RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/764572 / HA ZA 25-424
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat: mr. B.H.M. Schipper,
tegen
ARMADA MUSIC B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat: mr. M.J. Odink.
Partijen worden hierna [eiser] en Armada genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 januari 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- het tussenvonnis van 27 augustus 2025 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 december 2025 en de daarin vermelde stukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of [eiser] recht heeft op een hogere royaltyvergoeding voor de digitale exploitatie van zijn muziek door Armada. Om dit te kunnen beoordelen kijkt de rechtbank naar de exploitatieovereenkomsten die [eiser] met (rechtsvoorgangers van) Armada heeft gesloten.
Volgens [eiser] heeft Armada deze overeenkomsten verkeerd geïnterpreteerd en daardoor een te laag royaltypercentage gehanteerd. De overeenkomsten voorzien niet in de mogelijkheid van digitale exploitatie omdat dit ten tijde van ondertekening nog in de kinderschoenen stond. Een percentage van 50% is volgens hem redelijk en marktconform.
Armada ziet dit anders. Zij ontkent een te laag royaltypercentage gerekend te hebben voor digitale exploitatie. De percentages die Armada hanteert zijn redelijk en gangbaar, 50% is dat niet.
De rechtbank oordeelt dat Armada op de juiste wijze heeft afgerekend en dat [eiser] geen recht heeft op een hogere vergoeding. Wel mocht [eiser] zijn overeenkomsten met Armada opzeggen met inachtneming van een redelijke opzegtermijn.
3. De feiten
[eiser] is muzikant, componist en muziekproducer en heeft onder de artiestennaam ‘ [artiestennaam] ’ elektronische muziek geproduceerd.
Armada is een platenmaatschappij, gespecialiseerd in elektronische dancemuziek.
[eiser] heeft tussen 2001 en 2004 vijf exploitatieovereenkomsten gesloten met platenmaatschappij United Recordings B.V., ter exploitatie van een deel van zijn muziek (hierna: de United titelovereenkomsten).
United Recordings heeft per 1 januari 2008 haar dance-catalogus, waaronder de muziek van [eiser] , overgedragen aan Cloud 9 Recordings B.V. Cloud 9 Recordings heeft de exploitatie van de muziekopnames van [eiser] toen op zich genomen. Voor de exploitatie van nieuwe muziek heeft [eiser] met Cloud 9 Recordings in 2008 en 2009 twee nieuwe titelovereenkomsten gesloten (hierna: de Cloud 9 titelovereenkomsten).
Cloud 9 Recordings heeft vervolgens in 2018 de exploitatierechten overgedragen aan Armada. Als rechtsverkrijger heeft Armada sindsdien de muziek van [eiser] geëxploiteerd, ook door middel van streaming en verkoop van downloads (hierna: digitale exploitatie).
Op 6 december 2023 heeft de advocaat van [eiser] namens [eiser] een brief aan Armada gestuurd waarin onder meer staat dat de royalty’s voor de digitale exploitatie niet billijk zijn en dat de titelovereenkomsten bepalingen bevatten die ontoelaatbaar zijn.
Op 14 februari 2024 heeft de advocaat van Armada gereageerd op deze brief en namens Armada aangeboden in gesprek te gaan met elkaar. Dit gesprek heeft plaatsgevonden in de zomer van 2024, maar heeft niet tot overeenstemming geleid.
Op 21 november 2025 heeft Armada aan [eiser] laten weten dat zij heeft besloten de royaltyvergoeding voor de digitale exploitatie van de muziek van [eiser] met terugwerkende kracht tot 2018 te verhogen van 14% naar 22%.
Bij brief van 24 november 2025 heeft de advocaat van [eiser] aan Armada laten weten de overeenkomsten eenzijdig te beëindigen met ingang van 1 juli 2026, primair door opzegging en subsidiair door buitengerechtelijke ontbinding.
