RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/190846-25
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
momenteel gedetineerd in de [naam PI] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
2. Tenlastelegging
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 17 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. A.M. Lobregt en mr. S. Sondermeijer (hierna gezamenlijk: de officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W. Van Vliet, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat mr. F.J.M. Hamers namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , en - waarnemend voor zijn collega mr. L.A.R. Newoor - namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en MPG Music BV naar voren heeft gebracht.
Aan verdachte is - samengevat - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Inleiding
In de nacht van 24 februari 2024 vinden er twee feesten plaats bij een zalencentrum aan de Rhôneweg in Amsterdam. Na het verlaten van een van de feesten wordt [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) na een confrontatie buiten neergeschoten. [slachtoffer] overlijdt uiteindelijk aan zijn schotwonden. Op 11 april 2025 is de schutter, te weten [naam schutter] (hierna: [naam schutter] ), veroordeeld voor de doodslag op [slachtoffer] . Door de politie wordt op de camerabeelden rondom het zalencentrum gezien dat [naam schutter] het wapen overhandigd krijgt van een persoon met een vermoedelijk roodkleurige bodywarmer. De vraag waar de rechtbank voor staat is of verdachte het vuurwapen heeft overhandigd waarmee [naam schutter] heeft geschoten.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte de persoon op de camerabeelden is met de rode bodywarmer en daarmee degene die het vuurwapen aan [naam schutter] heeft overhandigd. Door de politie is verdachte herkend als de persoon met de rode bodywarmer. Daarnaast heeft [naam schutter] verklaard dat hij het wapen van een vriend van hem heeft gekregen. Dit terwijl door de politie is vastgesteld dat verdachte en [naam schutter] behoren tot dezelfde vriendengroep, zij tegelijk aankomen bij en weggaan van de feestlocatie en de Snapchataccounts van verdachte en [naam schutter] uitpeilen op dezelfde tijden en locaties in de nacht van 24 op 25 februari 2024. Daarbij heeft verdachte nooit een verklaring afgelegd, terwijl de feiten en omstandigheden uit het dossier wel vragen om een verklaring.
Verdachte heeft door zijn handelen zowel opzet gehad op het ter beschikking stellen van het wapen als op de doodslag van [slachtoffer] . Door [naam schutter] een wapen te geven op het moment dat hij hevig geëmotioneerd was en zich in een conflictsituatie bevond, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Ook het voorhanden hebben van het wapen kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht verdachte integraal vrij te spreken van beide feiten, omdat sprake is van te weinig wettig en met name overtuigend bewijs. Het directe bewijs bestaat enkel uit de vermeende herkenningen van verdachte op de camerabeelden. Daarbij is er slechts één proces-verbaal van herkenning opgemaakt en herkent deze verbalisant verdachte niet direct en maar voor 85 procent. Deze herkenning is daarom onbetrouwbaar en kan niet bijdragen aan het bewijs. Het overige bewijs ziet op de eventuele aanwezigheid van verdachte bij de plaats delict, maar zegt niets over het aandeel van verdachte bij de doodslag. Bovendien, al zou vastgesteld kunnen worden dat verdachte de persoon is met een rode bodywarmer, kan op basis van de beelden niet vastgesteld worden dat hij een vuurwapen heeft overhandigd aan [naam schutter] .
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 subsidiair verzocht verdachte vrij te spreken, wegens onvoldoende bewijs voor het dubbele opzet.
Het oordeel van de rechtbank
Betrouwbaarheid van vergelijkingen en herkenning
Een belangrijke vraag in deze zaak is welke (bewijs)waarde de rechtbank toekent aan de herkenningen en de vergelijking die de verbalisanten hebben gedaan. De rechtbank zal eerst ingaan op het toetsingskader daarvan en vervolgens beschrijven hoe dat uitwerkt in deze zaak.
Toetsingskader
De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen en vergelijkingen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt temeer indien deze herkenningen en/of vergelijkingen het enige of voornaamste bewijsmiddel zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij de tenlastegelegde feiten kunnen aantonen.
Het is van belang een onderscheid te maken tussen herkenningen en vergelijkingen. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een ambtshalve herkenning aan de hand van afbeeldingen/beelden is onder meer van belang in hoeverre daarop voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Of hiervan sprake is hangt af van de kwaliteit van de afbeeldingen/beelden en de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken daarop. Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien. Verder is van belang of de herkenning onafhankelijk tot stand is gekomen en of er sprake is van voorkennis. Uit de wetenschap volgt dat gezichten als een geheel, dat wil zeggen holistisch in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en goed kan herinneren.
Gezichtsvergelijkingen vinden plaats door een foto van een verdachte te vergelijken met beschikbare camerabeelden. Om de betrouwbaarheid van gezichtsvergelijkingen te kunnen toetsen, is het noodzakelijk dat degenen die tot een positieve vergelijking komt, aangeeft op welke overeenstemmende onderscheidende gezichtskenmerken die vergelijking gebaseerd is, bij afwezigheid van zichtbare verschillen.
