opsporingsonderzoek is er kortstondig een camera geplaatst voor de woning waar verdachte verbleef, zo blijkt uit het dossier. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de camera er langer dan kortstondig heeft gehangen. Evenmin is gebleken dat er een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het leven van verdachte. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een stelselmatige observatie waarvoor een bevel ex artikel 126g Sv vereist is, zodat de rechtbank dit verweer van de raadsman verwerpt.

(iii) Achterhouden van ontlastend bewijs

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman heeft er een schending plaatsgevonden van het relevantiecriterium en artikel 126aa Sv doordat het Openbaar Ministerie heeft nagelaten ontlastend bewijsmateriaal aan het dossier toe te voegen. De raadsman verwijst daarbij naar het DNA-onderzoek en de resultaten voortkomend uit de inzet van diverse bijzondere opsporingsbevoegdheden (het opvragen van bezoekerslijsten en telefoongesprekken uit de penitentiaire inrichting). Deze stukken zijn pas gedeeltelijk aan het dossier toegevoegd nadat de raadsman daar om heeft verzocht en bevatten in de optiek van de raadsman ontlastend bewijs. Selectieve informatieverstrekking verdient een sanctie volgens de raadsman.

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie hadden de stukken eerder aan het dossier moeten worden toegevoegd, maar dient daaraan geen gevolg te worden verbonden.

Het oordeel van de rechtbank

Het Openbaar Ministerie is op grond van artikel 126aa Sv verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken en op grond van het relevantiecriterium moet worden beoordeeld wat tot de processtukken dient te worden gerekend. Het moet gaan om stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor enige door de rechtbank in de zaak tegen verdachte te nemen beslissing, zowel in ontlastende als in belastende zin.

Het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM, veronderstelt onder meer dat een verdachte kennis kan nemen van het volledige procesdossier en reële en effectieve mogelijkheden heeft om tegen het hem gemaakte verwijt in te brengen wat hij in het belang van zijn verdediging acht. Ook waar het gaat om de toegepaste methoden van opsporing en de resultaten van dat onderzoek dient de verdachte in de gelegenheid te zijn om deze te betwisten, zowel in materieel als in processueel opzicht. Dit betekent echter niet dat een verdachte een ongeclausuleerd recht heeft om de gebruikte opsporingsmethoden en verkregen onderzoeksresultaten te controleren.

Uit het dossier is gebleken dat uit het DNA-onderzoek geen bruikbare resultaten naar voren zijn gekomen en daarom kan er niet worden gesproken over ontlastend bewijs zoals door de raadsman is aangevoerd. Ten aanzien van de overige resultaten voortkomend uit de inzet van bijzonder opsporingsbevoegdheden is niet gebleken dat uit de bezoekerslijsten en/of de opgenomen gesprekken uit de penitentiaire inrichting resultaten naar voren zijn gekomen die voor het onderzoek van betekenis zijn geweest. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman dat sprake zou zijn van een vormverzuim.

(iv) Het informeren over ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie de informatieverplichtingen van de Wet Bijzondere Opsporingen heeft geschonden, in het bijzonder artikel 126bb Sv, door de verdediging niet te informeren over de ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden. Het nadeel dat verdachte hiervan ondervindt zit hem in het gevoel dat de overheid je in de gaten houdt en dient op zijn minst tot strafvermindering te leiden.

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie is hier geen sprake van een vormverzuim, omdat in het dossier de ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn opgenomen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 126bb Sv dient het Openbaar Ministerie schriftelijk mededeling te doen van de uitoefening van de bijzondere opsporingsbevoegdheden, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, uiterlijk na betekening van de dagvaarding. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging in dit geval tijdig is geïnformeerd over de ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden, zodat geen sprake is van een vormverzuim.

(v) Het opvragen van de opgenomen gesprekken in de PI

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de telefoongesprekken van verdachte in de penitentiaire inrichting zijn afgetapt zonder een machtiging daartoe van de rechter-commissaris. Het Openbaar Ministerie heeft op basis van artikel 126nd Sv gesprekken uit de penitentiaire inrichting opgevraagd nadat de termijn van de eerder gevorderde en verleende machtiging voor de tap die wel in het dossier zit, was verlopen. Dit dient volgens de raadsman op zijn minst te leiden tot strafvermindering.

