RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-330195-25
Datum uitspraak: 26 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 17 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 november 2025 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats],
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen, ondanks dat hij op grond van de gestelde voorwaarden bij de schorsing van zijn overleveringsdetentie daartoe verplicht was. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. J. Michels, advocaat in Oldenzaal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen. De raadsman heeft medegedeeld dat de opgeëiste persoon in Spanje is om bij de geboorte van zijn kind aanwezig te zijn. De rechtbank beschikt echter niet over objectieve stukken waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk in Spanje is. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat de opgeëiste persoon zich niet langer in Nederland bevindt en acht om die reden het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vordering.
4. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsmandaat bij verstek, afgeleverd door een onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge op 7 november 2025.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
5. Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De raadsman heeft op de zitting meegedeeld dat de opgeëiste persoon zich beroept op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers zijn belangen (grotendeels) in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Het Parket van de procureur des Konings West-Vlaanderen, Afdeling Brugge Internationale Rechtshulp heeft op 6 januari 2026 de volgende garantie - voor zover van belang - gegeven:
“(…) Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu TER BRAAK Federico Jeronimo An.
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/J BZ). (…)”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In het bijzonder zijn de voorbereidingshandelingen in Nederland gepleegd. Deze omstandigheid samen met het subsidiariteitbeginsel en het beginsel van een goede rechtsbedeling maakt dat de overlevering dient te worden geweigerd. Het is immers in het belang van de opgeëiste persoon dat zijn vervolging in Nederland plaatsvindt. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, hij woont in Nederland en het is in zijn belang om de verdediging in zijn eigen taal te kunnen voeren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW niet van toepassing is, omdat het feit geheel in België is gepleegd. Dat het feit mogelijk is Nederland zou zijn voorbereid, doet daar niet aan af. Subsidiair, voor het geval de rechtbank dit anders zou zien, kan worden afgezien van de weigeringsgrond nu het onderzoek in België heeft plaatsgevonden, het bewijs zich daar bevindt en het Openbaar Ministerie de opgeëiste persoon niet wenst te vervolgen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat blijkens de omschrijving in onderdeel e) van het EAB het feit waarvan de opgeëiste persoon wordt beschuldigd geheel in België is gepleegd. De weigeringsgrond van artikel 13 OLW is daarom niet van toepassing. Het verweer van de raadsman slaagt om die reden niet.
8. Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat op dit moment een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.
Bij brief van 7 januari 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie betreffende de opgeëiste persoon gegeven:
“ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Ieper indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentie-omstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de garantie niet voldoende waarborgen biedt, gelet op de door hem overgelegde nieuwsberichten. Uit deze nieuwsberichten blijkt dat de Belgische vakbonden de alarmbel luiden over de problemen in de Belgische detentie-instellingen. Een deel van de overgelegde stukken ziet op de detentie-instelling in Brugge, waarbij de raadsman heeft betoogd dat de omstandigheden in Ieper niet beter zijn. De raadsman heeft van Belgische collega’s vernomen dat de detentiegarantie in de praktijk niet wordt nageleefd. Hij heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om meer concrete toezeggingen en waarborgen van de uitvaardigende justitiële autoriteit te krijgen dat de opgeëiste persoon niet zal worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling. De raadsman heeft in dat verband verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 8 januari 2026, waarin de behandeling van een zaak is aangehouden om nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden in een andere Belgische detentie-instelling.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar een eerdere uitspraak in 2025 van deze rechtbank ten aanzien van dezelfde detentie-instelling - op het standpunt gesteld dat de door de Belgische autoriteiten gegeven detentiegarantie voldoende is. De overgelegde krantenartikelen kunnen niet worden aangemerkt als objectieve gegevens. Ook de bron, de Belgische vakbond, kan niet worden aangemerkt als een objectieve bron. Zo deze berichten als objectief zouden kunnen worden aangemerkt, dan zien zij op het al vastgestelde algemene gevaar. Er is een detentiegarantie afgegeven om dit algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie.
De rechtbank is, gelet op de individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden).
De nieuwsberichten die de raadsman heeft overgelegd, leiden niet tot een ander oordeel. Deze nieuwsberichten bevestigen het eerder door deze rechtbank vastgestelde algemene gevaar dat gedetineerden in België worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Juist vanwege dat algemene gevaar heeft de rechtbank, alvorens de overlevering kan worden toegestaan, een individuele detentiegarantie nodig waarmee het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank uitgaan van de informatie en de garanties die door de Belgische autoriteiten worden gegeven. Dat neemt echter niet weg dat de rechtbank gegronde reden kan hebben om te twijfelen of de garanties nog wel (kunnen) worden nagekomen en daarom aanvullende vragen zal moeten stellen aan de Belgische autoriteiten. De door de raadsman overgelegde nieuwsberichten zijn daartoe echter onvoldoende, omdat die artikelen niet aangemerkt kunnen worden als objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens zoals bedoeld in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De enkele mededeling van de raadsman dat hij van Belgische collega’s heeft gehoord dat verstrekte detentiegaranties niet altijd worden nageleefd, is daartoe eveneens onvoldoende. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden en nadere vragen te stellen en verwerpt het verweer van de raadsman. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon, dan ook af.
9. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
10. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
11. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.