4. Het geschil
[eiser] heeft bij akte en op de zitting zijn eis gewijzigd en vordert nu dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
primair
I. voor recht verklaart dat digitale exploitatie kwalificeert als licentieverlening aan derden;
II. voor recht verklaart dat Armada toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de titelovereenkomsten door voor de digitale exploitatie een lager royaltypercentage toe te passen;
III. Armada veroordeelt tot nakoming van haar verplichtingen uit de titelovereenkomsten door met terugwerkende kracht een royaltypercentage van 50% van de netto-opbrengsten te betalen voor de digitale exploitatie;
subsidiair
IV. voor recht verklaart dat de door Armada tussen januari 2018 en 7 juni 2021 gehanteerde royaltyvergoeding voor digitale exploitatie onredelijk bezwarend is, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;
V. voor recht verklaart dat de door Armada tussen 7 juni 2021 tot op heden gehanteerde royaltyvergoeding voor digitale exploitatie in strijd is met artikel 18 lid 1 DSM-richtlijn en/of artikel 25c lid 1 Auteurswet jo. artikel 2b Wet op de naburige rechten;
VI. bepaalt dat, indien de titelovereenkomsten in stand blijven, deze worden gewijzigd, dan wel dat artikelen 4a en 7 lid 1 niet van toepassing zijn en/of dat deze artikelen worden vernietigd, met bepaling van een royaltyvergoeding van 50% van de netto-inkomsten;
primair en subsidiair
VII. voor recht verklaart dat Armada aansprakelijk is voor de schade die [eiser] lijdt en heeft geleden;
VIII. verwijst naar een schadestaatprocedure ter vaststelling van de onder VII genoemde schade;
IX. voor recht verklaart dat [eiser] de titelovereenkomsten per brief op 24 november 2025 rechtsgeldig kan beëindigen door opzegging, dan wel buitengerechtelijke ontbinding;
X. Armada gebiedt mee te werken aan de retro-overdracht van alle naburige rechten, eigendoms-, gebruiks- en exploitatierechten, op straffe van een dwangsom;
XI. Armada veroordeelt in de proceskosten, plus de wettelijke rente.
De volledige tekst van de vordering is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.
[eiser] stelt ten eerste dat Armada is tekortgeschoten in de nakoming van de titelovereenkomsten door onterecht een te laag royaltypercentage te hanteren voor digitale exploitatie. Digitale exploitatie kwalificeert namelijk als een derdenlicentie, waarbij Armada een licentie verstrekt aan een derde partij. Volgens de titelovereenkomsten staat daar een royaltypercentage van 50% tegenover. Dit is een gangbaar en redelijk percentage voor digitale exploitatie. Met name exploitatie in de vorm van streaming doet Armada niet zelf, maar een derde partij, zoals Spotify. In een dergelijke constructie maakt Armada zelf veel minder kosten voor de exploitatie, omdat die kosten bij de derde partij terechtkomen. Na aftrek van die kosten ontvangt Armada een deel, waarvan een relatief hoog percentage naar [eiser] moet gaan omdat Armada zelf amper nog kosten heeft. [eiser] vordert alsnog betaling van een royaltyvergoeding gebaseerd op 50%.
Subsidiair, indien de rechtbank oordeelt dat Armada voor digitale exploitatie niet de verkeerde afrekengrondslag toepast, meent [eiser] dat de royaltybepalingen onredelijk bezwarend zijn en onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Digitale exploitatie stond ten tijde van ondertekening nog in de kinderschoenen, maar is inmiddels de belangrijkste vorm van exploitatie. Hierdoor krijgt [eiser] nu een onredelijk lage royaltyvergoeding. De bepalingen uit de titelovereenkomsten moeten daarom buiten toepassing worden gelaten, dan wel worden vernietigd, met bepaling van een royaltypercentage van 50%, aldus [eiser] .
