ECLI:NL:RBAMS:2026:2134

ECLI:NL:RBAMS:2026:2134

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 02-03-2026
Zaaknummer C/13/697614 / HA ZA 21-186
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Mededingingsrecht. Drempel voor verwijzing naar schadestaatprocedure. Vervolg op vonnis van 22 februari 2023 waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJEU (ECLI:NL:RBAMS:2023:1242). HvJEU heeft de vragen bij arrest van 19 september 2024 beantwoord (ECLI:EU:C:2024:764). Door Booking.com gehanteerde pariteitsclausules zijn geen toegelaten ‘nevenrestricties’. HvJEU heeft duidelijk heeft gemaakt hoe de relevante markt moet worden afgebakend bij onlinehotelreserveringsplatform. Rechtbank is niet gebonden aan beslissing Duitse mededingingsautoriteit autoriteit (en rechters) waarin is vastgesteld dat pariteitsclausules inbreuk op artikel 101 VWEU vormen. Rechtbank oordeelt dat de Duitse mededingingsautoriteit en rechters onvoldoende rekening hebben gehouden met de substitueerbaarheid van hotelreserveringsplatforms met andere verkoopkanalen vanuit het perspectief van de reiziger. Rechtbank moet relevante markt zelf afbakenen. Zal deskundige benoemen. Verwijzing naar schadestaatprocedure: hotels moeten eerst nader toe te lichten dat de mogelijkheid dat zij (ieder voor zich, afzonderlijk) schade hebben geleden, aannemelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

13 ELEAZAR NOVUM GMBH,

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/697614 / HA ZA 21-186

Vonnis van 4 maart 2026

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOOKING.COM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

BOOKING.COM (DEUTSCHLAND) GMBH,

gevestigd te Berlijn (Duitsland),

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

hierna samen te noemen: Booking.com,

advocaat: mr. J.K. de Pree,

tegen

de rechtspersonen naar buitenlands recht

1. 25HOURS HOTEL COMPANY BERLIN GMBH,

gevestigd te Berlijn (Duitsland),2. ALETTO KUDAMM GMBH,

gevestigd te Berlijn (Duitsland),3. AIR- HOTEL WARTBURG TAGUNGS- & SPORTHOTEL GMBH,

gevestigd te Düsseldorf (Duitsland),4. ANDEL'S BERLIN HOTELBETRIEBS GMBH,

gevestigd te Berlijn (Duitsland),5. ANGLETERRE HOTEL GMBH & CO. KG,

gevestigd te Berlijn (Duitsland),6. ATRIUM HOTELGESELLSCHAFT MBH,

gevestigd te München (Duitsland),7. AZIMUT HOTELBETRIEB KÖLN GMBH & CO. KG,

gevestigd te Köln (Duitsland),8. BARCELO COLOGNE GMBH,

gevestigd te Hamburg (Duitsland),9. BUSINESS HOTELS GMBH,

gevestigd te Köln (Duitsland),10. COCOON MÜNCHEN GMBH,

gevestigd te München (Duitsland),11. DJC OPERATIONS GMBH,

gevestigd te Köln (Duitsland),12. DORINT GMBH,

gevestigd te Köln (Duitsland),

gevestigd te Hamburg (Duitsland),14. EMPIRE RIVERSIDE HOTEL GMBH & CO. KG,

gevestigd te Hamburg (Duitsland),15. EXPLORER HOTEL FISCHEN GMBH & CO. KG,

gevestigd te Fischen (Duitsland),16. EXPLORER HOTEL NESSELWANG GMBH & CO. KG,

gevestigd te Nesselwang (Duitsland),17. EXPLORER HOTEL SCHÖNAU GMBH & CO. KG,

gevestigd te Schönau a. Königssee (Duitsland),18. FLEMING'S HOTEL MANAGEMENT UND SERVICEGESELLSCHAFT,

gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),19. G. STÜRZER GMBH HOTELBETRIEBE,

gevestigd te München (Duitsland),20. HOTEL BELLEVUE DRESDEN BETRIEBS GMBH,

gevestigd te Köln (Duitsland),21. HOTEL EUROPÄISCHER HOF W.A.L. BERK GMBH & CO. KG,

gevestigd te Hamburg (Duitsland),22. HOTEL HAFEN HAMBURG WILHELM BARTELS GMBH & CO. KG,

gevestigd te Hamburg (Duitsland),23. HOTEL JOHN F GMBH,

gevestigd te Berlijn (Duitsland),24. HOTEL OBERMÜHLE GMBH,

gevestigd te Garmisch-Partenkirchen (Duitsland),25. HOTEL ONYX GMBH,

gevestigd te Hamburg (Duitsland),

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

hierna samen te noemen: de hotels,

advocaat: mr. J.T. Verheij.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 februari 2023 waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ);

- de conclusie van Advocaat-Generaal A.M. Collins van 6 juni 2024;

- het arrest van het HvJ van 19 september 2024 (hierna: het arrest van het HvJ);

- de beschikking van het HvJ van 30 januari 2025 ter rectificatie van het arrest van 19 september 2024;

- de conclusie over de uitspraak van het HvJEU van Booking.com met producties 38 t/m 41;

- de antwoord-conclusie na arrest EU Hof van de hotels met producties 68 t/m 76;- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 juli 2025 met de daarin genoemde stukken.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

De rechtbank verwijst voor de feiten en de weergave van de vorderingen naar de tussenvonnissen van 26 oktober 2022 (hierna: het eerste tussenvonnis) en 22 februari 2023 (hierna: het tweede tussenvonnis). Waar nodig worden de feiten in dit vonnis verder aangevuld.

Pariteitsclausules zijn geen toegelaten nevenrestrictie

In het tweede tussenvonnis heeft de rechtbank het HvJ de vraag voorgelegd of de brede en smalle pariteitsclausules in het kader van artikel 101 lid 1 VWEU zijn aan te merken als een nevenrestrictie. Volgens het HvJ is dat niet het geval. Het antwoord is, voor zover van belang, in het arrest als volgt uitgewerkt:

“(…)

59 In de eerste plaats blijkt de in casu aan de orde zijnde primaire transactie, namelijk de verlening van onlinehotelreserveringsdiensten door platformen als Booking.com, een neutraal of zelfs positief effect op de mededinging te hebben gehad. (…)

60 In de tweede plaats is daarentegen niet aangetoond dat de prijspariteitsclausules objectief noodzakelijk zijn voor het verwezenlijken van deze primaire transactie en evenredig zijn aan het daarmee nagestreefde doel.