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie is het een officiersbevoegdheid om de gesprekken uit de penitentiaire inrichting op te vragen. Deze gesprekken worden automatisch vastgelegd. Wel moet de officier van justitie hier geen oneigenlijk gebruik van maken, hetgeen in dit geval ook niet is gebeurd. Er is dus geen sprake van een vormverzuim.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de officier van justitie op grond van artikel 126nd Sv aan de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn opgenomen telefoongesprekken van verdachte in de periode van 1 januari 2024 tot en met 26 januari 2024 heeft opgevraagd. De eerder door de rechter-commissaris verleende machtiging ten aanzien van de tapperiode van 15 tot en met 28 december 2023 was toen verlopen. Op basis van artikel 126ng lid 2 Sv kan de officier van justitie gegevens vorderen van een aanbieder van communicatiediensten met betrekking tot gegevens van de verdachte, als daarvoor vooraf een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen. Dat een dergelijke machtiging in dit geval is gevorderd ná afloop van de eerdere machtiging, blijkt niet uit het dossier. Het Openbaar Ministerie heeft de gesprekken uit de periode 1 tot en met 26 januari 2024 onrechtmatig opgevraagd, zodat sprake is van een vormverzuim. De rechtbank concludeert dat kan worden volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim nu het nadeel dat verdachte hieraan zou hebben ondervonden niet nader is geconcretiseerd.

(vi) Doorzoeking telefoon schending Landeck-vereisten

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat voor het onderzoek aan de telefoon van verdachte sinds het Landeck-arrest een machtiging van de rechter-commissaris is vereist. Die is niet gevraagd en niet verstrekt. Dit dient tot bewijsuitsluiting te leiden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht niet aan de orde is omdat deze zaak ouder is dan het Landeck-arrest, zodat geen sprake is van een vormverzuim.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het arrest CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck (C-548/21) (ECLI:EU:C:2024:830) van 4 oktober 2024 volgt – kort gezegd – dat voor het onderzoek aan een telefoon in beginsel voorafgaande toestemming moet worden gegeven door een rechterlijke autoriteit. In navolging van dit Landeck-arrest heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:409) op 18 maart 2025 – kort weergegeven – overwogen dat een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist is als er met het onderzoek aan bijvoorbeeld een telefoon een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Zoals wanneer op voorhand te voorzien is dat inzicht zal worden verkregen in bijvoorbeeld foto’s op de telefoon.

Voor het uitlezen van onderhavige telefoon is geen voorafgaande toestemming van een rechter-commissaris afgegeven. In dat licht constateert de rechtbank dat er sprake is van een vormverzuim.

In lijn met eerdere rechtspraak van deze rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2025:3415) verbindt de rechtbank geen consequenties aan het geconstateerde vormverzuim, omdat met de uit het Landeck-arrest en het arrest van de Hoge Raad voortvloeiende verplichtingen in onderhavige zaak redelijkerwijs geen rekening kon worden gehouden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair aan verdachte ten laste gelegde, het medeplegen van het opzettelijke teweegbrengen van een ontploffing, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Twee mannen zijn betrokken geweest bij de explosie. Zij hebben gebruikt gemaakt van de auto die door verdachte is gehuurd. De telefoon van verdachte in de auto en de auto kunnen op de plaats delict worden geplaatst. Het kan daarom volgens de officier van justitie niet anders dan dat verdachte samen met een ander de explosie heeft veroorzaakt en dus bewust en nauw heeft samengewerkt. De verklaring die verdachte heeft gegeven als alternatief scenario kan terzijde worden geschoven, omdat deze is onderzocht door de politie en niet blijkt te kloppen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Er is geen sprake van medeplegen, omdat het dossier geen bewijs bevat voor een nauwe en bewuste samenwerking en uitvoeringshandelingen. De subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid kan ook niet worden bewezen, omdat er geen sprake is geweest van medeplichtigheid.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte bij deze ontploffing betrokken is geweest, als medepleger, of – subsidiair – als medeplichtige.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op woensdag 18 oktober 2023 rond 01.40 uur is een explosief tot ontploffing gebracht op het [adres portiek] in Amsterdam, bij de portiek van de flat horende bij de huisnummers [nummers] . Een van de melders verklaarde een harde knal te horen en zag vervolgens twee mannen in een rode Greenwheels auto wegrijden.

