ECLI:NL:RBAMS:2026:2237

ECLI:NL:RBAMS:2026:2237

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 13/200184-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vechtpartij in/bij een parkeergarage in Amsterdam op 26 mei 2025, waarbij het slachtoffer onder andere tegen zijn hoofd is geschopt en er op zijn hoofd is gesprongen. De rechtbank komt niet tot een bewezenverklaring van poging doodslag, maar veroordeelt verdachte wel voor de eveneens aan hem ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De rechtbank gaat daarbij uit van medeplegen. Ook de ten laste gelegde openlijke geweldpleging acht de rechtbank bewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/200184-25

Datum uitspraak: 3 maart 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.A. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K.A. Kieft, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 26 mei 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Aanduiding betrokken personen

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis en het vonnis van de medeverdachten worden de in de zaak betrokken verdachten in dit onderdeel van het vonnis grotendeels met hun achternamen aangeduid (zijnde: [medeverdachte 1] , [de verdachte] en [medeverdachte 2] ).

Inleiding

Er bestaat in de onderhavige zaak weinig discussie over de aanleiding die tot het ten laste gelegde heeft geleid en hetgeen verdachte en zijn medeverdachten aan feitelijke handelingen wordt verweten in de nacht van 26 mei 2025 na een avond uit bij [parkeergarage] . Dit betreft een parkeergarage gelegen aan de [straat] in Amsterdam. [medeverdachte 1] en [de verdachte] komen op een gegeven moment aan bij de voetgangersingang van de parkeergarage waarachter zich de betaalautomaten bevinden. De ingang is afgesloten met een glazen schuifdeur met bewegingssensor. Bij de betaalautomaten bevinden zich het latere (onbekend gebleven) slachtoffer met twee vrouwen. [medeverdachte 1] en [de verdachte] kloppen op de schuifdeur, kennelijk met het verzoek aan het latere slachtoffer en de twee vrouwen om de schuifdeur te openen. Het latere slachtoffer en de twee vrouwen geven geen gehoor aan dit verzoek. Wanneer één van de vrouwen op een gegeven moment vermoedelijk te dicht in de buurt komt van de bewegingssensor, gaat de deur alsnog open. Vervolgens ontstaat er eerst een woordenwisseling tussen [medeverdachte 1] en één van de vrouwen. Even later raakt [medeverdachte 1] mondeling in conflict met het latere slachtoffer, die de gemoederen tussen [medeverdachte 1] en de vrouw in eerste instantie leek te willen sussen. Het komt uiteindelijk tot het gebruik van fysiek geweld door [medeverdachte 1] richting het slachtoffer. Ook [de verdachte] en [medeverdachte 2] , die op een bepaald moment aan komt rennen, mengen zich in het conflict en ook zij gebruiken fysiek geweld richting het slachtoffer. Uiteindelijk wordt er ook richting het hoofd van het slachtoffer geschopt.

Zowel de bovengenoemde aanleiding als het uiteindelijke geweld is vastgelegd op camerabeelden. Deze camerabeelden zijn door de politie beschreven en bekeken ter zitting. De rechtbank volstaat in deze inleiding met de hierboven weergegeven verkorte en beknopte beschrijving van de camerabeelden. In het kader van de beoordeling van de zaak geeft de rechtbank in meer detail de beschrijving van de beelden door de politie weer, zodat deze beschrijving kan dienen als bewijsmiddel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het aan verdachte onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Van (voorwaardelijk) opzet van verdachte op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer is geen sprake. Het handelen van medeverdachte [medeverdachte 1] is niet te kwalificeren als een poging tot doodslag. Indien het handelen van medeverdachte [medeverdachte 1] gekwalificeerd wordt als een poging tot zware mishandeling, dient aan de kant van verdachte sprake te zijn van medeplegen om in zijn zaak ook te komen tot een bewezenverklaring. Hiervan is geen sprake. Er is onvoldoende sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten voor wat betreft het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Medeverdachte [medeverdachte 1] is veel verder gegaan in het geweld dan verdachte. Er is geen sprake geweest van overleg tussen verdachte en zijn medeverdachten en verdachte heeft met zijn handelen geen materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan de reeks geweldshandelingen.