61 In dit verband blijken de brede pariteitsclausules, op grond waarvan het de partnerhotels die op het reserveringsplatform staan vermeld verboden is om op hun eigen verkoopkanalen of op door derden geëxploiteerde verkoopkanalen kamers aan te bieden tegen een lagere prijs dan die welke op dat platform wordt aangeboden, niet objectief noodzakelijk voor de primaire transactie van onlinehotelreserveringsdiensten noch evenredig aan het daarmee nagestreefde doel.

62 In de omstandigheden van het hoofdgeding geldt hetzelfde voor de smalle pariteitsclausules, op grond waarvan het de partneraccommodaties enkel verboden is om op hun eigen onlinekanalen overnachtingen aan te bieden tegen een lager tarief dan het tarief dat wordt aangeboden op het hotelreserveringsplatform. Hoewel laatstgenoemde clausules op het eerste gezicht minder beperkend zijn voor de mededinging en bedoeld zijn om het risico op meeliftgedrag aan te pakken waarnaar onder meer Booking.com in het hoofdgeding heeft verwezen, blijken zij niet objectief noodzakelijk om de economische levensvatbaarheid van het hotelreserveringsplatform te verzekeren.

(…)

75 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat de pariteitsclausules – zowel de brede als de smalle – die worden gebruikt in de overeenkomsten tussen onlinehotelreserveringsplatformen en accommodaties, geen nevenrestricties bij die overeenkomsten vormen en dus niet buiten de toepassing van die bepaling vallen.

(…)”.

Het HvJ heeft hiermee duidelijk gemaakt dat de door Booking.com gehanteerde pariteitsclausules geen toegelaten nevenrestricties vormen, zodat deze niet buiten het bereik van artikel 101 lid 1 VWEU vallen. Booking.com heeft daarin aanleiding gezien in deze procedure niet langer het verweer te voeren dat de pariteitsclausules naar hun aard buiten het bereik van de mededingingsregels vallen. Dit verweer hoeft dus niet meer te worden beoordeeld.

De toets aan artikel 101 lid 1 VWEU

Dat de pariteitsclausules niet kunnen worden aangemerkt als een nevenrestrictie, en niet om die reden buiten het verbod van artikel 101 lid 1 VWEU vallen, betekent niet dat – dus – sprake is van verboden bedingen. Daarvan is (alleen) sprake als de pariteitsclausules (i) als doel hebben de mededinging te beperken of (ii) de mededinging merkbaar beperken, steeds in de zin van artikel 101 lid 1 VWEU en het daarmee vergelijkbare artikel 1 van het Gesetz gegen Wettbewerbsbeschränkungen (hierna: GWB).

In het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank al overwogen dat voorbij wordt gegaan aan het betoog van de hotels (i) dat de pariteitsclausules als doel hebben de mededinging te beperken (zie rechtsoverweging 4.38). Dat betekent dat moet worden onderzocht (ii) of de afspraken een (merkbare) beperking van de mededinging tot gevolg hebben.

De besluiten en uitspraken in de Duitse procedures

Ter onderbouwing van hun stelling dat de pariteitsclausules een ontoelaatbare inbreuk vormen op artikel 101 lid 1 VWEU en daarmee onrechtmatig zijn, verwijzen de hotels in de eerste plaats naar de besluiten en uitspraken in Duitsland in de zaak tegen HRS (zie rechtsoverweging 2.4 van het eerste tussenvonnis) en tegen Booking.com (rechtsoverweging 2.5 t/m 2.9 van het eerste tussenvonnis). De hotels hebben zich beroepen op de dwingende bewijskracht van artikel 33b GWB.

In het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 4.39 t/m 4.43 overwogen dat – kort gezegd – naar Nederlands IPR artikel 33b GWB een bepaling van formeel bewijsrecht is waardoor de besluiten van het Bundeskartellamt (hierna: BKartA) en het Oberlandesgericht Düsseldorf (hierna: OLG Düsseldorf) in de HRS zaak en van het Bundesgerichtshof (hierna: BGH) van 18 mei 2021 in de Booking.com-zaak ‘slechts’ vrije bewijskracht hebben. De hotels hebben de rechtbank verzocht van deze beslissing terug te komen gelet op het arrest van het HvJ in de zaak Repsol van 20 april 2023 en het vonnis van 6 december 2023 van deze rechtbank in de zaak Macedonian Thrace Brewery tegen Heineken. De hotels hebben aangevoerd dat het HvJ in de Repsol-zaak, anders dan de rechtbank in het eerste tussenvonnis, heeft overwogen dat artikel 9 van de Kartelschaderichtlijn van materieel recht is. Artikel 33b GWB, dat de implementatie is van artikel 9 van de Kartelschaderichtlijn, is daarmee ook van materieel recht zodat de rechtbank zich gebonden moet achten aan het oordeel van zowel het BKartA als de Duitse rechters aangezien sprake is van een onweerlegbaar wettelijk vermoeden. De hotels wijzen ter verdere onderbouwing op de hiervoor genoemde zaak tegen Heineken, waarin de rechtbank zich met dezelfde redenering gebonden heeft geacht aan het besluit van de Griekse mededingingsautoriteit.

De rechtbank volgt de hotels niet in het betoog dat het besluit van het BKartA en de beslissingen van de Duitse rechters in deze procedure een onweerlegbaar vermoeden van een inbreuk op het mededingingsrecht vormen. Bij dat oordeel is het volgende van belang.

Artikel 9 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn luidt als volgt:

“De lidstaten zorgen ervoor dat indien in een andere lidstaat een definitieve beslissing in de zin van lid 1 is genomen deze definitieve beslissing overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels voor hun nationale rechterlijke instanties tenminste kan worden gebruikt als een prima facie bewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan, en naar gelang het geval, naast eventueel ander door de partijen aangevoerd bewijsmateriaal kan worden beoordeeld.”

Zoals de rechtbank in het eerste tussenvonnis heeft overwogen (zie rechtsoverweging 4.42) heeft de Nederlandse wetgever bij de implementatie van de Kartelschaderichtlijn overwogen dat beslissingen van buitenlandse mededingingsautoriteiten vrije bewijskracht hebben, reden waarom artikel 9 niet in de Nederlandse wetgeving is omgezet. De Nederlandse rechter die wordt geconfronteerd met een (definitieve) inbreukbeslissing uit een andere lidstaat kan deze dan ook als prima facie bewijs beschouwen en tegenbewijs toelaten. Dit is in overeenstemming met de tekst van artikel 9 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn. De rechtbank vindt ook steun voor dit oordeel in de conclusie van AG Collins bij het arrest van het HvJ en in het arrest zelf. De AG overweegt in randnummer 29 onder verwijzing naar artikel 9 lid 2:

“De verwijzende rechter is derhalve niet gebonden aan de vaststellingen in het Booking.com-besluit, het HRS-besluit of de daaropvolgende uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties”.