Beoordeling herkenningen en vergelijking
In het dossier bevindt zich een herkenningsproces-verbaal opgemaakt door verbalisant aml25277 van 29 februari 2024. Deze verbalisant is gevraagd om de camerabeelden te bekijken, waarbij bij het zien van de beelden de persoon met de rode bodywarmer hem bekend voorkwam. De verbalisant herinnerde zich een casus van een maand daarvoor met een verdachte die leek op de persoon op de beelden en zocht deze persoon op in het systeem van de politie. Verbalisant aml25277 relateerde hierover het volgende:
“Ik wist vrijwel zeker dat de persoon die mij bekend voorkwam van de beelden die ik eerder zag, de persoon was die in nu op mijn computer voor mij had. Op de beelden zag ik een persoon met een donkere huidskleur. Ik zag een persoon met een grotere neus. Ik zag dat de persoon vaak naar zijn rechter jaszak greep. Ik vermoed dat daar een wapen in zat. Ik heb in mijn korte carrière in Amsterdam Noord nog niet veel personen gecontroleerd met een donkere huidskleur. Daarnaast wist ik dat de persoon waarbij ik het rijbewijs ingevorderd had, ook vuurwapengevaarlijk was. Ik heb maar één persoon nagetrokken in BVI-B. Hierna wist ik 85 procent zeker dat de persoon die ik natrok en de persoon die ik op de beelden zag, één en dezelfde persoon was.”
De rechtbank is van oordeel dat aan het proces-verbaal van herkenning van verbalisant aml25277 beperkte bewijskracht toekomt, nu deze verbalisant beschrijft dat hij verdachte voor 85 procent herkent. Ook vindt de rechtbank dat door de verbalisant onvoldoende specifieke en onderscheidende kenmerken zijn genoemd op basis waarvan de verdachte is herkend. Daar komt bij dat de verbalisant de persoon op de beelden niet direct herkent, maar een zoekslag maakt naar een eerdere casus.
Verder heeft verbalisant T-983 op 1 maart 2024 geverbaliseerd over een link tussen twee voertuigen die te zien zijn op de camerabeelden en verdachte. Vervolgens relateerde de verbalisant:
“Ik heb de beschikbare politiefoto's van de voornoemde [verdachte] bekeken. Bij het zien van de afbeeldingen van [verdachte] zag ik meerdere uiterlijke gelijkenissen met de NNM. Ik heb meerdere keren de bewegende beelden en schermafbeeldingen hiervan bekeken. Ik zag dan ook de volgende uiterlijke gelijkenissen tussen NNM en [verdachte] :
De stand en vorm van de neus, te weten lang en breed aan onder;
De vorm van de schedel en de vorm van de kaaklijn;
De positie en de stand van de ogen in het gelaat alsmede de vorm en stand van de wenkbrauwen, die opvallend horizontaal zijn;
De opvallend grote voorhoofd en de vorm van het voorhoofd;
De kleine en platte oren (richting de schedel) alsmede de positie van de oren;
De vorm van de haarlijn met een kleine inham (iets rond, dus geen rechte haarlijn) en het kapsel.”
Voor verbalisant T-983 geldt dat hij verdachte heeft aangewezen nadat hij een foto van hem heeft vergeleken met de camerabeelden. Daarmee is geen sprake van een herkenning maar van een gezichtsvergelijking. De verbalisant heeft deze vergelijking gedaan nadat hij een verband had gelegd tussen verdachte en de plaats delict, gelet op de link tussen de voertuigen en verdachte. Zo’n vergelijking heeft minder waarde dan wanneer de verbalisant verdachte spontaan, zonder enige voorkennis, zou hebben herkend. De rechtbank acht daarom de bewijskracht van deze herkenning eveneens beperkt.
Ten slotte heeft verbalisant 050299 op 24 juni 2025 het volgende geverbaliseerd:
“Bij het nader bestuderen van het beeldmateriaal zag ik dat "vermoedelijk [verdachte] " om 01:51:31 uur, vlak achter [naam schutter] de zaal Edessa in loopt. Voorts zag ik dat "vermoedelijk [verdachte] " bij binnenkomst in de zaal Edesa zich naar de VIP-ruimte begaf. Op maandag 23 juni 2025 heb ik de verdachte [verdachte] verhoord. Ik zag dat de verdachte [verdachte] zeer sterke overeenkomsten vertoont met de man met de rode bodywarmer die op de camerabeelden te zien is. Het postuur komt bijvoorbeeld overeen. Maar bijvoorbeeld ook de langwerpige vorm van het gelaat, de gezichtsbeharing en mondvorm. Op de bewegende beelden is hij beter zichtbaar dan op de bijgevoegde screenshots.”
