RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12091116 \ CV FORM 26-1558
Beschikking van 26 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [woonplaats] (Zuid-Korea),
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
KLM ROYAL DUTCH AIRLINES,
te Amstelveen,
verwerende partij,
hierna te noemen: KLM.
1. De procedure
In het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen (Verordening (EG) nr. 861/2007, hierna: EPGV-Verordening) heeft [verzoeker] een vordering ingesteld, ontvangen op 29 januari 2026.
2. De feiten
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
Artikel 4 lid 1 van de EPGV-Verordening bepaalt dat de Europese procedure voor geringe vorderingen wordt ingeleid doordat de eiser het standaardvorderingsformulier A van bijlage I bij deze verordening invult en indient bij het bevoegde gerecht.
[verzoeker] heeft een stuk met de kop “Form A – Application for A European Small Claims Procedure (Regulation (EC) no 861/2007)” ingediend, maar dit stuk is niet het bedoelde vorderingsformulier A. Er bestaat geen aanleiding [verzoeker] in de gelegenheid te stellen het bedoelde vorderingsformulier A in te dienen in verband met het navolgende.
De EPGV-Verordening is alleen van toepassing op zaken die “grensoverschrijdend” zijn. In artikel 3 lid 1 EPGV-Verordening is bepaald dat onder grensoverschrijdende zaak wordt verstaan, een zaak waarin ten minste een van de partijen haar woonplaats of haar
gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat van de Europese Unie dan de lidstaat van het aangezochte gerecht.
[verzoeker] heeft woonplaats in Zuid-Korea. Dat land is geen lid van de Europese Unie. De EPGV-Verordening is bedoeld om de goede werking van de interne markt van de Europese Unie te bevorderen. Als een partij niet woont of gevestigd is in een lidstaat van de Europese Unie kan geen beroep worden gedaan op de EPGV-Verordening.
Omdat [verzoeker] niet woont in een lidstaat van de Europese Unie, wordt vooralsnog geoordeeld dat geen sprake is van een grensoverschrijdende zaak als bedoeld in artikel 3 lid 1 EPGV-Verordening. Het verzoek valt daarmee buiten het toepassingsbereik van de EPGV-Verordening.
Artikel 4 lid 3 van de EPGV-Verordening schrijft dan voor dat het gerecht de eiser ervan op de hoogte stelt dat de vordering buiten het toepassingsgebied van deze verordening valt en dat deze procedure dan, tenzij eiser de vordering intrekt, door het gerecht zal worden behandeld overeenkomstig het procesrecht dat geldt in de lidstaat waar de procedure wordt gevoerd.
Gelet op het voorgaande wordt [verzoeker] in de gelegenheid gesteld te reageren:
op de omstandigheid dat [verzoeker] woonplaats heeft in Zuid-Korea, terwijl een vordering op grond van de EPGV-Verordening alleen mogelijk is als beide partijen hun woonplaats of gewone verblijfplaats hebben in een lidstaat van de Europese Unie,
of [verzoeker] hierin aanleiding ziet de vordering in te trekken dan wel wenst dat de procedure wordt omgezet in een zogenoemde Nederlandse dagvaardingsprocedure. [verzoeker] zal dan contact moeten opnemen met een Nederlandse gerechtsdeurwaarder om de dagvaarding (de oproep) aan KLM te laten betekenen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
stelt [verzoeker] in de gelegenheid binnen 30 dagen na ontvangst van deze beschikking te reageren op hetgeen onder 2.8. is overwogen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Otten en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
33806