RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-265565-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 26 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 19 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 augustus 2025 door de Sąd Okręgowy w Piotrkowie Trybunalskim (Piotrków Trybunalski Regional Court), Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
verblijvende op het adres [verblijfadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. W.M. van Poll officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Piotrków Trybunalski District Court van 26 maart 2025, referentienummer II K 6/25
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De straf resteert volgens het EAB nog volledig. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen.
Uit het EAB en de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen. Op de door het Openbaar Ministerie (OM) gestelde vraag of de opgeëiste persoon daarbij is meegedeeld dat de procedure in haar afwezigheid kan worden gevoerd, is geen concreet antwoord gekomen. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon is gewezen op haar verplichting om adreswijzigingen door te geven en dat deze verplichting geldt voor alle procedures en zittingen. In het antwoord staat echter niet dat haar is meegedeeld dat zij buiten haar aanwezigheid kan worden veroordeeld. De behandeling van de zaak dient te worden aangehouden om hier alsnog duidelijkheid over te verkrijgen. De oproep voor de zitting zou zijn verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Dat is het adres van haar grootouders. De opgeëiste persoon heeft gesteld dat haar grootouders geen oproep hebben ontvangen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Uit de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon door de politie is verhoord. Zij heeft toen een adres opgegeven. Aan haar is vervolgens een adresinstructie overhandigd. De oproep voor de zitting is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Uit, onder meer, de uitspraken van deze rechtbank van 24 december 2025 en 30 december 2025 blijkt dat de adresinstructie zich uitstrekt over de gehele procedure. De opgeëiste persoon wist dat er een procedure liep en heeft nagelaten zich op de hoogte te stellen van de stand van zaken daarvan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
In onderdeel D) van het EAB is onder meer vermeld dat de oproep voor de zitting naar het huisadres van de opgeëiste persoon is gezonden waarbij twee keer een afhaalbericht is achtergelaten. Voorts is vermeld dat zij op 24 oktober 2024 op de hoogte is geraakt van de tegen haar bestaande beschuldiging (‘familiarized herself with the order to present charges’).
Naar aanleiding van vragen van het OM heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op
12 januari 2026 aanvullende informatie verstrekt. Daarin staat dat de opgeëiste persoon op
24 oktober 2024 tijdens het vooronderzoek door de politie is verhoord. Zij is toen gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft deze adresinstructie ondertekend. Zij heeft een adres opgegeven waar correspondentie van onder meer de rechtbank naar toe gestuurd kon worden. Uit de aanvullende informatie van 12 januari 2026 blijkt ook dat de oproep voor de zitting van 26 maart 2025 die tot de beslissing heeft geleid, is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. De rechtbank gaat op grond van het vertrouwensbeginsel ervan uit dat deze verstrekte informatie juist is. De enkele ontkenning daarvan door de opgeëiste persoon is onvoldoende om aan die informatie te twijfelen. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen haar op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is zij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot haar bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Het betoog van de raadsman dat op de vraag van het OM of de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek is meegedeeld dat de procedure in haar afwezigheid kan worden gevoerd geen antwoord is gekomen, leidt niet tot een ander oordeel. De opgeëiste persoon was immers op de hoogte van de procedure en de oproeping is verstuurd naar het door haar verstrekte adres, zodat zij gebruik had kunnen maken van haar verdedigingsrechten. De rechtbank ziet daarom geen reden om hierover nadere vragen te stellen en wijst het verzoek van de raadsman om aanhouding van de zaak af.
5. Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
6. Artikel 11 OLW artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heef aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy w Piotrkowie Trybunalskim (Piotrków Trybunalski Regional Court), Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.