In randnummer 39 overweegt het HvJ:

“Hieruit volgt dat de verwijzende rechter, gesteld al dat bij hem daadwerkelijk een schadevordering aanhangig is gemaakt die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt, hetgeen hij dient uit te maken, niet noodzakelijkerwijs gebonden is door de besluiten van het Bundeskartellamt of de daaropvolgende beslissingen van de Duitse rechterlijke instanties in verband met de prijspariteitsclausules. (…)”.

De conclusie van AG Collins en het arrest van het HvJ bevatten ook aanwijzingen over hoe de rechtbank de Duitse besluiten en uitspraken in deze procedure moet waarderen. In dat verband is relevant wat de AG schrijft in overweging 44 van zijn conclusie:

“44 Ingevolge artikel 9, lid 2, van richtlijn 2014/104 moet de verwijzende rechter het Booking.com-besluit en de daaropvolgende uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties ten minste opvatten als prima facie bewijs dat de smalle prijspariteitsclausules inbreuk maken op het mededingingsrecht. De verwijzende rechter kan ook het HRS-besluit, dat niet tot Booking.com gericht was, en de latere uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties met betrekking tot dat besluit, in aanmerking nemen als “eventueel ander door de partijen aangevoerd bewijsmateriaal” om te bepalen of de brede prijspariteitsclausules van Booking.com inbreuk maakten op het mededingingsrecht. De verwijzende rechter is niet gebonden aan definitieve beslissingen die in een andere lidstaat zijn vastgesteld indien die beslissingen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting of een kennelijke beoordelingsfout, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.”

In het arrest van het HvJ staat verder:

“89 Hoewel de beoordelingen van het Bundeskartellamt en de beroepsinstanties in Duitsland over de afbakening van de relevante productmarkt voor de toepassing van verordening nr. 330/2010 strikt genomen geen verband houden met definitieve beslissingen tot vaststelling van een inbreuk op het mededingingsrecht, die overeenkomstig artikel 9, lid 2, van richtlijn 2014/104, voor de nationale rechterlijke instanties op zijn minst als prima-faciebewijs van een inbreuk kunnen worden voorgelegd, neemt dit niet weg dat die beoordelingen, wanneer zij dezelfde geografische markt betreffen, een uiterst relevant contextueel gegeven vormen.”

Dit alles leidt tot de conclusie dat er geen aanleiding is terug te komen van het oordeel dat voor de beoordeling van dit geschil artikel 33b GWB buiten toepassing blijft. Anders dan in het eerste tussenvonnis is overwogen, is de reden daarvoor echter niet gelegen in de waardering van artikel 9 van de Kartelschaderichtlijn en artikel 33b GWB als bepalingen van formeel bewijsrecht, maar in de toepassing van het Unierecht. In zoverre bestaat wel aanleiding om terug te komen van de daarmee verband houdende overwegingen in het eerste tussenvonnis.

Wat ligt (nog) ter beoordeling voor

De rechtbank dient te beoordelen of sprake is van een inbreuk op het mededingingsrecht. Daarbij geldt het besluit van het BKartA, zoals bevestigd door het BGH, voor zover dat betrekking heeft op de vastgestelde inbreuk, als prima facie bewijs. Voor het overige gelden de overwegingen van het BKartA, wanneer zij dezelfde geografische markt betreffen, als een uiterst relevant contextueel gegeven. Zowel bij de toets aan lid 1 als bij de beoordeling van de vraag of Booking.com een beroep toekomt op een (individuele of Groeps-)vrijstelling in het kader van lid 3 van artikel 101 VWEU, moet het marktaandeel van Booking.com op de relevante (geografische en product-)markt worden bepaald. Indien de rechtbank vaststelt dat Booking.com een beroep toekomt op de Groepsvrijstelling onder lid 3, kan een toets aan het eerste lid van artikel 101 achterwege blijven.

Om te kunnen bepalen of Booking.com gebruik kan maken van de Groepsvrijstelling, moet het marktaandeel van Booking.com worden bepaald. Om het marktaandeel te kunnen bepalen moet eerst de relevante markt worden afgebakend. Bij de afbakening van de markt is ook de relevante periode van belang, die de rechtbank in het eerste tussenvonnis heeft vastgesteld op de periode van 1 januari 2013 tot 1 februari 2016. In dit verband is van belang dat de hotels tijdens de mondelinge behandeling van 1 juli 2025 de rechtbank hebben verzocht om terug te komen van de bindende eindbeslissing over de verjaring. Op dat verzoek komt de rechtbank later in dit vonnis terug (zie 2.46 e.v.). Op deze plaats wordt ermee volstaan dat, indien de rechtbank beslist de hotels hierin te volgen, de relevante periode opnieuw zal moeten worden vastgesteld.

Bij de marktafbakening moet worden gekeken naar de geografische markt en de relevante productmarkt. De geografische markt betreft, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van partijen, de markt in Duitsland. Over het afbakenen van de relevante productmarkt heeft de rechtbank in het tweede tussenvonnis een prejudiciële vraag gesteld.

Als Booking.com geen gebruik kan maken van de Groepsvrijstelling, kan het verbod van lid 1 alsnog buiten toepassing worden verklaard indien is voldaan aan de voorwaarden voor een individuele vrijstelling (zie rechtsoverweging 4.30 van het eerste tussenvonnis). In dat geval moet wel eerst worden onderzocht of sprake is van een door het eerste lid verboden beding.

De relevante productmarkt

Partijen verschillen van mening over de juiste afbakening van de relevante productmarkt. Volgens de hotels is de relevante markt die van hotelreserveringsplatforms (ook wel OTA’s genoemd). Volgens Booking.com is de markt breder en wordt deze gevormd door alle distributiekanalen voor kamers in hotels en andere accommodaties, inclusief de eigen website van de accommodaties.

Het HvJ heeft de vraag van de rechtbank hoe de relevante productmarkt moet worden afgebakend in een situatie waarin een hotelreserveringsplatform bemiddelt bij transacties tussen accommodaties en consumenten als volgt beantwoord:

“82. Wat de productmarkt betreft (…) blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het begrip „relevante markt” inhoudt dat het tussen de van die markt deel uitmakende producten of diensten tot daadwerkelijke mededinging kan komen, hetgeen veronderstelt dat alle producten of diensten die deel uitmaken van een en dezelfde markt, elkaar voor hetzelfde gebruik in voldoende mate kunnen substitueren. Het onderzoek of producten of diensten onderling verwisselbaar of substitueerbaar zijn, mag niet alleen uitgaan van de objectieve kenmerken van de betrokken producten of diensten. Daarbij moeten eveneens de mededingingsomstandigheden en de structuur van vraag en aanbod op de markt in aanmerking worden genomen (…).