Voor wat betreft het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank t.a.v. feit 1

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd en of er al dan niet sprake is van het medeplegen van een poging doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling. Om tot een beantwoording van die vraag te komen zal de rechtbank eerst vaststellen welke handelingen precies aan verdachte en zijn medeverdachten kunnen worden toegeschreven. Zoals reeds aangegeven zoekt de rechtbank hierbij aansluiting bij de beschrijving van de camerabeelden door de politie. Op enkele punten zal de rechtbank op basis van haar eigen waarneming van de camerabeelden in de hieronder weer te geven waarnemingen een aanvulling of rectificatie opnemen. Deze aanvullingen of rectificaties zijn steeds cursief weergegeven. De verschillende geweldshandelingen zijn steeds dikgedrukt weergegeven. Deze dikdrukking is door de rechtbank aangebracht.

De volgende beschrijvingen zijn in het kader van de bewijsvoering relevant:

“STILL 18, 19 & 20 -- 04.17 uur:

NN1 keert om. Met versnelde pas loopt hij richting het slachtoffer, welke nog steeds in de opening van de garage staat. NN1 haalt met zijn rechterarm uit in de richting van het gezicht van het slachtoffer. NN1 raakt de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer. NN2 komt tussen beide partijen, tussen NN1 en het slachtoffer. NN2 duwt het slachtoffer weg in de richting van de hal. Ook is te zien dat de pet van het slachtoffer van zijn hoofd valt. Deze ligt op de grond in de hal van de betaalautomaten. Hieruit kan de conclusie worden gemaakt dat er behoorlijk wat kracht in de klap zat.

(…)

STILL 22 -- 04.17 uur:

NN3 rent door naar de hal van de parkeergarage. NN3 is direct erg gefocust op het

slachtoffer. Ten tijde van het aanrennen haalt NN3 zijn rechterarm naar achteren (de rechtbank ziet deze beweging van de rechterarm pas als NN3 stilstaat voor het slachtoffer) en beweegt deze voort in de richting van het gezicht van het slachtoffer. NN3 raakt met kracht de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer.

STILL 23 -- 04.17 uur:

NN1 loopt achter NN3 langs en haalt uit het gezichtsveld van het slachtoffer uit het

niets opnieuw uit. Hij probeert opnieuw het slachtoffer te verwonden, maar slaagt

hier niet in. Hij raakt het slachtoffer niet.

STILL 24 -- 04.17 tussen 4.18 uur:

Het slachtoffer vlucht weg naar buiten. Het slachtoffer rent voor alle verdachten

weg. NN1, NN2 en NN3 achtervolgen het slachtoffer naar buiten. De rechtbank ziet dat NN1 een trappende beweging maakt in de richting van het slachtoffer, die op dat moment uit beeld verdwijnt. Niet te zien is of deze trap het slachtoffer raakt. De confrontatie verplaatst zich naar het trottoir nabij de [straat] .

STILL 25 -- 04.17 tussen 4.18 uur:

NN3 rent achter het slachtoffer aan. NN3 springt het slachtoffer om zijn nek / rug. Op de foto is te zien dat NN3 bijna loskomt van de grond. Het lijkt of NN3 met zijn volle gewicht om de nek / rug van het slachtoffer hangt.

STILL 26 -- 04.17 tussen 4.18 uur:

NN3 probeert door middel van een soort van judoworp het slachtoffer naar de grond te werken.

STILL 27 -- 04.17 tussen 4.18 uur:

NN2 is achter NN3 aan komen rennen. Nadat NN3 het slachtoffer naar de grond probeerde te werken komt NN2 in beeld. NN2 trapt tegen het lichaam van het slachtoffer.

STILL 28 -- 04.17 tussen 4.18 uur:

Op het moment dat NN2 het slachtoffer schopt blijft NN3 het slachtoffer slaan. NN3 doet dit op het bovenlichaam van het slachtoffer.

STILL 29 -- 04.17 tussen 4.18 uur:

Op het moment dat NN3 het slachtoffer blijft slaan komt NN1 weer in beeld. NN1 schopt het slachtoffer tegen zijn hoofd (de rechtbank kan niet met zekerheid vaststellen dat deze trap het hoofd van het slachtoffer daadwerkelijk raakt, wel te zien is dat er in de richting van het hoofd van het slachtoffer wordt getrapt) . Dit doet hij door middel van een zogeheten vrije trap.

