ECLI:NL:RBAMS:2026:2266

ECLI:NL:RBAMS:2026:2266

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 04-03-2026
Zaaknummer 13/168959-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Veroordeling wegens artikel 6 WVW. Verdachte heeft als bestuurder van een vrachtauto een verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan een 69-jarige voetganger is overleden. Verdachte reed in een grote vrachtauto in het centrum van Amsterdam en heeft onvoldoende voorzichtigheid betracht bij het afslaan, al rijdende tegen de rijrichting in. Hij heeft daarbij de kwetsbare voetganger, die op dat moment voorrang had, over het hoofd gezien. Verdachte is tegen de overstekende voetganger aangereden waarna zij onder de vrachtauto van verdachte terecht is gekomen. Sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag. Taakstraf van 100 uur, geen OBM.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/168959-25

Datum uitspraak: 5 maart 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. van der Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.C. Dekkers, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van de spreekrechtverklaring van nabestaande [nabestaande] .

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – primair ten laste gelegd dat hij zich op 14 oktober 2024 te Amsterdam zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] is gedood (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna WVW). Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg (overtreding van artikel 5 WVW).

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, zoals primair is ten laste gelegd, is vereist dat uit de bewijsmiddelen volgt dat bij de verdachte op zijn minst sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onoplettendheid en/of onachtzaamheid.

Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zodanig onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam is geweest dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 14 oktober 2024 rond 13:02 uur is verdachte aan het werk en rijdt hij in een vrachtauto van de stadsreiniging over de Prinsengracht in Amsterdam, komende vanuit de richting van de Rozengracht en gaande in de richting van de Leidsegracht. Bij de Passeerdersgracht aangekomen wil hij die rechtsaf inslaan maar blijkt die met betrekking tot de daartoe bestemde rijbaan afgesloten voor verkeer. Verdachte besluit om over de brug te rijden om vervolgens (aan de overzijde) tegen de rijrichting in de Passeerdersgracht op te gaan om zo bij de afvalcontainers aan het Raamplein te komen. [slachtoffer] , het latere slachtoffer, loopt op dat moment aan de rechterzijde van de vrachtauto van verdachte en in dezelfde richting als verdachte over het trottoir van de Prinsengracht .

Verdachte slaat vervolgens rechtsaf de Passeerdersgracht op, terwijl [slachtoffer] op dat moment doende was om rechtdoor de Passeerdergracht over te steken. Verdachte heeft [slachtoffer] , die zich op dezelfde weg naast hem bevond, niet voor laten gaan, is tegen haar aangereden en vervolgens over haar heen gereden. [slachtoffer] is op de plaats van het ongeval aan de gevolgen daarvan overleden.

Het ongeval is door camera’s van een kapper ( [naam] ) op de hoek Prinsengracht/Passeerdersgracht vastgelegd. Uit onderzoek naar de camerabeelden komt naar voren dat de voetganger zich voorafgaand aan de aanrijding in ieder geval gedurende 27 seconden kort voor of naast de bedrijfsauto bevond. Verder is uit het onderzoek op de plaats van het verkeersongeval naar het zicht in de buitenspiegels en op de monitor van de bedrijfswagen alsmede het spiegelvelden onderzoek op grondniveau gebleken dat er voor de bestuurder van de vrachtauto continue zicht was op het trottoir waar de voetganger liep.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van aanmerkelijke schuld en komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. De aanmerkelijke schuld blijkt volgens de officier van justitie uit de omstandigheden dat verdachte het slachtoffer niet heeft gezien terwijl zij beiden in dezelfde richting gingen, hij haar voorbij gereden is en zij zich de gehele tijd in zijn zichtvelden heeft bevonden. Er is daarmee ook geen sprake van een enkel moment van onoplettendheid. Daarbij was de ontheffing om tegen de rijrichting in te rijden niet geldig omdat een wegopbreking geen noodsituatie is waarvoor de ontheffing gebruikt mag worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw concludeert dat sprake is geweest van een kijkfout waardoor dat verdachte het slachtoffer niet heeft gezien, geen voorrang heeft gegeven en heeft aangereden. Voor de vraag of daarmee sprake is van aanmerkelijke schuld refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De vraag is of verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft gehad aan het verkeersongeval.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij het naar rechts afslaan zijn gebruikelijke handelingen heeft verricht. Hij reed stapvoets en heeft in al zijn spiegels gekeken, maar misschien niet goed naar de dode-hoekcamera, omdat die zich in de verschillende vrachtauto’s die hij voor zijn werk moet gebruiken op andere plaatsen in de cabine bevindt. Hij heeft het slachtoffer niet gezien en begrijpt niet hoe het kan dat hij haar niet heeft gezien. Hij is gestopt met rijden omdat hij een vrouw hysterisch zag zwaaien en wist toen gelijk dat het goed mis was.