84. In dit verband staat in punt 95 van de in punt 81 van het onderhavige arrest genoemde herziene bekendmaking te lezen dat in het geval van multi-sided platforms een relevante productmarkt kan worden afgebakend voor de producten die het platform als geheel aanbiedt, op een wijze die alle (of meerdere) groepen gebruikers omvat; ook kunnen in dat geval afzonderlijke (hoewel onderling verbonden) relevante productmarkten worden afgebakend voor de producten die aan elke zijde van het platform worden aangeboden. Afhankelijk van de feiten in de zaak kan het meer aangewezen zijn om afzonderlijke markten af te bakenen wanneer er tussen de verschillende zijden van het platform aanzienlijke verschillen in de substitutiemogelijkheden zijn. Om na te gaan of er sprake is van dergelijke verschillen, kunnen factoren in aanmerking worden genomen zoals de vraag of het verschillende ondernemingen zijn die substitueerbare producten voor elke groep gebruikers aanbieden, de mate van productdifferentiatie aan elke zijde (of de perceptie daarover bij elke groep gebruikers), gedragsfactoren zoals de homing-keuzen van elke gebruikersgroep en de aard van het platform.

85. Om voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 330/2010 het marktaandeel van Booking.com als aanbieder van onlinetussenhandelsdiensten aan accommodaties te bepalen, moet dus worden onderzocht of andere soorten tussenhandelsdiensten en andere verkoopkanalen daarmee substitueerbaar zijn uit het oogpunt van de vraag naar die diensten van enerzijds de accommodaties en anderzijds de eindklanten.

86. Om de relevante markt te bepalen, moet de verwijzende rechter dus nagaan of de onlinetussenhandelsdiensten en andere verkoopkanalen daadwerkelijk onderling substitueerbaar zijn, ongeacht of deze kanalen verschillende kenmerken vertonen en niet dezelfde zoek- en vergelijkingsfuncties voor hotelaanbiedingen hebben.

87. Daarbij dient de verwijzende rechter rekening te houden met alle informatie die hem is voorgelegd. (…)

(…)

90. Het staat niettemin aan de verwijzende rechter om uit te maken of een dergelijke afbakening van de markt waarbij uit het oogpunt van zowel de accommodaties als de eindklanten rekening wordt gehouden met de bijzondere kenmerken van de „contractdiensten” die de OTA’s aanbieden, enige analysefout bevat of op onjuiste vaststellingen berust.

91. Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat in een situatie waarin een onlinehotelreserveringsplatform bemiddelt bij transacties tussen accommodaties en consumenten, de afbakening van de relevante markt voor de toepassing van de in die bepaling neergelegde marktaandeeldrempels vereist dat concreet wordt onderzocht of de onlinetussenhandelsdiensten en de andere verkoopkanalen substitueerbaar zijn uit het oogpunt van vraag en aanbod.”

Het BKartA heeft in de Booking-zaak, net als in de HRS-zaak, de relevante productmarkt smal afgebakend, als de markt voor hotelreserveringsplatforms. Booking.com is tegen dat oordeel niet in beroep gegaan en het BGH heeft in het arrest van 18 mei 2021 deze marktafbakening zonder inhoudelijke motivering overgenomen. Zoals hiervoor (zie 2.11) is overwogen, vormt hetgeen in de Duitse procedures is overwogen over de marktafbakening in deze procedure een “uiterst relevant contextueel gegeven”. Overeenkomstig rechtsoverweging 90 van het arrest van het HvJ is het “niettemin aan de verwijzende rechter om uit te maken of een dergelijke afbakening van de markt waarbij uit het oogpunt van zowel de accommodaties als de eindklanten rekening wordt gehouden met de bijzondere kenmerken van de “contractdiensten” die de OTA’s aanbieden, enige analysefout bevat of op onjuiste vaststellingen berust”.

De hotels onderbouwen hun stelling dat de relevante markt die van hotelreserveringsplatforms (OTA’s) is met een verwijzing naar (de markafbakening in) het besluit van het BKartA, zoals bevestigd door het BGH. Booking.com betwist dat de afbakening door het BKartA juist is. Het is aan Booking.com om eventuele analysefouten of onjuiste vaststellingen aan te wijzen en gemotiveerd te onderbouwen. Booking.com heeft in dat verband aangevoerd dat de Duitse mededingingsautoriteit en (hoger)beroepsinstanties in strijd met het arrest van het HvJ tot uitgangspunt hebben genomen dat voor de marktafbakening in geval van een meerzijdig platform alleen het perspectief van de accommodaties relevant is. Booking.com heeft ook aangevoerd dat in de Duitse procedures het oordeel over de marktafbakening niet op concrete, economische gegevens is gebaseerd. Het oordeel is volgens Booking.com daarentegen nagenoeg geheel gebaseerd op de gedachte dat internetplatforms die zoek-, vergelijk- en boekfuncties bieden vanwege deze specifieke producteigenschappen niet substitueerbaar zijn met andere distributiekanalen voor hotelkamers.

De rechtbank overweegt dat Booking.com terecht aanvoert dat bij het afbakenen van de relevante markt niet alleen het perspectief van de accommodaties relevant is, maar ook dat van de reizigers. Dat volgt uit de citaten uit het arrest van het HvJ, zoals hiervoor opgenomen (zie 2.18). Daarnaast is in dit verband van belang, zoals Booking.com ook terecht aanvoert, dat de onlinetussenhandelsdiensten en andere verkoopkanalen onderling substitueerbaar kunnen zijn, ook als deze kanalen verschillende kenmerken vertonen en niet dezelfde zoek- en vergelijkingsfuncties voor hotelaanbiedingen hebben (overeenkomstig rechtsoverweging 86 van het arrest van het HvJ).

Anders dan Booking.com leest de rechtbank in het besluit van het BKartA niet dat bij de afbakening van de relevante markt uitsluitend het perspectief van de accommodaties is betrokken. In randnummer 141 overweegt het BKartA dat zij, anders dan in de HRS-zaak, uitdrukkelijk open laat of bij het bepalen van de relevante markt alleen het perspectief van de partij die voor de diensten betaalt (de accommodaties) moet worden betrokken. Het BKartA onderkent in randnummers 140 tot en met 142 dat, hoe groter het aanbod van accommodaties is op het online reserveringsplatform, hoe aantrekkelijker dat platform is voor reizigers en omgekeerd. Deze zogenaamde indirecte netwerkeffecten kunnen van invloed zijn op de beoordeling van de substitueerbaarheid, niet alleen vanuit de accommodatie bezien, maar ook vanuit het oogpunt van de reiziger. Dat wordt expliciet benoemd in randnummer 142 (“Das Fehlen ausreichend starker indirekter Netzwerkeffekte kann die Attraktivität des Konkurrenzprodukts so herabmindern, dass es für den Kunden keine vergleichbare Alternative darstellt”). Ook overigens, zoals in randnummer 138, betrekt het BKartA het gedrag van de reiziger in de marktafbakening.

