RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/243038-23
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
hierna: verdachte.
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D.G. Specker, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. M. Prins en mr. G.J.M.E. de Bont, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
1. het feitelijk leiding geven aan [naam B.V.]. (hierna: [naam B.V.]) bij het door [naam B.V.] opzettelijk niet of niet tijdig doen van aangifte vennootschapsbelasting over de jaren 2018, 2020 en 2021, terwijl dat ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven;
2. het opzettelijk niet of niet tijdig doen van aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2019, terwijl dat ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is de uitnodiging tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting naar een onjuist adres gestuurd, zodat geen verplichting tot het doen van aangifte bestond. Verder is er bij [naam B.V.] geen sprake van opzet op het niet (tijdig) doen van de aangiften en heeft verdachte hieraan in ieder geval geen feitelijke leiding gegeven. Ook ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde ontbreekt opzet op het ten laste gelegde bij verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Niet ter discussie staat het volgende. [naam B.V.] is voor de vennootschapsbelasting een fiscale eenheid met elf dochterondernemingen. De eenheid [naam B.V.] is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. In de jaren 2018, 2020 en 2021 is door [naam B.V.] geen aangifte vennootschapsbelasting gedaan binnen de daarvoor door de Belastingdienst gestelde termijnen. Ook de aangifte inkomstenbelasting 2019 van verdachte is niet gedaan binnen de daarvoor door de Belastingdienst gestelde termijnen. Het niet (tijdig) doen van belastingaangifte strekt er in zijn algemeenheid toe dat te weinig belasting wordt geheven.
Feit 1: feitelijk leidinggeven aan het niet (tijdig) doen van aangifte vennootschapsbelasting door [naam B.V.]
Juistheid van de adressering
De uitnodigingen van de Belastingdienst tot het doen van de aangifte vennootschapsbelasting over de jaren in geding zijn steeds verzonden naar het adres [adres]. Dit adres was bij de Belastingdienst bekend als postadres voor de vennootschapsbelasting in de periode van 22 oktober 2014 tot en met 22 maart 2022. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij degene is geweest die dit adres destijds, namens de vennootschap, heeft opgegeven als postadres bij de Belastingdienst. De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat het postadres door of namens [naam B.V.] nadien is gewijzigd. Pas in 2022, omdat de naar Tiel gestuurde brieven door de Belastingdienst retour werden ontvangen met als melding “niet gevestigd op dit adres” is het postadres door de Belastingdienst gewijzigd naar het vestigingsadres van [naam B.V.]. De rechtbank ziet wel dat er eerder door [naam B.V.] melding is gemaakt van wijziging van belastingconsulent en dat erop is gewezen dat bepaalde bij de Belastingdienst bekende gegevens onjuist zijn, maar uit die melding is niet op te maken om welke gegevens dat gaat. In ieder geval is niet (expliciet) verzocht om wijziging van het eerder opgegeven postadres. De rechtbank concludeert al met al dan ook dat de uitnodigingen voor het doen van aangifte vennootschapsbelasting naar het juiste adres zijn verzonden. Dat tevens correspondentie over de vennootschapsbelasting is verzonden aan andere adressen, doet daar niet aan af.
Voorwaardelijk opzet
Op 27 september 2021 heeft BDO (het toenmalige accountantskantoor van [naam B.V.]) per mail laten weten aan [naam] (de CFO van [naam B.V.]), met verdachte in de cc, dat er op dat moment nog uitstel liep voor de aangifte vennootschapsbelasting 2018, maar dat dit spoedig af zou lopen, te weten op 1 oktober 2021. Korte tijd daarna is [naam B.V.] overgestapt van BDO naar een ander accountantskantoor: PwC. Verdachte heeft hierover verklaard dat [naam B.V.] de overstap van BDO naar PwC heeft gemaakt nadat duidelijk werd dat niet voldaan werd aan de aangifteverplichtingen. De rechtbank stelt op basis van de genoemde omstandigheden vast dat het voor [naam B.V.] eind 2021 duidelijk was dat snel moest worden gehandeld. Vervolgens duurde het echter nog tot 28 februari 2022 voordat [naam B.V.] en PwC een overeenkomst sloten. Uit de opdrachtbevestiging blijkt vervolgens niet dat PwC opdracht is gegeven ook de aangifte vennootschapsbelasting 2018, 2020 en 2021 te doen. [naam partner], partner van PwC, heeft eveneens verklaard dat hij niet met [naam B.V.] heeft gesproken over aangiften vennootschapsbelasting en de achterstanden daarvan. [naam partner] raakte naar eigen zeggen pas op de hoogte van de achterstanden op 1 februari 2023, toen de Belastingdienst daarover telefonisch contact met hem opnam en PwC is dan ook pas vanaf dat moment betrokken geraakt bij de achterstallige aangiften vennootschapsbelasting van [naam B.V.]. [naam B.V.] heeft voor de aangiften vennootschapsbelasting 2018, 2020 en 2021 herinneringen en aanmaningen ontvangen. De rechtbank concludeert echter dat uit de stukken niet blijkt dat [naam B.V.], PwC vervolgens (op welke manier dan ook) op de hoogte heeft gesteld van deze stukken en de achterstanden. [naam B.V.] heeft aldus onvoldoende actie ondernomen met betrekking tot de aangiften. Deze omstandigheden tezamen maken dat door [naam B.V.] willens en wetens de aanmerkelijke kans is aanvaard dat de aangiften niet of niet tijdig zouden worden ingediend. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet.