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte over de Prinsengracht de Passeerdersgracht is genaderd terwijl hij in dezelfde richting reed als het slachtoffer liep en dat zij zich voorafgaand aan de aanrijding in ieder geval 27 seconden kort voor of naast de vrachtwagen van verdachte bevond. Ook staat vast dat er voor verdachte continue zicht was op het trottoir waar het slachtoffer liep. Verdachte had haar dus geruime tijd voorafgaand aan de aanrijding kunnen en moeten zien. Na de brug is verdachte – in de veronderstelling dat hij daarvoor een ontheffing had – rechtsaf geslagen en tegen de rijrichting in de Passeerdergracht opgereden. Verdachte heeft daarbij het slachtoffer, dat rechtdoor ging, geen voorrang verleend terwijl hij dat wel had moeten doen. Verdachte heeft bij het afslaan niet voldoende gekeken of er andere verkeersdeelnemers waren die hij voorrang diende te geven. Los van de vraag of verdachte zijn ontheffing in deze situatie had mogen gebruiken (wat niet in de tenlastelegging is opgenomen), had verdachte extra voorzichtig moeten zijn omdat hij een bijzondere manoeuvre verrichtte door tegen de rijrichting in te rijden, waarop het slachtoffer niet bedacht kon zijn. Dit heeft verdachte niet gedaan. Verdachte was, zoals hij bij de politie heeft verklaard, gefocust op het einde van de Passeerdersgracht en of daar geen andere auto in zou komen rijden en is onvoldoende oplettend geweest op de kwetsbare voetgangster die zich nabij zijn vrachtauto bevond.

Er zijn geen factoren gesteld of gebleken die maken dat verdachte, ondanks het voorgaande, geen verwijt kan worden gemaakt.

Gelet op deze feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte door zijn gedragingen een ernstig gevaar in het leven heeft geroepen waarop overige wegebruikers niet bedacht hoeven te zijn geweest. Verdachte heeft onvoldoende opgelet of de weg vrij was en heeft geen voorrang verleend waar hij dat wel had moeten doen. De rechtbank merkt dit rijgedrag aan als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. Door dit onvoorzichtige, onoplettende en onachtzame rijgedrag heeft verdachte vervolgens een ongeluk veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden. Dit maakt dat het primair ten laste gelegde, overtreding van artikel 6 WVW, is bewezen.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in 3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 14 oktober 2024 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmee rijdende over de Prinsengracht en de Passeerdersgracht, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] werd gedood,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Prinsengracht, komende uit de richting van de Rozengracht en gaande in de richting van de Leidsegracht, en

verdachte is vervolgens over de brug rechts afgeslagen om - tegen de rijrichting in - de

Passeerdersgracht op te rijden, en

verdachte heeft zich er gedurende zijn manoeuvre om rechts af te slaan niet voldoende van vergewist en is zich er niet voldoende van blijven vergewissen dat de weg vrij was van andere weggebruikers, en