Dat volgens het BKartA vanuit het perspectief van de reiziger de zoek-, vergelijk- en boekfuncties relevant zijn, betekent niet zonder meer dat zij het oordeel over de marktafbakening nagenoeg geheel op die functies heeft gebaseerd. Het BKartA stelt in randoverweging 137 juist de bemiddelingsdiensten die Booking.com verleent aan accommodaties voorop en ziet de zoek-, vergelijk- en boekfuncties als daarvan afgeleide diensten voor de reizigers (“eine Nebenleistung der Hotelportale zu dieser Vermittlungsdienstleistung”). Onder randnummer 143 en verder overweegt het BKartA dat en waarom andere kanalen niet tot de relevante markt behoren.

Wat het BKartA niet, althans niet kenbaar, in de beoordeling heeft betrokken, is of vanuit het perspectief van de reiziger andere verkoopkanalen, zoals het directe verkoopkanaal van een accommodatie, een substituut vormen voor het hotelreserveringsplatform van Booking.com. In zoverre volgt de rechtbank hetgeen Booking.com daarover heeft aangevoerd.

Al met al lijkt het BKartA bij de marktafbakening dus wel het perspectief van de reiziger te hebben betrokken, maar niet, althans onvoldoende kenbaar, de substitueerbaarheid van hotelreserveringsplatforms met andere verkoopkanalen vanuit dat perspectief. Dat had gelet op het arrest van het HvJ wel gemoeten en in zoverre berusten de Duitse uitspraken in de Booking.com zaak op een analysefout en/of onjuiste vaststellingen. Dat betekent dat de rechtbank, voor zover het gaat om de overwegingen over de marktafbakening, deze uitspraken niet als een “uiterst relevant contextueel gegeven” in haar beoordeling hoeft te betrekken. De rechtbank zal zelf de relevante productmarkt moeten afbakenen, waarbij zij (zoals het HvJ in rechtsoverweging 87 heeft overwogen) rekening moet houden met alle informatie die aan haar is voorgelegd.

In dat verband zijn de uitspraken van de Franse, Italiaanse, Zweedse en Tsjechische autoriteiten van belang, waarin zij, net als het BKartA, de markt smal hebben afgebakend als de markt voor hotelreserveringsplatforms. Daarbij valt op dat in Zweden geen debat lijkt te zijn gevoerd over de vraag of andere verkoopkanalen vanuit het perspectief van de reiziger een substituut vormen voor hotelreserveringsplatforms. Die vraag lijkt in de Tsjechische en Italiaanse zaak ook niet aan de orde te zijn geweest. En ook in de Franse zaak wordt de vraag naar substituten voor hotelreserveringsplatforms alleen benaderd vanuit het perspectief van de hotels.

Recenter heeft ook de Europese Commissie in een besluit van 25 september 2023 in de zaak Booking Holdings/Etraveli Group de markt smal afgebakend. De Europese Commissie heeft in dat verband onderzoek gedaan en conclusies getrokken ten aanzien van vragen die ook bij de marktafbakening in de onderhavige procedure relevant zijn. De Commissie heeft netwerkeffecten in haar onderzoek betrokken, waarbij ook het perspectief van de reiziger is meegewogen. Anders dan in de hiervoor genoemde buitenlandse uitspraken heeft de Commissie, onder verwijzing naar diverse onderzoeken, gemotiveerd waarom het directe verkoopkanaal van hotels niet tot dezelfde markt behoort. De conclusies uit het besluit zijn evenwel niet zonder meer toepasbaar op de onderhavige zaak. Nog daargelaten dat Booking.com tegen dit besluit beroep heeft ingesteld, ging het in de zaak Etraveli (i) om de beoordeling van een concentratie en ziet de marktafbakening (ii) op een andere relevante periode en (iii) ander geografisch gebied (de hele EER).

De Spaanse mededingingsautoriteit heeft tot slot in een besluit van 29 juli 2024 in een zaak tegen Booking.com de door de Commissie gemaakte marktafbakening onderschreven. De Spaanse autoriteit betrekt evenwel uitdrukkelijk niet het perspectief van de reiziger in de beoordeling van de relevante markt. Dat lijkt gelet op het arrest van het HvJ niet juist.

Verder is van belang dat Booking.com heeft gewezen op het door haar overgelegde rapport van Oxera van 20 juni 2025 (hierna: het tweede Oxera rapport) waarin Oxera uiteen heeft gezet dat een aanpassing tussen de 5% en 10% in de prijs van een hotelkamer nodig is om tussen de 56% en 71% van de klanten van Booking.com te laten overstappen naar het directe verkoopkanaal van accommodaties. Uit dit rapport zou met andere woorden kunnen worden afgeleid dat andere verkoopkanalen vanuit het oogpunt van de reiziger substituten zijn voor het platform van Booking.com. Andere aanwijzingen hoe de markt moet worden afgebakend vanuit het perspectief van zowel de accommodaties als de reiziger zijn niet aan de rechtbank voorgelegd.

Voorlopige conclusie afbakening relevante productmarkt

Het HvJ heeft in randnummer 80 van het arrest overwogen dat de afbakening van de markt grotendeels afhangt van een grondig feitelijk onderzoek door de nationale rechter. De rechtbank stelt op basis van hetgeen door partijen naar voren is gebracht en hetgeen hiervoor is overwogen vast dat zij over te weinig informatie beschikt om te kunnen vaststellen hoe de relevante productmarkt moet worden afgebakend. De rechtbank heeft daarom behoefte aan voorlichting door een deskundige. De deskundige zal moeten onderzoeken of andere soorten tussenhandelsdiensten en andere verkoopkanalen substitueerbaar zijn (althans waren op de relevante geografische – Duitse – markt in de relevante periode) met de onlinetussenhandelsdiensten die Booking.com aanbiedt vanuit het oogpunt van de vraag naar die diensten van enerzijds de accommodaties en anderzijds de eindklanten. Het gaat om de vraag of de onlinetussenhandelsdiensten en de andere verkoopkanalen daadwerkelijk onderling substitueerbaar zijn, ongeacht of deze kanalen verschillende kenmerken vertonen en niet dezelfde zoek- en vergelijkingsfuncties voor hotelaanbiedingen hebben. De deskundige zal daarbij rekening moeten houden met de mededingingsvoorwaarden en de structuur van vraag en aanbod op de betrokken markt en zal zijn onderzoek moeten verrichten aan de hand van concrete, economische gegevens.

Wat betekent dit voor de verdere procedure?

Marktaandeel Booking.com

Na het deskundigenbericht zal de rechtbank (gehoord partijen) de relevante productmarkt moeten vaststellen, waarna het marktaandeel van Booking.com op die markt (wederom gehoord partijen) zal moeten worden bepaald.