Armada betwist een onjuist royaltypercentage gehanteerd te hebben op de inkomsten uit digitale exploitatie. Zij heeft zich gehouden aan de titelovereenkomsten en de relevante bepalingen aldaar correct uitgelegd en toegepast. Deze royaltypercentages zijn bovendien noch onredelijk bezwarend, noch onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Het percentage van 22% dat [eiser] nu ontvangt is redelijk en marktconform, aldus Armada.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Primaire vordering: hoe moet digitale exploitatie worden gekwalificeerd?
Partijen twisten over de vraag of digitale exploitatie (en met name streaming) kwalificeert als licentieverlening aan een derde in de zin van de titelovereenkomsten. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, zoals hierna wordt toegelicht.
[eiser] stelt dat Armada bij digitale exploitatie feitelijk licenties verleent aan platforms als Spotify, YouTube en Apple op basis waarvan zij licentievergoedingen van deze partijen ontvangt. Volgens [eiser] kwalificeert deze vorm van digitale exploitatie op grond van de titelovereenkomsten daarom als een derdenlicentie, waarvoor een hogere vergoeding geldt. Wat betreft de United titelovereenkomsten wijst [eiser] op artikel 4 sub g, dat luidt:
“Van de netto-opbrengsten voortkomende uit door Maatschappij aan derden verleende licenties betreffende de Compositie zal Artiest 50% (vijftig procent) pro rata ontvangen.”
Wat betreft de Cloud 9 titelovereenkomsten wijst [eiser] op artikel 7.3, dat luidt:
“Over alle andere inkomsten verkregen vanwege de Exploitatie van Reproducties onder deze overeenkomst, waaronder alle “third party income” van zowel exclusieve als non-exclusieve licentie inkomsten, zal Partij B steeds 50% (vijftig procent) van de netto inkomsten als door Cloud 9 ontvangen verkrijgen na aftrek van alle kosten, kortingen, belastingen en met uitsluiting van naburige rechten.”
Armada betwist dat zij de verkeerde afrekengrondslag toepast en dat digitale exploitatie als licentieverlening aan derden in de zin van de genoemde bepalingen moet worden aangemerkt. Deze bepalingen zien niet op digitale exploitatie via online platforms, maar hebben betrekking op specifieke gevallen waarin de platenmaatschappij de exploitatie volledig uit handen geeft aan een licentienemer, bijvoorbeeld aan een buitenlands label voor een bepaald territorium. De platenmaatschappij besteedt haar activiteiten dan uit aan deze partij en krijgt in dat geval slechts een gedeelte van de exploitatie-inkomsten. Dit rechtvaardigt dat de artiest in zo’n geval een hoger percentage krijgt (50%) over deze “third party income”. Dit is niet het geval bij digitale distributie via een platform als Spotify. Dit betreft exploitatie door de platenmaatschappij zelf, zij het via moderne distributiekanalen. Armada blijft in dat geval verantwoordelijk voor de productie, de marketing en creatieve exploitatie van de opname, aldus steeds Armada.
De vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of deze overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Ook omstandigheden die zich na sluiten van de overeenkomst hebben voorgedaan, kunnen bij deze beoordeling meewegen, zoals de manier waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst.
In de United titelovereenkomsten is geen bepaling opgenomen waarin de vergoeding voor digitale exploitatie is vastgelegd. De vergoedingssystematiek is gebaseerd op de verkoop van fysieke geluidsdragers. Op het voorblad van de vijf overeenkomsten is over royaltypercentages immers vermeld:
“14% over 100% P.P.D. op geluidsdragers
12% over 100% P.P.D. op beelddragers”
Echter, ook artikel 4 sub g van de United titelovereenkomsten is niet bedoeld voor digitale exploitatie. De overeenkomsten zijn immers volledig toegesneden op de verkoop van fysieke beeld- en geluidsdragers. Armada heeft onweersproken toegelicht (zie hiervoor onder 5.3) voor welke specifieke gevallen deze bepaling was bedoeld en waarom in die gevallen de hogere royaltyvergoeding van 50% gerechtvaardigd werd geacht. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] onder deze omstandigheden niet mocht verwachten dat (toekomstige) digitale exploitatie ook zou worden afgerekend tegen een royaltyvergoeding van 50%. Het enkele feit dat in geval van streaming noodzakelijkerwijs een licentie aan een derde wordt verstrekt - vanwege de omstandigheid dat niet een fysieke geluidsdrager maar een digitaal bestand wordt gedistribueerd – is daarvoor onvoldoende.