verdachte heeft vervolgens de rechtdoorgaande voetganger [slachtoffer] , die was begonnen met het oversteken van de Passeerdersgracht, geen voorrang verleend en is tegen die [slachtoffer] aangereden en over die [slachtoffer] heengereden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. . De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte primaire feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren. Indien verdachte deze taakstraf niet verricht dan dient hij 120 dagen hechtenis te ondergaan. Daarnaast heeft de officier van justitie een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen (OBM) gevorderd voor de duur van één jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke OBM op te leggen, maar gegeven de context, de persoonlijke omstandigheden en het tijdsverloop, te volstaan met een voorwaardelijke OBM. De noodzaak voor oplegging van een onvoorwaardelijke OBM ontbreekt. Verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk en hoewel het voor verdachte geen plezier is om in de vrachtwagen te zitten is het wel noodzakelijk voor zijn inkomen. Daarnaast heeft hij zijn rijbewijs ook nodig voor de dagelijkse bezigheden die zijn leven nog enigszins stabiliseren, zoals bezoeken aan de psycholoog en zijn ouders, het brengen en halen van de kinderen naar sport of zijn vrouw naar de dokter.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft als bestuurder van een vrachtauto een verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan de 69-jarige [slachtoffer] is overleden. Verdachte reed in een grote vrachtauto in het centrum van Amsterdam en heeft onvoldoende voorzichtigheid betracht bij het afslaan, al rijdende tegen de rijrichting in. Hij heeft daarbij de kwetsbare voetganger [slachtoffer] , die op dat moment voorrang had, over het hoofd gezien. Verdachte is tegen de overstekende [slachtoffer] aangereden waarna zij onder de vrachtauto van verdachte terecht is gekomen. [slachtoffer] heeft dit ongeval niet overleefd, een verlies waarvan de omvang voor haar partner moeilijk onder woorden te brengen is, zoals is gebleken uit zijn ter zitting afgelegde spreekrechtverklaring. Het trieste ongeval en de plotselinge dood van [slachtoffer] heeft diepe en onherstelbare sporen nagelaten in het leven van haar partner en iedereen die haar lief had.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij onder behandeling is bij een psycholoog in verband met het ongeval en de nasleep daarvan en zichzelf nog dagelijks de vraag stelt hoe het kan dat hij het slachtoffer niet heeft gezien. Verdachte zal de rest van zijn leven de wetenschap met zich mee moeten dragen dat door zijn toedoen iemand om het leven is gekomen. Het is duidelijk dat verdachte dit ongeluk niet heeft gewild en ter zitting is gebleken dat het hem heel erg aangrijpt. Na een korte hervatting van zijn werk is hij nu weer ziekgemeld omdat hij het werk psychisch niet aan kan.

De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf recht zal doen aan het leed dat het slachtoffer en haar nabestaanden is aangedaan. Gelet op het verwijt dat aan verdachte kan worden gemaakt is vanuit het strafdoel van generale preventie en vergelding een straf toch op zijn plaats. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht; de vertrekpunten die strafrechters hanteren bij het bepalen van straffen. Bij een bewezenverklaring van artikel 6 WVW, en de vaststelling dat de verdachte aanmerkelijke schuld heeft aan het veroorzaken van het verkeersongeval als gevolg waarvan het slachtoffer is komen te overlijden, wordt een taakstraf voor de duur van 240 uur met daarnaast een OBM voor de duur van één jaar als uitgangspunt genoemd. De rechtbank ziet mede in het licht van de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de verantwoordelijkheid die hij neemt voor wat er is gebeurd aanleiding om daarvan in matigende zin van af te wijken. De rechtbank betrekt daarbij ook de moeilijke omstandigheden waaronder verdachte als beroepschauffeur in een drukke stad als Amsterdam zijn werk moet uitoefenen.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 100 uur passend en legt deze straf aan verdachte op. De rechtbank ziet vanuit het oogpunt van speciale preventie geen aanleiding om naast een taakstraf een OBM aan verdachte op te leggen, ook niet in voorwaardelijke zin. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een OBM in dit geval geen strafdoel dient. Verdachte is in totaal meer dan twintig jaar werkzaam als beroepschauffeur in Amsterdam en heeft blijkens zijn Justitiële Documentatie (strafblad) geen recente, relevante veroordelingen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde

- overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. J. Thomas en G.M. Beunk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.A. Overbosch

Griffier

  • mr. K.M.H. Stikkers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?