Feitelijk leidinggeven
Verdachte is enig aandeelhouder van [naam B.V.] en was tot 1 juni 2022 enig middellijk bestuurder. Vervolgens is [naam] als CFO aangesteld en volgens verdachte is [naam] verantwoordelijk voor de financiële zaken. [naam] heeft dit bevestigd, maar heeft eveneens verklaard dat hij relevante zaken, zoals een uitstelregeling met betrekking tot de vennootschapsbelasting, terugkoppelt aan verdachte. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier verder blijkt dat verdachte betrokken is bij belangrijke beslissingen omtrent [naam B.V.], waaronder beslissingen op fiscaal terrein. Zo gaf verdachte aan dat de samenwerking met BDO op zijn initiatief is stopgezet en dat hij samen met [naam] het contact onderhoudt met PwC, met name met [naam partner].
Verdachte is in beginsel als bestuurder (en enig eigenaar) verantwoordelijk voor de gang van zaken binnen de onderneming. Uit het voorgaande volgt dat verdachte ook in de praktijk nauw betrokken was bij de fiscale aangelegenheden van [naam B.V.]
De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte als feitelijke leidinggever aansprakelijk is voor de door [naam B.V.] gepleegde strafbare feiten.
Feit 2: het niet (tijdig) doen van aangifte inkomstenbelasting
De uitnodiging tot het doen van aangifte inkomstenbelasting 2019 is naar het huisadres van verdachte gestuurd, inclusief de herinnering en aanmaning. In de aanmaning, die verdachte op 21 juli 2021 heeft ontvangen, is als uiterste inleverdatum 4 augustus 2021 genoemd. Vervolgens heeft verdachte pas op 6 augustus 2021 de herinnering en de aanmaning naar CFO [naam] doorgestuurd, met daarbij de tekst “SVP actie richting BDO”. Hierna heeft verdachte zich er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende van vergewist of zijn aangifte inkomstenbelasting daadwerkelijk was ingediend. Pas in de zomer van 2023 heeft hij de opdracht aan PwC verstrekt om namens hem zijn aangifte inkomstenbelasting 2019 te gaan opstellen en indienen, omdat PwC verdachte daarnaar vroeg. Verdachte heeft aangegeven dat hij dacht dat hij in een uitstelregeling liep, en BDO en/of [naam] aangifte zou doen, maar gelet op de herinnering en aanmaning (waarin 4 augustus 2021 als uiterlijke datum wordt genoemd) had hij daar niet zonder meer op mogen vertrouwen. De rechtbank stelt vast dat verdachte door zijn nalaten bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn aangifte inkomstenbelasting niet op tijd zou worden ingediend. Verdachte heeft derhalve voorwaardelijk opzet gehad op het niet (tijdig) indienen van de aangifte inkomstenbelasting.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Feit 1
[naam B.V.]. op tijdstippen in of omstreeks 9 maart 2022 tot en met 28 december 2024 in Nederland, (telkens) opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (of meer) (digitale) aangiften vennootschapsbelasting ten name van [naam B.V.]. over:
- het jaar 2018 en
- het jaar 2020 en
- het jaar 2021;
(telkens) niet of niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan,
terwijl die feiten (telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting wordt
geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
Feit 2
op tijdstippen in of omstreeks 5 augustus 2021 tot en met 13 december 2023 te Almere en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (digitale) aangifte voor de inkomstenbelasting ten name van R.A.M.A. Mamadeus over:
- het jaar 2019,
niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan,
terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven;
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 tenlastegelegde en bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring rekening te houden met de hoogte van het nadeel en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ook is verzocht rekening te houden met de inspanningen die zijn verricht door [naam B.V.] en verdachte om de aangiften alsnog in te dienen, wat inmiddels is gebeurd.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft gedurende een periode enkele jaren feitelijk leiding gegeven aan het opzettelijk niet (tijdig) voldoen aan de aangifteverplichting door [naam B.V.]. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan het niet (tijdig) doen van zijn eigen aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2019. Door niet aan de aangifteverplichtingen te voldoen wordt de mogelijkheid voor de Belastingdienst om belastingaanslagen op te leggen bemoeilijkt. Uiteindelijk kan dit leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor alle Nederlanders. De handelingen van verdachte dragen bovendien bij aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Uiteindelijk heeft de Belastingdienst voor de jaren 2018, 2020 en 2021 aanslagen vennootschapsbelasting voor een totaalbedrag van € 561.732 opgelegd. Voor 2019 is een aanslag inkomstenbelasting van € 294.383 opgelegd.
Straf
De rechtbank heeft niet de indruk dat verdachte moedwillig heeft geprobeerd belasting te ontduiken. Wel blijkt uit zijn handelen, althans het ontbreken daaraan, dat verdachte zowel zijn eigen fiscale verplichtingen als de fiscale verplichtingen die zijn verbonden aan het drijven van een onderneming volstrekt onvoldoende prioriteit heeft gegeven.
Verdachte heeft gewezen naar anderen, zijn accountants en CFO. Verdachte had zich als eigenaar en bestuurder van [naam B.V.] echter meer moeten inspannen en controleren of de aangiften ook daadwerkelijk werden ingediend. Hetzelfde geldt voor zijn eigen aangifte inkomstenbelasting.
Op de zitting is gebleken dat verdachte, hoewel veel te laat, inmiddels alsnog aan zijn aangifteverplichtingen heeft voldaan. Dit weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat bij uitspraak van heden ook zijn besloten vennootschap [naam B.V.] wordt veroordeeld. Alles afwegende acht zij een taakstraf voor de duur van 150 uren passend en geboden. De rechtbank legt daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 3 maanden, als stok achter de deur om niet opnieuw strafbare feiten te plegen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
feitelijk leiding geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 2:
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 (honderdvijftig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 (vijfenzeventig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M.R. Vastenburg, voorzitter,
mrs. C.A.E. Wijnker en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.V. Koppelman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2026.