Groepsvrijstelling

In rechtsoverweging 4.51 van het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat de brede en smalle pariteitsclausules niet zijn aan te merken als hard core restricties in de zin van artikel 4 van de Groepsvrijstelling. Dat betekent dat, indien komt vast te staan dat het marktaandeel van Booking.com op de aldus vastgestelde relevante productmarkt gedurende de relevante periode geringer was dan 30%, Booking.com een beroep toekomt op de Groepsvrijstelling. Anders dan in rechtsoverweging 4.51 van het eerste tussenvonnis is overwogen, geldt dat voor zowel de brede als de smalle pariteitsclausule. De verwijzing naar artikel 5 lid 1 sub d van de nieuwe Groepsvrijstelling is in deze zaak niet relevant, aangezien de nieuwe Groepsvrijstelling temporeel niet van toepassing is. In zoverre komt de rechtbank terug van hetgeen in rechtsoverweging 4.51 van het eerste tussenvonnis is overwogen ten aanzien van de brede pariteitsclausule. Dat betekent dat, indien Booking.com kan profiteren van de Groepsvrijstelling, zowel de brede als de smalle pariteitsclausule wordt vrijgesteld van het verbod van artikel 101 lid 1 VWEU.

Indien het marktaandeel van Booking.com op de relevante markt voor de gehele of een deel van de relevante periode groter was dan 30%, kan zij zich niet beroepen op de Groepsvrijstelling. In dat geval moet eerst worden onderzocht of de pariteitsclausules de mededinging op de relevante markt merkbaar beperken als bedoeld in het eerste lid van artikel 101 VWEU. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden onderzocht of de bedingen in aanmerking komen voor een individuele vrijstelling als bedoeld in het derde lid.

Indien het marktaandeel van Booking.com groter was dan 30%, moet dus worden vastgesteld welk effect de bedingen in de relevante periode op de relevante markt hebben gehad.

Mededingingsbeperkend effect smalle pariteitsclausule

De rechtbank zal nu ingaan op de vraag of de smalle pariteitsclausule, die werd gebruikt vanaf 1 juli 2015 tot 1 februari 2016, een merkbaar effect heeft gehad op de mededinging.

De hotels worden niet gevolgd in hun betoog dat uit rechtsoverweging 62 van het arrest van het HvJ volgt dat het HvJ heeft vastgesteld dat de pariteitsclausules “duidelijk aanzienlijke beperkende gevolgen hebben”. Deze overweging in het arrest rechtvaardigt niet een dergelijke conclusie. In de eerste plaats is deze overweging gedaan in de context van de toets of sprake is van een toegelaten nevenrestrictie. Bovendien vergt een dergelijke verstrekkende conclusie (als die als zodanig bedoeld zou zijn) een gedegen onderzoek naar effecten op de betrokken markt (die nog niet is vastgesteld) en behoeft een en ander een deugdelijke motivering. Wat de beperkende gevolgen zouden zijn wordt in de uitspraak helemaal niet benoemd. Dat smalle pariteitsclausules beperkende gevolgen hebben kan bovendien in het algemeen niet worden gezegd, gelet op het feit dat de Commissie in de nieuwe Groepsvrijstelling smalle pariteitsclausules van het verbod heeft vrijgesteld, indien deze verordening gelet op de marktaandeelgrens van toepassing is.

De smalle pariteitsclausule was onderdeel van de Duitse Booking.com procedure die is geëindigd met het arrest van het BGH van 18 mei 2021. In dat arrest heeft het BGH het besluit van het BKartA van 22 december 2015 bevestigd dat deze clausule de mededinging merkbaar beperkte in de zin van artikel 101 lid 1 VWEU. Waar het BKartA heeft overwogen dat dit geldt voor zowel de markt voor hotelreserveringsplatforms als voor de markt voor distributie van hotelkamers, volstaat het BGH met het oordeel dat sprake is van een beperking van de mededinging op die laatste markt. Of (ook) sprake is van een mededingingsbeperking op de markt voor hotelreserveringsplatforms wordt door het BGH in het midden gelaten. Het mededingingsbeperkend effect wordt volgens het BGH versterkt doordat andere hotelreserveringsplatforms ook pariteitsclausules gebruiken.

Deze vaststellingen hebben in de onderhavige procedure overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn te gelden als tenminste prima faciebewijs van een inbreuk. Verwezen wordt naar de randnummers 28 en 29 van de conclusie van AG Collins bij het arrest en de overwegingen in randnummers 38 tot en met 40 en 89 van het arrest van het HvJ (zoals hiervoor onder 2.8-2.12 nader toegelicht). Dat betekent dat de rechtbank niet zonder meer is gebonden aan de vaststellingen in de Duitse procedures, tegenbewijs staat open.

Booking.com heeft betwist dat de (smalle) pariteitsclausule een merkbaar effect heeft gehad op de mededinging. Zij heeft onder meer verwezen naar het eerste Oxera rapport en aangevoerd dat tussen de 50% en 80% van de accommodaties in deze procedure gedurende de relevante periode en daarna geen prijspariteit bood, ongeacht of zij waren gebonden aan een (brede of smalle) pariteitsclausule. Booking.com heeft er ook op gewezen dat ten tijde van het onderzoek van het BKartA de smalle pariteitsverplichting nog gold. Voor de beoordeling van het effect op de mededinging, diende het BKartA dus een vergelijking te maken van de situatie waarin de smalle pariteitsclausule gold met de hypothetische situatie die zou hebben gegolden zonder die clausule.

De rechtbank moet de overwegingen van het BKartA dan ook in dat kader bezien. Het BKartA heeft onder meer overwogen dat accommodaties wel met prijzen op verschillende verkoopkanalen wilden differentiëren, maar dat niet deden omdat zij gebonden waren aan een smalle pariteitsclausule. De aanname die het BKartA in dit verband heeft gedaan is dat, in de hypothetische situatie zonder smalle pariteitsclausule, de accommodaties wel aan prijsdifferentiatie zouden doen.