STILL 30 -- 04.17 tussen 4.18 uur:

Op deze foto is zeer goed waar te nemen dat NN1 zijn rechterbeen naar achteren zwaait en voort beweegt in de richting van het hoofd van het slachtoffer. NN1 raakt het slachtoffer met kracht in het gezicht. Tegelijkertijd trapt NN2 het slachtoffer in zijn rug. Door beide trappen, voornamelijk door de trap van NN1, raakt het slachtoffer voor korte tijd buiten bewustzijn.

STILL 31 -- 04.17 tussen 4.18 uur:

Het slachtoffer raakt buiten bewustzijn. Het slachtoffer ligt met zijn buik op de

grond. Alle drie (3) de verdachten, NN1, NN2 en NN3 staan om het slachtoffer heen en kijken hoe hij op de grond ligt.

STILL 32 -- 04.17 tussen 4.18 uur:

NN1 springt met zijn gehele lichaam omhoog. NN1 komt met beide voeten los van de grond. NN1 landt met zijn voeten op het hoofd van het slachtoffer (de rechtbank stelt vast dat NN1 met één voet op het hoofd van het slachtoffer landt).

(…)

STILL 34 -- 04.17 tussen 4.18 uur:

Alle verdachten NN1, NN2 en NN3 laten het slachtoffer liggen en kijken niet meer naar hem om.”

Al in het kader van eerdere verklaringen, maar ook bij het bekijken van de camerabeelden op de zitting hebben verdachte en zijn medeverdachten aangegeven wie van de op de beelden zichtbare personen zij zijn. Hier volgt uit dat NN1 [medeverdachte 1] is, dat NN2 [de verdachte] is en dat NN3 [medeverdachte 2] is.

Is er sprake van een poging tot doodslag?

De rechtbank beantwoordt de vraag of de geweldshandelingen richting het slachtoffer (met name die van [medeverdachte 1] richting het hoofd van het slachtoffer) een poging tot doodslag opleveren ontkennend.

De rechtbank gaat ervanuit dat er bij verdachte en zijn medeverdachten geen vol opzet bestond op de dood van het slachtoffer. Ook van voorwaardelijk opzet is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg door zijn handelen zou intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Zoals hiervoor is vastgesteld heeft [medeverdachte 1] het hoofd van het slachtoffer in ieder geval twee keer met een schop tegen of op zijn hoofd geraakt: één keer door middel van een trap in het gezicht en één keer door middel van een sprong op het hoofd. De laatstbedoelde sprong maakte [medeverdachte 1] terwijl het slachtoffer bewegingloos op de grond lag. Hoewel de beelden van het trappen op het hoofd van het slachtoffer door [medeverdachte 1] indringend overkomen, zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bestond. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen met welke kracht er is getrapt, terwijl verdachte met gympen (en niet met hard schoeisel) heeft getrapt. Nu het slachtoffer, ondanks onderzoek door de politie, niet gevonden is en niet bekend is of hij letsel heeft opgelopen, kan het letsel dat hij al dan niet heeft opgelopen geen bevestiging of contra-indicatie vormen voor het bovenstaande oordeel. Hoewel het hoofd een vitaal onderdeel van het lichaam is, kan gelet op het voorgaande niet zonder meer bewezen worden dat de omstandigheden zodanig waren dat een aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer door het handelen van de verdachte zou komen te overlijden. De rechtbank zal verdachte daarom van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag vrijspreken.

Is er sprake van poging tot zware mishandeling?

De rechtbank beantwoordt de vraag of de geweldshandelingen richting het slachtoffer (opnieuw met name die van [medeverdachte 1] richting het hoofd van het slachtoffer) een poging tot zware mishandeling opleveren bevestigend. De rechtbank is van oordeel dat er met de twee schoppen, één keer tegen en één keer op het hoofd van het slachtoffer, op zijn minst voorwaardelijk opzet bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Door de trappen in het gezicht en op het hoofd is de kans aanmerkelijk te achten dat er zwaar lichamelijk letsel optreedt. Hoewel niet kan worden vastgesteld met welke kracht er is getrapt, kan de rechtbank wel vaststellen dat dit met enige kracht is gebeurd. Als gevolg van de trap in het gezicht raakte het slachtoffer immers buiten bewustzijn. Voor de trap op het hoofd van het slachtoffer geldt daarbij dat [medeverdachte 1] met beide voeten de lucht in is gegaan alvorens hij het hoofd van het slachtoffer raakte. De kans dat een dergelijke trap en sprong op het hoofd leiden tot botbreuken in het gezicht waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk is en/of volledig herstel niet mogelijk of zeer langdurig zal zijn, acht de rechtbank aanmerkelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gedragingen van [medeverdachte 1] naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht daarom bewezen dat in ieder geval [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Is er sprake van medeplegen?