De vraag is dan wat partijen in deze situatie wél over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten ten aanzien van de hoogte van de vergoeding voor digitale exploitatie. Daarbij weegt de rechtbank de volgende omstandigheden mee.
De United titelovereenkomsten zijn in 2008 overgedragen aan Cloud 9. Vanaf dat moment heeft Cloud 9 ook de digitale exploitatie van de titels verzorgd. [eiser] heeft daarnaast in 2008 en 2009 twee nieuwe titelovereenkomsten met Cloud 9 gesloten. In die titelovereenkomsten is wel voorzien in digitale exploitatie. In artikel 1.7 van de Cloud 9 titelovereenkomsten staat immers:
“Exploiteren: het verkopen, afleveren of anderszins in het verkeer brengen van Reproducties van de Opname(n) zoals weergegeven op de Master(s) in de ruimste zin des woords, uitzenden, heruitzenden, inclusief de verspreiding, verkoop en distributie via het internet of per enig mobiel netwerk en het aanbieden als streaming of als digitale download of enige andere en nieuwe vorm van exploitatie”
Artikel 7 bevat vervolgens de verschillende royaltypercentages, toegesneden op de wijze van exploitatie. Voor “downloads in welke vorm of volgens welke methode dan ook” geldt een vergoeding van 60% van de royaltyvergoeding voor fysieke dragers (16%) over de netto inkomsten van Cloud 9 (artikel 7.1 onder i). Voor overige, eventueel toekomstige formats geldt een percentage van 75% van de royaltyvergoeding voor fysieke dragers (artikel 7.2).
De rechtbank leidt hieruit af dat [eiser] bij de nieuwe titelovereenkomsten ermee akkoord is gegaan dat Cloud 9 de digitale exploitatie van zijn muziek zou verzorgen tegen een lager royaltypercentage (een gedeelte van 60%) dan voor fysieke distributie. Weliswaar wordt in artikel 7.1 onder i slechts gesproken over downloads en niet over streaming, maar daarin kan geen aanwijzing worden gezien dat partijen voor deze vorm van digitale exploitatie een veel hogere royaltyvergoeding dan voor downloads hebben bedoeld overeen te komen.
Armada heeft erop gewezen dat [eiser] vanaf 2008 afrekeningen heeft ontvangen (royalty statements) waarop inkomsten uit digitale distributie van zijn opnamen zijn vermeld, uitgesplitst naar digitale bron (iTunes, Beatport, Napster). Naar de rechtbank begrijpt, is daarbij voor digitale exploitatie van de titels onder de United titelovereenkomsten een royaltypercentage van 14% over de netto inkomsten toegepast en voor digitale exploitatie van de titels onder de Cloud 9 titelovereenkomsten een royaltypercentage van 9,6%. Tussen 2008 en december 2023 heeft [eiser] nooit bezwaar gemaakt tegen de wijze van afrekening of de hoogte van de royalty’s. Ook heeft hij nooit eerder het standpunt ingenomen dat digitale exploitatie als een derdenlicentie zou moeten worden afgerekend tegen een royaltypercentage van 50%.