De rechtbank is van oordeel dat ook aan het proces-verbaal van verbalisant 050299 beperkte bewijskracht toekomt. De verbalisant beschrijft dat de verdachte [verdachte] zeer sterke overeenkomsten vertoont met de persoon met de rode bodywarmer op de camerabeelden. De bewoordingen ‘zeer sterkte overeenkomsten’ getuigen ook niet van een daadwerkelijk herkenning. Daar komt bij dat de persoon met de rode bodywarmer op het moment van het bekijken van de beelden door de verbalisant binnen het opsporingsonderzoek als was aangeduid als ‘vermoedelijk [verdachte] ’. Dat betekent dat ook bij deze verbalisant sprake was van voorkennis.
Mogelijke aanwezigheid verdachte op plaats delict
Naast de bevindingen op basis van de camerabeelden zijn er aanwijzingen in het dossier dat verdachte in de nacht van 24 februari 2024 aanwezig is geweest op of in de buurt van de plaats delict. Het Snapchataccount dat aan verdachte wordt toegeschreven peilt tussen 02:00 uur en 05:21 uur op 25 februari 2024 uit in de omgeving van de Rhôneweg. Dit komt overeen met de locatie en het tijdstip van het Snapchataccount dat wordt toegeschreven aan [naam schutter] . Daarnaast is er een verband gelegd tussen verdachte en de auto’s waarmee de groep van [naam schutter] en de persoon met de rode bodywarmer naar de locatie is gekomen. Uit de politiesystemen blijkt dat verdachte eerder bij twee auto’s inzittende is geweest tijdens een politiecontrole. De rechtbank is van oordeel dat deze bevindingen kunnen wijzen op de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict, maar dat daarmee niet vastgesteld is dat verdachte de persoon is geweest met de rode bodywarmer. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat die avond twee redelijk drukbezochte feesten gaande waren en dat er dus behoorlijk wat mensen aanwezig waren op of rond de plaats delict. Dit brengt met zich een andere situatie dan de situatie waarin slechts een beperkt aantal mensen – waaronder verdachte – op de plaats delict aanwezig zou zijn geweest. De rechtbank merkt daarbij op dat ondanks het aantal aanwezigen op de feestlocatie het dossier geen getuigenverklaringen bevat waarin verdachte wordt aangewezen als de man met de rode bodywarmer.
Anders dan de officier van justitie, weegt de rechtbank in haar oordeel niet mee dat verdachte geen verklaring heeft afgelegd en zich telkens heeft beroepen op zijn zwijgrecht. De rechtbank acht het bewijs niet dusdanig evident en direct dat de situatie schreeuwt om een verklaring en bij het uitblijven ervan de conclusie kan worden getrokken dat verdachte het wel moet hebben gedaan.
Nu de rechtbank niet buiten redelijke twijfel kan vaststellen dat verdachte de persoon is geweest met de rode bodywarmer, komt de rechtbank niet toe aan de vraag wat de rol van deze persoon is geweest bij de tenlastegelegde feiten.
Conclusie
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het wapen heeft overhandigd aan [naam schutter] dan wel het wapen voorhanden heeft gehad. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten.
4. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen inbeslaggenomen en niet teruggegeven:
1. 3 STK Munitie (G6468001),2. 1 STK Munitie (G6467322),3. 1 STK Munitie (G6467323),4. 1 STK Huls (G6467324),5. 1 STK Huls (G6467325),6. 1 STK Huls (G6467335),7. 1 STK Huls (G6467346),8. 1 STK Pistool (G6487073)9. 1 STK Munitie (G6487074),10. 1 STK Munitie (6467322-2),11. 1 STK Munitie (6468001-2).
Onttrekking aan het verkeer
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de misdrijven waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
5. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van € 30.000,- aan schokschade, € 20.000,- aan affectieschade en € 5.000,- aan nader te onderbouwen schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een bedrag van € 10.000,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert een bedrag van € 20.000,- aan schokschade, € 17.500,- aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een bedrag van € 20.000,- aan schokschade, € 20.000,- aan affectieschade en € 20.000,- nader te onderbouwen schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 5] vordert een bedrag van € 5.594,96 aan materiële schade € 20.000,- aan schokschade, € 17.500,- aan affectieschade en € 5.000,- aan nader te onderbouwen schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 6] vordert een bedrag van € 4.000,- aan materiële schade en € 1.042,- aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij MPG Music BV vordert een bedrag van € 7.800,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel rechtbank
De rechtbank zal alle benadeelde partijen in hun vorderingen niet ontvankelijk verklaren,
omdat verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. De benadeelde partijen
en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
6. De toepasselijke wetsartikelen
De beslissing berust op de artikelen 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] . [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en MPG Music BV niet ontvankelijk in hun vorderingen.
Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1. 3 STK Munitie (G6468001),2. 1 STK Munitie (G6467322),3. 1 STK Munitie (G6467323),4. 1 STK Huls (G6467324),5. 1 STK Huls (G6467325),6. 1 STK Huls (G6467335),7. 1 STK Huls (G6467346),8. 1 STK Pistool (G6487073)9. 1 STK Munitie (G6487074),10. 1 STK Munitie (6467322-2),11. 1 STK Munitie (-6468001-2).
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, voorzitter,
mrs. A.H.E. van der Pol en B. van Galen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold en M. Pathuis, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 maart 2026.