Uit onderzoek naar camerabeelden blijkt dat het gaat om een voertuig met kenteken [kenteken] . Uit de verstrekte gegevens volgt dat het voertuig op naam van verdachte was gehuurd.

Vervolgens zijn de GPS-gegevens van het voertuig gevorderd. Daaruit blijkt dat het voertuig op 17 oktober om 23:53:43 uur bij K+R Metro in Amsterdam Noord en om 00:01:07 aan het Buikslotermeerplein in Amsterdam noord was. Op 18 oktober 2023 om 01:30:31 bevond het voertuig zich aan de [adres] , dat om de hoek bij de [adres portiek] is. Om 01:45:49 uur was het voertuig in Lijnden en het is uiteindelijk op 18 oktober 2023 om 18:10:49 uur aan de Italiëlaan in Haarlem geparkeerd.

De verdachte heeft een telefoon met het telefoonnummer [nummer] . Uit onderzoek blijkt dat deze telefoon op 18 oktober 2023 om 01:03 gebruik heeft gemaakt van cell-id [cel-id] met locatie H. Cleyndertweg in Amsterdam-Noord. De telefoon van verdachte bevond zich derhalve op hetzelfde tijdstip in Amsterdam-Noord als de Greenwheels auto. Ook zijn er registraties van deze telefoon op een locatie op korte afstand van de plek waar de explosie heeft plaatsgevonden. Daarnaast is uit de historische verkeersgegevens gebleken dat geen registraties van de telefoon zichtbaar zijn tussen 01:11:05 uur en 02:40:55 uur, de periode waarbinnen de explosie heeft plaatsgevonden.

Op camerabeelden is te zien dat op 18 oktober 2023 tussen 17:47 uur en 17:52 uur de Greenwheels auto van de parkeerplaats in Haarlem wordt opgehaald door twee personen. Eén van deze personen wordt herkend als verdachte, de andere jongen als [naam andere jongen] .

Verdachte heeft verklaard dat hij de auto heeft uitgeleend en dat hij zijn telefoon in de auto heeft laten liggen. Hij heeft verklaard dat hij met de telefoon van zijn vader naar zijn eigen nummer heeft gebeld en dat later die vriend heeft teruggebeld naar het telefoonnummer van zijn vader. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij de jongen, [naam andere jongen] , waarmee hij de Greenwheels auto van de parkeerplaats heeft opgehaald pas een maand kent. De politie heeft de verklaring van verdachte op objectief verifieerbare feiten gecontroleerd waaruit blijkt dat zijn verklaring onjuist is. Er zijn op het telefoonnummer van verdachte geen inkomende gesprekken gevoerd met het telefoonnummer van zijn vader (nummer * [nummer] ). Van uitgaande gesprekken naar het nummer van vader is evenmin gebleken. Uit een registratie in de politiesystemen blijkt dat verdachte en [naam andere jongen] al eerder samen zijn gecontroleerd, in november 2022. etHHet alternatieve scenario van verdachte wordt hiermee door de bewijsmiddelen weerlegd, zodat de rechtbank deze terzijde schuift.

De rechtbank benadrukt dat medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer vast komt te staan dat er een voldoende nauwe en bewuste samenwerking was bij het plegen van het feit.

Op basis van de bewijsmiddelen is weliswaar betrokkenheid van verdachte bij de explosie vast te stellen, maar deze betrokkenheid is voor de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking rondom het teweegbrengen van de ontploffing. Daar bevat het dossier naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor. De verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde medeplegen worden vrijgesproken.