De laatste vraag die aan de rechtbank voorligt is of ook [de verdachte] en [medeverdachte 2] als medeplegers schuldig zijn aan de in ieder geval door [medeverdachte 1] gepleegde poging tot zware mishandeling.

Voor een bewezenverklaring van medeplegen dient vast komen te staan dat bij het begaan van het strafbare feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat sprake is van medeplegen kan niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

In dit verband stelt de rechtbank voorop dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 1] begint met het uitoefenen van geweld jegens het slachtoffer. Vervolgens zijn het eerst [de verdachte] en daarna ook [medeverdachte 2] die geweld uitoefenen jegens het slachtoffer. Ook het geweld van [de verdachte] en [medeverdachte 2] is stevig te noemen en bestaat uit het slaan, trappen en naar de grond brengen van het slachtoffer. [medeverdachte 1] , [de verdachte] en [medeverdachte 2] hebben kennelijk één gemeenschappelijk doel: de confrontatie zoeken met en het uitoefenen van geweld jegens het slachtoffer. [medeverdachte 1] , [de verdachte] en [medeverdachte 2] zijn in elkaars bijzijn bezig met het uitoefenen van geweld, wisselen elkaar af en volgen elkaar op in het geweld. Géén van de verdachten heeft zich gedistantieerd van het geweld, ook niet toen [medeverdachte 1] de eerste trap richting het hoofd van het slachtoffer uitdeelde en het slachtoffer vervolgens bewegingsloos op de grond bleef liggen. De rechtbank is gelet op dit alles van oordeel dat [medeverdachte 1] , [de verdachte] en [medeverdachte 2] nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt en dat zij allen een wezenlijke en substantiële bijdrage aan het toegepaste geweld hebben geleverd.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat ook [de verdachte] en [medeverdachte 2] zich als medeplegers schuldig hebben gemaakt aan de onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van het slachtoffer. Dit brengt met zich mee dat ook het aan [medeverdachte 1] ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank t.a.v. feit 2

Gelet op de ingenomen standpunten en het voorgaande komt de rechtbank ook ten aanzien van het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde tot een bewezenverklaring. Aan deze bewezenverklaring liggen dezelfde bewijsmiddelen ten grondslag als ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde en hierna bewezen te verklaren feit. Er is voor wat betreft het onder 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde sprake van eendaadse samenloop.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de het voorgaande en de in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

t.a.v. feit 1 subsidiair:

op 26 mei 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten een onbekend gebleven persoon, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze onbekend gebleven persoon

- meermalen tegen het gezicht en op het lichaam heeft geslagen en

- op zijn rug is gesprongen, aan zijn nek heeft gehangen en hem naar de grond heeft geprobeerd te werken en

- meermalen tegen en op het gezicht, hoofd en lichaam heeft geschopt en gesprongen (met geschoeide voet),

al dan niet terwijl deze persoon op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

t.a.v. feit 2:

op 26 mei 2025 te Amsterdam openlijk, te weten in de [straat] en in en rondom [parkeergarage] , in elk geval op of aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een onbekend gebleven persoon, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het (bij) deze onbekend gebleven persoon meermalen, althans eenmaal

- tegen het lichaam te duwen en

- tegen het gezicht en op het lichaam te slaan,

- op zijn rug te springen, aan zijn nek te hangen en hem naar de grond proberen te werken,