Gezien deze lange tijdspanne, mocht (de rechtsvoorganger van) Armada naar het oordeel van de rechtbank erop vertrouwen dat [eiser] akkoord was met toepassing van de genoemde royaltypercentages op digitale exploitatie van de titels. Partijen hebben immers 15 jaar lang op deze manier uitvoering gegeven aan de titelovereenkomsten.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank digitale exploitatie niet aanmerkt als licentieverlening aan een derde in de zin van de titelovereenkomsten en dat Armada niet een onjuist royaltypercentage heeft toegepast. Er is dus ook geen sprake van een tekortkoming door Armada en geen grond voor een schadevergoeding. De primaire vorderingen van [eiser] zullen dan ook worden afgewezen.
Subsidiaire vordering: bevatten titelovereenkomsten onredelijke of onaanvaardbare bedingen?
Subsidiair legt [eiser] ter beoordeling voor of de gehanteerde royaltyvergoeding onredelijk bezwarend (artikel 25f lid 2 Aw jo. art. 2b Wnr) of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 BW) is, dan wel of het gehanteerde royaltypercentage onevenredig (artikel 18 lid 1 DSM-richtlijn) of onbillijk (artikel 25c lid 1 Aw) is. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en licht dit als volgt toe.
Artikel 25f lid 2 Aw bepaalt dat een beding vernietigbaar is dat, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen of de overige omstandigheden van het geval, voor de maker onredelijk bezwarend is. Bij de beoordeling of een beding onredelijk bezwarend is voor de maker moeten alle relevante omstandigheden van het geval worden gewogen. Het gaat daarbij om de omstandigheden van voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst (‘ex tunc’) en niet om omstandigheden van daarna. Aangezien [eiser] zich op deze bepaling beroept moet hij omstandigheden aandragen en onderbouwen waaruit blijkt dat aan de vereisten voor onredelijk bezwarende bedingen is voldaan.
Daarin is hij niet geslaagd. De omstandigheid dat digitale exploitatie ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten nog in de kinderschoenen stond, maakt nog niet dat de destijds overeengekomen royaltybepalingen voor hem onredelijk bezwarend zijn. Het beroep op artikel 25f lid 2 Aw slaagt niet.
Ook het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW faalt. Partijen zijn het erover eens dat Armada vanaf 2018 met terugwerkende kracht 22% over de netto inkomsten is gaan uitkeren aan [eiser] , zonder verdere deducties. [eiser] stelt dat 50% een gangbaar percentage is. Het gaat er echter niet om wat een gangbaar of marktconform percentage zou zijn, maar of toepassing van een royaltyvergoeding van 22% over de netto inkomsten uit digitale exploitatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daarvan is geen sprake.
Ten slotte ziet de rechtbank ook geen grond voor de stelling dat een royaltyvergoeding van 22% niet billijk zou zijn in de zin van artikel 25c lid 1 Aw. Dit artikel is sinds 1 januari 2026 ook van toepassing op overeenkomsten van voor 1 juli 2015, waaronder de onderhavige titelovereenkomsten. Het leidt in dit geval echter niet tot een andere uitkomst. Ook de subsidiaire vorderingen worden daarom afgewezen.
Mocht [eiser] de titelovereenkomsten opzeggen?
Ten slotte vordert [eiser] een verklaring voor recht dat hij met zijn brief van 25 november 2025 de titelovereenkomsten heeft beëindigd. Deze vordering wordt toegewezen.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst in beginsel opzegbaar is, ook indien de wet en die overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging. De eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Dit verliest evenwel aan gewicht, naarmate een exploitatieovereenkomst langer heeft geduurd en investeringen kunnen zijn terugverdiend.
De rechtbank acht in dit geval van belang dat het gaat om exploitatie-overeenkomsten die dateren van 17 tot 25 jaar geleden. De investeringen die de platenmaatschappij daarbij heeft gedaan zijn zeer beperkt geweest. De opnamen waren al voor het aangaan van de contracten gereed en de (door de rechtsvoorgangers van Armada) uitgekeerde voorschotten waren minimaal. Niet gebleken is dat Armada sinds de overname van de titels van [eiser] in 2018 noemenswaardige investeringen heeft gedaan of inspanningen heeft betracht ten behoeve van de exploitatie.
Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank een zwaarwegende grond voor opzegging niet nodig. [eiser] heeft opgezegd en daarbij een redelijke opzegtermijn van 7 maanden in acht genomen. Dat betekent dat de opzegging per 1 juli 2026 in werking zal treden. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht toewijzen en Armada gebieden om de verkregen exploitatierechten terug over te dragen aan [eiser] . De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan een dwangsom te verbinden.
De proceskosten worden gecompenseerd
Partijen zijn over en weer op punten in het ongelijk gesteld, de proceskosten zullen daarom worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.
6. De beslissing
De rechtbank
verklaart voor recht dat [eiser] de titelovereenkomsten bij brief van 24 november 2025 rechtsgeldig heeft opgezegd per 1 juli 2026;
gebiedt Armada per 1 juli 2026 mee te werken aan de terug-overdracht van de door haar op grond van de titelovereenkomsten verkregen rechten;
verklaart dit vonnis wat betreft het gebod onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema, rechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
BIJLAGE: het volledige petitum van [eiser]
Mitsdien verzoekt eiser de Rechtbank Amsterdam, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om:
primair
A. I. Titelovereenkomsten met United Recordings B.V.
i) te verklaren voor recht dat digitale exploitatie in de vorm van verkoop van downloads en/of streaming van de Muziekopnamen van eiser door of vanwege gedaagde als een vorm van licentieverlening aan derden kwalificeert, primair zoals nader omschreven in artikel 4 sub g van de Titelovereenkomsten, subsidiair in overeenstemming met de gebruiken in de muziekindustrie sinds de opkomst van deze vormen van digitale exploitatie, en
ii) te verklaren voor recht dat gedaagde toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de Titelovereenkomsten door voor de verkoop van downloads en/of streaming van de Muziekopnamen van eiser door of vanwege gedaagde een lager royaltypercentage toe te passen in de vorm van een royaltypercentage van de P.P.D. op geluidsdragers van aan gedaagde betaalde verkopen daarvan overeenkomstig artikel 4 sub a van de Titelovereenkomsten in plaats van het toepasselijke percentage van 50% van de door gedaagde ontvangen netto-opbrengsten uit de door gedaagde aan derden verleende licenties overeenkomstig artikel 4 sub g van de Titelovereenkomsten; en
iii) gedaagde te veroordelen om haar verplichtingen uit de Titelovereenkomsten behoorlijk na te komen door aan eiser over de periode vanaf 1 januari 2018, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, met terugwerkende kracht voor de verkoop van downloads en/of streaming van de Muziekopnamen van eiser te betalen een percentage van 50% van de door of vanwege gedaagde en/of door het tot gedaagde behorende (sub)label dat als eerste voor de digitale exploitatie wordt betaald ontvangen netto-opbrengsten, ook wel “at source” genoemd, uit hoofde van de door gedaagde aan derden verleende licenties overeenkomstig artikel 4 sub g van de Titelovereenkomsten; en
A. II. Exploitatieovereenkomsten Cloud 9 Dance (master overdrachten)
i) te verklaren voor recht dat digitale exploitatie in de vorm van streaming van de Muziekopnames van eiser door of vanwege gedaagde als een vorm van licentieverlening aan derden kwalificeert, primair zoals nader omschreven in artikel 7 lid 3 van de Titelovereenkomsten, subsidiair in overeenstemming met de gebruiken in de muziekindustrie sinds de opkomst van deze vormen van digitale exploitatie; en