Wat betreft de vraag of de betrokkenheid van verdachte moet worden aangemerkt als medeplichtigheid merkt de rechtbank het volgende op.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte wel opzet gehad op het behulpzaam zijn bij het tot ontploffing brengen van het explosief bij de portiek van het [adres portiek] . Het huren van een Greenwheels auto op zijn naam, het daarmee midden in de nacht naar een portiek van een flat rijden, het direct daarna parkeren van de auto op een heel andere plek in Lijnden en het vervolgens samen met een ander ophalen van die auto een dag later zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm gedragingen die volgens de rechtbank niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans op het teweegbrengen van de ontploffing heeft aanvaard. Daarin weegt volgens de rechtbank ook mee dat in de zoekgeschiedenis op de telefoon van verdachte op 18 oktober vele keren gezocht is op verschillende zoektermen over een explosie in Amsterdam West, om 19.24 uur zelfs specifiek op de [adres portiek] .

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte als medeplichtige moet worden aangemerkt. Met zijn handelen is verdachte in ieder geval opzettelijk behulpzaam geweest bij het uitvoeren van de ontploffing.

Tot slot overweegt de rechtbank dat voor een bewezenverklaring van artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht slechts is vereist dat verdachte opzet had op het teweegbrengen van een ontploffing. Het opzet hoeft niet gericht geweest te zijn op het teweegbrengen van de gevolgen die in sub 1 tot en met 3 van het artikel worden genoemd. Uit de bewijsmiddelen moet volgen dat het gevaar te duchten was. Voorts moet worden beoordeeld of het te duchten gevaar naar algemene ervaringsregels redelijkerwijs voorzienbaar is geweest.

Dat er door de ontploffing aan het [adres portiek] gemeen gevaar voor goederen evenals levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, staat naar het oordeel van de rechtbank vast. De explosie vond plaats in de nachtelijke uren dat de meeste bewoners slapen, ook vlak naast de portiekdeur waar de explosie plaatsvond. De politie ter plaatse omschrijft dat zij vlammen van vijf meter hoog uit het pand zagen komen, die steeds meer om zich heen begonnen te slaan en ook steeds heftiger werden. De brandweer heeft de brand moeten blussen. Daarnaast hebben niet alleen de bewoners nabij de portiekdeur hun woning moeten verlaten, maar bewoners uit het gehele appartementencomplex. Uit het forensisch onderzoek op de plaats delict blijkt dat er door het plaatsen en exploderen van een geïmproviseerd explosief in de portiek scherprandige materialen in en om de portiek zijn aangetroffen, die een gevaar hadden kunnen zijn voor goederen en eventuele voorbijgangers. Door de explosie was er volgens het forensisch onderzoek levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten. Het risico dat de bewoners levensgevaarlijk gewond zouden raken door het explosief bij de portiekdeur, was naar het oordeel van de rechtbank dus aanwezig en ook redelijkerwijs voorzienbaar.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

medeverdachte op 18 oktober 2023 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een explosief, in elk geval een stuk zwaar vuurwerk, model Cobra in/tegen de portiek(deur) van de [adres portiek] te plaatsen en te ontsteken en tot ontploffing te brengen en daarvan

- gemeen gevaar voor de voornoemde portiek(deur) van de [adres portiek] en de in dat portiek aanwezige goederen en de bovengelegen/naastgelegen/omringende woningen/panden en de in die bovengelegen/naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige goederen en

- levensgevaar voor de in voornoemde portiek van de [adres portiek] aanwezige personen en de in de bovengelegen/naastgelegen/omringende woningen aanwezige personen en passerende voetgangers en

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in voornoemde portiek van de [adres portiek] aanwezige personen en/of de in de bovengelegen/naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige personen en/of passerende voetgangers te duchten was,

bij het plegen van welk misdrijf, hij, verdachte, op of omstreeks 18 oktober 2023 in Nederland, opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft door:

- die medeverdachte(n) naar de locatie te brengen waar het explosief tot ontploffing is gebracht en

- vervolgens die medeverdachte(n) weg te rijden na dat het explosief tot ontploffing is gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

7. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straffen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie vindt – in lijn met het advies van de reclassering – dat verdachte moet worden berecht volgens het jeugdstrafrecht (toepassing van het adolescentenstrafrecht).