- tegen het lichaam te schoppen (met geschoeide voet), en

- tegen en op het gezicht en het hoofd te schoppen en springen (met geschoeide voet).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 104 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in haar rapport van 22 januari 2026. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd voor de duur van 100 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan de duur van het voorarrest. Daarnaast kan aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Verdachte is bereid tot het uitvoeren van een taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder de ernst van het feit laten meewegen. Ongeacht de precieze aanleiding en hetgeen er al dan niet over en weer is gezegd bij het begin van het conflict, heeft verdachte zich aangesloten bij het door toedoen van zijn medeverdachte geëscaleerde conflict met het slachtoffer. Het slachtoffer, dat de boel in eerste instantie enkel leek te willen sussen, is door verdachte en zijn medeverdachten flink te grazen genomen. Wat er zich in de nacht van 26 mei 2025 heeft afgespeeld is enkel te omschrijven als zinloos (uitgaans)geweld. Er is sprake van een geweldexplosie in een zeer korte tijd, midden in de nacht in en bij een parkeergarage in het centrum van de stad, met andere woorden op een openbare plek. Dit soort incidenten wakkeren onveiligheidsgevoelens in de maatschappij aan.

Voor het bepalen van een passende straf zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het ‘opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van bijvoorbeeld één of meer kopsto(o)t(en) en/of schoppen/trappen tegen het hoofd’ schrijven de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voor. Nu het om een poging gaat, neemt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden als uitgangspunt. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat er sprake is van medeplegen. In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank mee dat verdachte in vergelijking tot medeverdachte [medeverdachte 1] een relatief kleiner aandeel heeft gehad in het geweld en in eerste instantie de-escalerend heeft gehandeld. Voor verdachte vertaalt zich dit in de strafmodaliteit ten opzichte van medeverdachte [medeverdachte 1] . Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen op, met aftrek van voorarrest en waarvan 104 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren op, bij niet voldoen te vervangen door 40 dagen hechtenis.

Aan de proeftijd verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in haar rapport van 22 januari 2026. Verdachte heeft, gelet op onder andere zijn problematische psychosociaal functioneren (bestaande uit gebrekkige impulsbeheersing en reactieve agressie), baat bij de oplegging van deze voorwaarden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 47, 55, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

eendaadse samenloop van:

t.a.v. feit 1, subsidiair:

medeplegen van poging tot zware mishandeling

en ten aanzien van feit 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 104 (honderdvier) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde blijft zich gedurende de proeftijd melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.

Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door de Waag of een soortgelijke

zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.S. Dogan, voorzitter,

mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en J.V.L. van Well, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. L.J.F. Ceelie en M.T. de Hertog, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 maart 2026.

Tenlastelegging

Aan verdachte [de verdachte] is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 26 mei 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten een onbekend gebleven persoon van het leven te beroven, deze onbekend gebleven persoon

- meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht, hoofd en/of het lichaam heeft geslagen,

- op zijn rug is gesprongen, aan zijn nek heeft gehangen en/of hem naar de grond heeft geprobeerd te werken, en/of

- meermalen, althans eenmaal tegen en/of op het gezicht, hoofd en/of lichaam heeft geschopt, gestampt en/of gesprongen (met geschoeide voet),

al dan niet terwijl deze persoon op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1

ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 mei 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten een onbekend gebleven persoon, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze onbekend gebleven persoon

- meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht, hoofd en/of op het lichaam heeft geslagen en/of

- op zijn rug is gesprongen, aan zijn nek heeft gehangen en/of hem naar de grond heeft geprobeerd te werken, en/of

- meermalen, althans eenmaal tegen en/of op het gezicht, hoofd en/of lichaam heeft geschopt, gestampt en/of gesprongen (met geschoeide voet),

al dan niet terwijl deze persoon op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid

1. ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op of omstreeks 26 mei 2025 te Amsterdam openlijk, te weten in de [straat] en/of in/rondom [parkeergarage] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten een onbekend gebleven persoon, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het (bij) deze onbekend gebleven persoon meermalen, althans eenmaal

- ( met kracht) tegen het lichaam te duwen en/of

- tegen het gezicht, het hoofd en/of op het lichaam te slaan,

- op zijn rug te springen, aan zijn nek te hangen en/of hem naar de grond proberen

te werken,

- tegen het lichaam te schoppen (met geschoeide voet), en/of

- tegen/op het gezicht en/of het hoofd te schoppen, stampen en/of springen (met

geschoeide voet);

(art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?