ii) te verklaren voor recht dat gedaagde toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de Titelovereenkomsten door voor de digitale exploitatie in de vorm van streaming van de Muziekopnamen van eiser door of vanwege gedaagde een lager royaltypercentage toe te passen in de vorm van een royaltypercentage van de full price P.P.D. per door gedaagde verkochte, bestaande en niet-terug ontvangen Reproducties van geluidsdragers overeenkomstig artikel 7 lid 1 van de Titelovereenkomsten in plaats van he toepasselijke percentage van 50% (vijftig procent) van de door gedaagde vanwege de Exploitatie, van de Reproducties ontvangen netto inkomsten, waaronder alle “third party income” van zowel exclusieve als niet-exclusieve licentie inkomsten overeenkomstig artikel 7 lid 3 van de Titelovereenkomsten; en
iii) gedaagde te veroordelen om haar verplichtingen uit de Titelovereenkomsten behoorlijk na te komen door aan eiser over de periode vanaf 1 januari 2018, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, met terugwerkende kracht voor digitale exploitatie in de vorm van streaming van de Muziekopnamen van eiser te betalen een percentage van 50% (vijftig procent) van de door gedaagde en/of door het tot gedaagde behorende (sub)label dat als eerste voor de digitale exploitatie werd betaald ontvangen netto-opbrengsten, ook wel “at source” genoemd, uit hoofde van de door of vanwege gedaagde aan derden verleende licenties overeenkomstig artikel 7 lid 3 van de Titelovereenkomsten; en
subsidiair
Royaltyvergoedingen zijn onredelijk
Indien en voor zover de in de primaire vorderingen A.I/A.II hiervoor genoemde artikelen 4a en 7 lid 1 van de Titelovereenkomsten wel op rechtsgeldige wijze op digitale exploitatie van de Muziekopnamen van eiser in de vorm van verkoop van downloads en/of streaming kunnen worden toegepast:
i) te verklaren voor recht dat de door gedaagde jegens eiser in de periode vanaf 1 januari 2018 tot 7 juni 2021, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, gehanteerde royaltyvergoeding voor digitale exploitatie van de Muziekopnamen van eiser in de vorm van verkoop van downloads en/of streaming in het licht van de in het lichaam van de dagvaarding beschreven feiten en omstandigheden onredelijk bezwarend is, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, onder andere vanwege de hoogte van het door gedaagde gehanteerde royaltypercentage voor digitale exploitatie, de door gedaagde gehanteerde afrekenbasis en/of de automatische toepassing van deducties ongeacht de vorm van en/of al dan niet gemaakte kosten voor de specifieke vorm van (digitale) exploitatie, een en ander zoals nader omschreven in de relevante bedingen in de Titelovereenkomsten op basis waarvan gedaagde tot digitale exploitatie van de Muziekopnamen van eiser is overgegaan;
ii) te verklaren voor recht dat de door gedaagde jegens eiser in de periode tussen 7 juni 2021, althans een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot 1 juli 2026 gehanteerde en nog te hanteren royaltyvergoeding voor digitale exploitatie van de Muziekopnamen van eiser in de vorm van verkoop van downloads en/of streaming in het licht van de in het lichaam van de dagvaarding beschreven feiten en omstandigheden niet passend en evenredig is als bedoeld in artikel 18 lid 1 DSM-richtlijn en/of niet billijk is als bedoeld in artikel 25c lid 1 Auteurswet jo. artikel 2b Wet naburige rechten, onder andere vanwege de hoogte van het door gedaagde gehanteerde royaltypercentage voor digitale exploitatie, de door gedaagde gehanteerde afrekenbasis en/of (het bedingen van) de automatische toepassing van deducties ongeacht de vorm van en/of al dan niet gemaakte kosten voor de specifieke vorm van (digitale) exploitatie, een en ander zoals nader omschreven in de relevante bedingen in de Titelovereenkomsten op basis waarvan gedaagde tot digitale exploitatie van de Muziekopnamen van eiser is overgegaan; en