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest, te weten 43 dagen. Daarnaast heeft de officier van justitie een voorwaardelijke jeugddetentie gevorderd voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van 2 jaren onder de algemene voorwaarden. Daarbij heeft de officier van justitie een werkstraf gevorderd voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie. De officier van justitie heeft bij haar strafeis rekening gehouden met de forse overschrijding van de redelijke termijn en acht geslagen op een tussentijdse veroordeling op grond van artikel 63 van het wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank toch tot een veroordeling komt, heeft de verdediging verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen. De raadsman verzoekt om het scala aan vormverzuimen in het voordeel van verdachte mee te wegen in de strafmaat. Tot slot verzoekt de raadsman om geen onvoorwaardelijke jeugddetentie, langer dan het voorarrest, aan verdachte op te leggen, nu hij is ingebed in het juiste zorgcircuit.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit, te weten medeplichtigheid aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij de toegangsdeur van een appartementencomplex. Van de ontploffing was levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen en gemeen gevaar voor goederen te vrezen. Door de ontploffing is een brand met vlammen van zo’n 5 meter hoog ontstaan die door de brandweer moest worden geblust. Op het moment dat deze ontploffing plaatsvond, waren veel bewoners thuis aan het slapen, waaronder een baby. Dat de impact van deze gebeurtenis op het leven van de bewoners groot is, blijkt uit hetgeen mevrouw [naam] ter zitting heeft verklaard. Deze incidenten leiden tot grote maatschappelijke onrust en een toename van gevoelens van onveiligheid, niet alleen bij de directe slachtoffers, maar ook in de samenleving als geheel.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij met zijn handelen heeft bijgedragen aan deze ernstige gevolgen voor de bewoners van het appartementencomplex en aan de bredere maatschappelijke onrust die wordt veroorzaakt door explosies als de onderhavige.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van 18 december 2025 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld voor een dergelijk feit als een explosie.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het door reclasseringswerker

mevrouw M. Knippers opgestelde adviesrapport van Reclassering Nederland van

19 december 2025. Hierin wordt, zakelijk weergegeven, gerapporteerd dat verdachte is gediagnosticeerd met een licht verstandelijke beperking, wat hem vatbaar maakt voor negatieve beïnvloeding. Verdachte is hierdoor niet goed in staat om de risico’s en gevolgen van zijn gedrag en handelen in te schatten. Dit maakt hem kwetsbaar voor beïnvloeding door negatieve contacten. Dit is ook een risicofactor voor recidive. Daar staat tegenover dat verdachte op dit moment goed is ingebed in het juiste zorgcircuit. Een straffend kader is niet altijd helpend bij verdachte, zodat de reclassering adviseert geen bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Het recidiverisico heeft de reclassering niet kunnen inschatten, omdat zij verdachte niet hebben kunnen spreken daar hij niet reageerde op oproepen van de reclassering. Bij een eventuele veroordeling acht de reclassering het recidiverisico laag tot gemiddeld.

Op grond van deze omstandigheden is geadviseerd om verdachte te berechten volgens het jeugdstrafrecht. Er zijn geen contra-indicaties en belemmerende factoren voor het uitvoeren van een werkstraf. Bij een vrijheidsstraf zal de in gang gezette noodzakelijke hulpverlening worden gestagneerd.

Toepassing jeugdstrafrecht

Verdachte was ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit net 19 jaar oud. Voor een jongvolwassen verdachte onder de 23 jaar kan ook het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of in de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd die daartoe aanleiding geven.

In navolging van reclassering ziet de rechtbank ruimte voor pedagogische beïnvloeding bij verdachte. De rechtbank geeft daarom toepassing aan het jeugdstrafrecht.

Strafmaat

De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS oriëntatiepunten voor straftoemeting.