Het BGH heeft bevestigd dat accommodaties die gebonden waren aan een smalle pariteitsclausule geen prijsdifferentiatie toepasten op verschillende hotelreserveringsplatforms. Het BGH verwijst in het arrest naar een (in opdracht van Booking.com verricht) onderzoek van RBB Economics, waaruit het afleidt dat van ongeveer 40% van de accommodaties die waren gebonden aan een smalle pariteitsverplichting werd aangenomen dat zij op een hotelreserveringsplatform prijzen aanboden die afweken (hoger of lager) van de prijs op Booking.com. Uitgaande van deze aanname maakte ongeveer 60% van de accommodaties dus geen gebruik van de mogelijkheid van prijsdifferentiatie via verschillende platforms, maar een groot deel (40%) wel. Volgens het BGH werden accommodaties die gehouden waren aan een smalle pariteitsclausule geremd in het differentiëren met prijzen op verschillende platforms aangezien dat een negatief effect zou hebben op verkopen via het eigen online verkoopkanaal (waar de prijs niet lager mocht zijn dan op het platform van Booking.com). Dit onderzoek van RBB dateert van voor de afschaffing van de (smalle) pariteitsclausule. Op het moment dat het BGH over de zaak oordeelde, waren de pariteitsclausules evenwel afgeschaft. In zoverre was sprake van een andere marktsituatie dan ten tijde van het besluit van het BKartA (en het onderzoek van RBB), en kon worden vastgesteld welk effect het afschaffen van de pariteitsclausules daadwerkelijk had.

Het BGH verwijst in het arrest op verschillende plaatsen naar het nadere onderzoek dat is verricht door het BKartA op verzoek van het OLG Düsseldorf. Dit onderzoek betreft de periode van 2013 tot en met juni 2017, en ziet dus gedeeltelijk op de periode na afschaffing van de pariteitsclausules. Het BGH overweegt onder meer dat volgens het OLG Düsseldorf uit het nadere onderzoek van het BKartA blijkt dat sinds de afschaffing van de brede pariteitsclausules 72% van de hotels die real-time online boekingen aanboden betere prijzen of voorwaarden boden via deze kanalen dan via Booking.com. Van de hotels die een dergelijke service niet aanboden, bood nog altijd 47% betere prijzen of voorwaarden via de eigen website. Dit zou er dus op kunnen duiden dat afschaffing van de brede pariteit (waarna de smalle pariteit gold) wel heeft geleid tot het hanteren van verschillende prijzen via verschillende verkoopkanalen. Deze constatering wijkt af van de vaststelling van het BKartA in het besluit van 22 december 2015 en de conclusie van het BGH dat de hotels die gebonden waren aan een smalle pariteitsverplichting niet daadwerkelijk verschillende prijzen hanteerden. Dat roept vragen op.

Wat verder opvalt is dat het BGH uit het nadere onderzoek van het BKartA afleidt dat de overgrote meerderheid van de hotels na afschaffing van de smalle pariteitsclausule significant betere (dat wil zeggen vijf tot tien procent goedkopere) prijzen en/of boekingsvoorwaarden aanbiedt op hun eigen website. Hotels die hun prijzen nog niet hebben aangepast, stellen dat zij van plan zijn dat in de toekomst te gaan doen. Aan de andere kant blijkt uit het nadere onderzoek dat na begin 2016 (na afschaffing van de smalle pariteitsclausule) 99% van de reizigers die een hotel (voor het eerst) op het platform van Booking.com vonden, de boeking ook via dat platform heeft gemaakt. Bij volgende boekingen, in welke gevallen de reiziger bekend was met het hotel, boekte nog steeds 44,35% via het platform van Booking.com. Ook een aanzienlijk aandeel van de reizigers bleef kennelijk gebruik maken van het platform van Booking.com, terwijl de prijzen op de eigen website van de accommodatie in veel gevallen lager lagen. Ook stelt het BGH op basis van het nadere onderzoek van het BKartA vast dat de marktpositie van Booking.com op basis van omzet, marktaandeel, boekingsvolumes, aantal hotelpartners en aantal hotellocaties in Duitsland na afschaffing van de pariteitsclausules verder is versterkt en niet verzwakt.

De vraag rijst in hoeverre sprake is van een daadwerkelijk effect op de mededinging als inderdaad juist is dat grote aantallen reizigers ook zonder pariteit kiezen voor een boeking via het platform van Booking.com. Daarbij komt dat, zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, niet alleen volgens Booking.com maar ook volgens de hotels, na afschaffing van de smalle pariteitsclausule de mededinging op de markt niet merkbaar is veranderd. Die constatering doet ook de Zweedse Patent and Market Court of Appeal in de uitspraak van 9 mei 2019 over de smalle pariteitsclausule van Booking.com. Daarin wordt overwogen dat te verwachten valt dat de afschaffing van de smalle pariteit in Duitsland (en Frankrijk) effect zou hebben op de prijzen voor hotelkamers, commissies en mogelijkheden voor nieuwe hotelreserveringsplatforms om de markt te betreden, maar dat dergelijke effecten niet zijn gebleken. Tot slot is in dit verband van belang dat Booking.com er onbetwist op heeft gewezen dat de commissies die Booking.com vraagt voor haar diensten na afschaffing van de pariteit gelijk zijn gebleven. Dit zou betekenen dat de afschaffing van de smalle pariteitsclausule niet heeft geleid tot concurrentie tussen hotelreserveringsplatforms op commissies, hetgeen wel de verwachting was van het BKartA. Ook Oxera wijst er in haar eerste rapport op dat afschaffing van de smalle pariteit geen effect heeft gehad op de commissies of op de structuur van de markt.

Tussenconclusie – hotels moeten/mogen nader bewijs leveren

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Booking.com voldoende twijfel heeft gezaaid over het prima facie vaststaande bewijs dat de smalle pariteitsclausule een merkbare inbreuk op de mededinging heeft gevormd. Dat betekent dat de hotels ter onderbouwing van hun betoog dat dit wél het geval is, niet kunnen volstaan met een verwijzing naar het besluit van het BKartA (zoals bevestigd door het BGH). De hotels zullen dan ook nader bewijs moeten leveren van die stelling, waarbij dus ook (zoals hiervoor is besproken) de relevante productmarkt zal moeten worden afgebakend (waarvoor voorlichting door een deskundige nodig is). De hotels zullen worden toegelaten tot het leveren van dit (nadere) bewijs.

Mededingingsbeperkend effect brede pariteitsclausule

In het geval dat komt vast te staan dat de smalle pariteitsclausule de mededinging merkbaar heeft beperkt, ligt het voor de hand dat dit ook geldt voor de brede pariteitsclausule. Die clausule beperkte de vrijheid van hotels om hun eigen prijzen te bepalen in nog sterkere mate dan de smalle pariteitsclausule. Dit is echter niet noodzakelijkerwijs het geval, alleen al omdat de brede pariteitsclausule gold gedurende een andere periode (met mogelijk andere marktomstandigheden) dan de smalle pariteitsclausule.

Ook in het geval dat niet komt vast te staan dat de smalle pariteitsclausule de mededinging merkbaar heeft beperkt, dient nog te worden beoordeeld of en in hoeverre de brede pariteitsclausule heeft geleid tot een merkbare beperking van de mededinging. Ook hier rust de bewijslast op de hotels en zij zullen in de gelegenheid worden gesteld hiervan (nader) bewijs te leveren.