iii) te bepalen dat, indien en voor zover de Titelovereenkomsten in stand zouden kunnen blijven, deze Titelovereenkomsten te wijzigen, dan wel te verklaren dat de daarin opgenomen artikelen 4a en 7 lid 1 met het oog op digitale exploitatie van de Muziekopnamen van eiser in de vorm van verkoop van downloads en/of streaming, niet (onverkort) van toepassing zijn, en/of dat deze royaltybepalingen daarin geheel of gedeeltelijk worden vernietigd, met bepaling van royaltyvergoedingen voor eiser van (tenminste) 50% (vijftig procent) van de netto inkomsten van of vanwege gedaagde uit hoofde van digitale exploitatie van de Muziekopnamen van eiser in de vorm van verkoop van downloads en/of streaming, althans (tenminste) 50% (vijftig procent) van de netto gefactureerde waarde ontvangen door het tot gedaagde behorende label dat als eerste voor de digitale exploitatie wordt betaald (“at source”), althans in goede justitie te bepalen op een percentage van een toepasselijke afrekenbasis die de Rechtbank gelet op alle relevante feiten en omstandigheden redelijk voorkomt; en
primair en subsidiair
Schade
i) te verklaren voor recht dat eiser door toedoen van gedaagde schade lijdt en heeft geleden in de vorm van het hanteren van een (veel) te lage royaltyvergoeding en verkeerde afrekening met betrekking tot digitale exploitatie van de Muziekopnamen in de vorm van verkoop van downloads en/of streaming, en dat gedaagde aansprakelijk is voor deze schade; en
ii) te verwijzen naar een schadestaatprocedure om de schade van eiser uit hoofde van het door gedaagde hanteren van een (veel) te laag royaltypercentage nader vast te stellen; en
[onderdeel D van het petitum is met de eiswijziging ter zitting ingetrokken]
E. Beëindiging Titelovereenkomsten
i) te verklaren voor recht dat eiser de Titelovereenkomsten door middel van de brief van zijn advocaat van 24 november 2025 met inachtneming van de daarin genoemde (opzeg)termijn per 1 juli 2026, althans per een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, rechtsgeldig kan beëindigen, primair door middel van opzegging, subsidiair door middel van buitengerechtelijke ontbinding, als gevolg waarvan deze Titelovereenkomsten effectief per 1 juli 2026, althans per een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, zullen eindigen en gedaagde uit hoofde van deze beëindiging alsdan in redelijkheid gehouden is tot retro-overdracht van alle door haar verkregen naburige rechten, eigendoms-, gebruiks- en exploitatierechten op de Muziekopnamen en daarin vastgelegde uitvoeringen van eiser zoals genoemd in het lichaam van deze dagvaarding en de Titelovereenkomsten op basis waarvan gedaagde tot exploitatie van de Muziekopnamen van eiser is overgegaan; en
ii) gedaagde te gebieden per 1 juli 2026, althans per een door uw Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, alles te doen en niets na te laten en haar onvoorwaardelijke en volledige medewerking te verlenen aan alle formaliteiten nodig om de retro-overdracht van alle door haar verkregen naburige rechten, eigendoms-, gebruiks- en exploitatierechten op de Muziekopnamen en daarin vastgelegde uitvoeringen van eiser zoals genoemd in het lichaam van de dagvaarding en de Titelovereenkomsten op basis waarvan gedaagde tot exploitatie van de Muziekopnamen van eiser is overgegaan, een en ander op straffe van een door gedaagde aan eiser te betalen en direct opeisbare dwangsom van € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) bij niet-nakoming van dit gebod, te vermeerderen met € 1.000,- (zegge: duizend euro) voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat de niet-nakoming voortduurt, althans op straffe van een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom; en
F.
gedaagde bij vonnis te veroordelen om, uitvoerbaar bij voorraad, de kosten van deze procedure te vergoeding, alsmede gedaagde te veroordelen in de na de uitspraak ontstane (na)kosten, overeenkomstig de door de Rechtbank op te stellen begroting en waarvoor de Rechtbank, zo nodig een bevelschrift zal afgeven, en de wettelijke rente daarover indien deze niet binnen veertien dagen zijn voldaan.