Alle hiervoor genoemde omstandigheden afwegende, is de rechtbank van oordeel dat de ernst van het feit in beginsel een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigt waarvan de duur langer is dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Vanwege de persoon van de verdachte en het overschrijden van de redelijke termijn met tien maanden ziet de rechtbank echter aanleiding om de op te leggen jeugddetentie gelijk te stellen aan de tijd die verdachte al heeft vastgezeten. De rechtbank volgt de officier van justitie daarmee in haar eis om aan verdachte een jeugddetentie op te leggen voor de duur van 43 dagen, met aftrek van voorarrest. Dit betekent dat verdachte niet terug hoeft naar de justitiële jeugdinrichting.

Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank geen voorwaardelijke jeugddetentie aan verdachte opleggen gezien de gegeven adviezen. Verdachte heeft zich sinds dit voorval blijkens zijn strafblad niet nog eens schuldig gemaakt aan een soortgelijk feit. Daarnaast is gebleken dat verdachte voldoende noodzakelijk zorg krijgt waarvan hij zelf ook zegt dat hij daar baat bij heeft. Daarom zie de rechtbank, in lijn met het reclasseringsadvies, geen grond voor het opleggen van bijzondere voorwaarden.

Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank het van belang dat verdachte naast de tijd die hij heeft vastgezeten nog een consequentie ervaart van zijn handelen en zal daarom conform de strafeis van de officier van justitie een taakstraf in de vorm van een werkstraf aan verdachte opleggen. De rechtbank zal aan verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf ook acht geslagen op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De benadeelde partij

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam]

De benadeelde partij [naam] heeft namens de vereniging van eigenaren ‘ [naam appartement] ’ van de appartementen aan de [adres portiek] een schriftelijke vordering tot schadevergoeding ingediend van in totaal € 141.000,-, bestaande uit € 123.000,- aan materiële schade en € 18.000,- aan immateriële schade.

Ter zitting heeft de benadeelde partij toegelicht dat een bedrag van € 15.000,- aan materiële schade resteert dat niet door de verzekering wordt gedekt. De benadeelde partij wijzigt haar vordering dan ook in die zin dat de materiële schade bestaat uit een bedrag van € 15.000,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. De vordering ten aanzien van de immateriële schade dient te worden afgewezen, nu een rechtspersoon geen vordering tot immateriële schade kan indienen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft naar voren gebracht dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De vordering is onvoldoende onderbouwd en er is geen immateriële schade geleden door de vereniging van eigenaren namens wie de vordering benadeelde partij is ingediend.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De benadeelde partij heeft aangevoerd dat door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De verdediging heeft de vordering inhoudelijk betwist. Hoewel aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden, is de rechtbank van oordeel dat de omvang hiervan onvoldoende is onderbouwd. Er zijn geen concrete bewijsstukken overgelegd ten aanzien van de gestelde schade. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De behandeling van de vordering levert voor dit deel dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in het materiële deel van de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel een rechtspersoon zich als benadeelde partij kan voegen en materiële schade die als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit is geleden kan vorderen, is dat anders ten aanzien van immateriële schade. Een immateriële schadevergoeding als bedoeld in

artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek betreft een persoonlijk recht dat alleen aan natuurlijke personen toekomt. Een vereniging van eigenaren kan dus geen aanspraak maken op immateriële schadevergoeding. De rechtbank zal het verzoek tot immateriële schadevergoeding dan ook afwijzen.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 48, 63, 77a, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

12. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing:

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 43 (drieënveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren.

Beveelt dat, als de verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Vordering tot schadevergoeding

Bepaalt dat de benadeelde partij vereniging van eigenaren ‘de [naam appartement] ’ ten aanzien van de materiële schadevergoeding in de vordering niet-ontvankelijk is.

Wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij vereniging van eigenaren ‘de [naam appartement] ’ af.

Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moet worden.

Voorlopige hechtenis

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.H.E. van der Pol, voorzitter,

mrs. B. Kuppens en J. Langer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Bien, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.H.E. van der Pol

Griffier

  • mr. S. Bien

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?