Verjaring

De hotels hebben de rechtbank op de mondelinge behandeling van 1 juli 2025 gevraagd om terug te komen van de beslissing over verjaring in het eerste tussenvonnis. Onder verwijzing naar het arrest van het HvJ van 22 juni 2022 in de zaak Volvo en DAF Trucks NV tegen RM betogen de hotels dat verjaringstermijnen die gelden voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht pas kunnen ingaan wanneer de inbreuk is beëindigd. De (gestelde) inbreuk is in dit geval op zijn vroegst begin 2016 beëindigd en de verjaringstermijn is pas eind 2016 ingegaan. Voor 31 december 2021 konden de vorderingen van de hotels dus niet zijn verjaard. Zoals volgt uit het arrest van het HvJ van 18 april 2024 in de zaak Google/Heureka, is de voorwaarde dat de inbreuk moet zijn beëindigd bedoeld om een afschrikwekkend effect te sorteren en de inbreukpleger ertoe aan te zetten om sneller een einde te maken aan de inbreuk. Uit deze arresten van het HvJ volgt volgens de hotels daarom dat, ongeacht bekendheid van de hotels met de inbreuk, de verjaringstermijn niet kon ingaan voordat Booking.com haar inbreuk op zijn vroegst in 2016 beëindigde.

Met de arresten in de zaken RM/Volvo en Google/Heureka heeft het HvJ nadere invulling gegeven aan het verjaringsleerstuk van schadevorderingen wegens een inbreuk op het Europese mededingingsrecht. Onder meer is met deze arresten duidelijk geworden dat uit het doeltreffendheidsbeginsel volgt dat een nationale regeling waarin is vastgelegd vanaf welke datum de verjaringstermijn gaat lopen en hoe lang en onder welke voorwaarden de schorsing of stuiting ervan plaatsvindt, afgestemd moet zijn op het specifieke karakter van het mededingingsrecht. Dat geldt zelfs vóór de datum waarop de termijn voor omzetting van de Kartelschaderichtlijn is verstreken. Het HvJ heeft in de Google/Heureka zaak overwogen dat het vereiste dat de verjaringstermijn niet begint te lopen voordat de betrokken inbreuk is beëindigd, noodzakelijk is om de benadeelde in staat te stellen het bestaan, de omvang en de duur van de inbreuk, de omvang van de door de inbreuk veroorzaakte schade en het oorzakelijke verband tussen die schade en die inbreuk vast te stellen en te bewijzen, zodat hij daadwerkelijk in staat is om zijn uit de artikelen 101 en 102 VWEU voortvloeiende recht om volledige vergoeding te vorderen uit te oefenen.

Tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen in de rechtspraak is de rechtbank voornemens terug te komen van de bindende eindbeslissing over de verjaring. Voordat de rechtbank daarover een definitieve beslissing neemt, zal Booking.com in de gelegenheid worden gesteld zich hierover bij akte nader uit te laten. De hotels hebben hun verzoek immers niet eerder dan tijdens de mondelinge behandeling van 1 juli 2025 gedaan, waardoor Booking.com onvoldoende gelegenheid heeft gehad daar inhoudelijk op te reageren. De rechtbank verzoekt Booking.com in haar reactie tevens in te gaan op de recente uitspraak van het HvJ in de zaak CP/Nissan.

De drempel voor verwijzing naar de schadestaat

Indien wordt vastgesteld dat de brede en/of de smalle pariteitsclausule een mededingingsbeperkend effect heeft gehad, komt de rechtbank toe aan de vraag of de vordering van de hotels tot verwijzing naar de schadestaatprocedure kan worden toegewezen.

Tijdens de mondelinge behandeling van 1 juli 2025 is aan de orde geweest dat het debat hierover nog niet volledig is gevoerd. De hotels hebben nog onvoldoende gelegenheid gehad om te reageren op hoofdstuk 5 van de conclusie van antwoord in reconventie van Booking.com, waarin uitvoerig is betwist dat die vordering van de hotels kan worden toegewezen. Voordat verder wordt geprocedeerd, zal – zoals ook door partijen is onderkend – eerst moeten worden vastgesteld dat de procesrechtelijke “Nederlandse drempel” voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is gehaald, dat wil zeggen dat aannemelijk is dat naar materieel Duits recht mogelijk schade is geleden. Als dat niet het geval is, hebben noch de hotels noch Booking.com immers belang (in de zin van artikel 3:303 BW) bij hun (overige) vorderingen. Daarom zullen de hotels allereerst in de gelegenheid worden gesteld om, in het licht van de gemotiveerde betwisting van Booking.com, nader toe te lichten dat de mogelijkheid dat zij (ieder voor zich, afzonderlijk) schade hebben geleden, aannemelijk is. Daarna krijgt Booking.com de gelegenheid hierop te reageren.

Hoe verder?

Zoals hiervoor is overwogen, zal eerst duidelijkheid moeten komen over het volgende: (i) of de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gehaald en (ii) of de rechtbank moet terugkomen van haar bindende eindbeslissing over verjaring.

Dit betekent dat de zaak zal worden verwezen naar de rol over zes (6) weken voor (eerst) een akte aan de zijde van de hotels waarin zij – per hotel – (nader) onderbouwen dat de mogelijkheid dat zij schade hebben geleden als gevolg van het gebruik van de (brede en smalle) pariteitsclausules door Booking.com aannemelijk is.

Desgewenst mogen de hotels ook nog ingaan op het onderwerp verjaring.

De hotels moeten (mogen) er in hun akte (om proceseconomische redenen) evenwel vanuit gaan dat de rechtbank terugkomt van haar beslissing over verjaring (zoals hiervoor overwogen onder 2.48; zie ook onder 2.14).

Vervolgens zal Booking.com op een termijn van zes (6) weken bij (antwoord)akte mogen reageren op de akte van de hotels. Booking.com krijgt in die akte ook de gelegenheid te reageren op het voornemen van de rechtbank om terug te komen van haar beslissing over de verjaring en in dat verband de recente uitspraak van het HvJ in de zaak CP/Nissan (zie hiervoor onder 2.46-2.48).

Na deze aktewisseling zal de zaak op een termijn van zes (6) weken naar de rol worden verwezen voor (tussen)vonnis.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Tot slot informeert de rechtbank partijen over een wisseling in de meervoudige kamer die deze zaak in behandeling heeft. Mr. B.M. Visser zal in het vervolg van de procedure de plek van mr. J.W. Bockwinkel innemen in verband met het vertrek van mr. Bockwinkel naar een andere rechtbank.

3. De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de zaak op de rol zal komen van 15 april 2026 voor het nemen van een akte door de hotels als bedoeld onder 2.52,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. J.W. Bockwinkel en mr. M. Singeling en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?