RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/782685 / KG ZA 26-78 MdV/EV
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 2 maart 2026
in de zaak van
1. VERENIGING VAN EIGENAARS GEBOUW " [naam gebouw] " [adres 1] , [nummer] , [nummer] EN [nummer] TE [plaats],
te [plaats] ,2. [eiser 2],
te [plaats] ,3. [eiser 3],
te [plaats] ,4. [eiser 4],
te [plaats] ,5. [eiser 5],
te [plaats] ,6. [eiser 6],
te [plaats] ,7. [eiser 7],
te [plaats] ,8. [eiser 8],
te [plaats] ,9. [eiser 9],
te [plaats] ,10. [eiser 10],
te [plaats] ,11. [eiser 11],
te [plaats] ,12. [eiser 12],
te [plaats] ,13. [eiser 13],
te [plaats] ,14. [eiser 14],
te [plaats] ,15. [eiser 15],
te [plaats] ,
eisende partijen bij dagvaarding van 20 februari 2026,
hierna samen te noemen: VVE c.s.,
advocaten: mr. H.J. Hagemans en mr. S.F. Puijk,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. C.T. Boekema.
Het kort geding wordt gehouden in de rechtbank Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.P.M. Vos, griffier.
Aanwezig zijn:
1. De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling op 2 maart 2026 heeft de VVE c.s. de dagvaarding toegelicht aan de hand van een pleitnota. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd, mede aan de hand van een pleitnota. Beide partijen hebben producties ingediend. De behandeling van de zaak is gesloten en de voorzieningenrechter heeft vervolgens na een korte schorsing in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 5 maart 2026 aan partijen is afgegeven.
2. De beoordeling
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn de eigenaren van de woning aan de [adres 2] . Aan hen is een (onherroepelijke) omgevingsvergunning verleend ten aanzien van het verhogen en uitbouwen van de woning. VVE c.s. vreest voor onrechtmatige hinder voor de appartementseigenaren in het pand naast dat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als het bouwplan wordt uitgevoerd.
De vordering van VVE c.s. om de uitvoering van het bouwplan te verbieden zal worden toegewezen. VVE c.s. heeft in dit kort geding aannemelijk gemaakt dat er een niet kleine kans bestaat dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de bouwplannen onrechtmatige hinder zullen veroorzaken voor de appartementseigenaren in de vorm van minder daglicht, zonlicht en uitzicht. Dit volgt uit het bezonnings-, daglicht- en uitzichtonderzoek dat is overgelegd door VVE c.s., waar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op dit moment weinig tegenover hebben gesteld. In een bodemprocedure zal het mogelijk aankomen op een oordeel van een door de rechtbank te benoemen deskundige. Er kan in dit kort geding niet vooruit worden gelopen op de resultaten van dat deskundigenonderzoek.
Als het bouwplan nu wordt uitgevoerd, leidt dat tot gevolgen die zich moeilijk of niet laten terugdraaien. De appartementseigenaren hebben er vanwege die - naar het zich laat aanzien - onomkeerbare gevolgen een groot belang bij dat het bouwplan nu niet doorgaat. Dat belang weegt ook zwaarder dan dat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om wel nu te beginnen met bouwen.
Het zal [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarom voorlopig worden verboden om het bouwplan uit te voeren, in afwachting van een bodemprocedure. Aan die veroordeling wordt een dwangsom verbonden van € 200.000,00 ineens en € 50.000,00 per dag dat niet aan de veroordeling wordt voldaan, met een maximum van € 1.000.000,00.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VVE c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
154,09
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.255,09
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om het bouwplan dat uit de op 19 mei 2020 verleende omgevingsvergunning met kenmerk [kenmerk] volgt te realiseren, op straffe van een dwangsom van € 200.000,00 ineens en € 50.000,00 per dag(deel) dat zij niet aan deze veroordeling voldoen, tot een maximum van € 1.000.000,00 is bereikt, in ieder geval totdat in een bodemprocedure anders is geoordeeld,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.255,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.P.M. Vos, griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter en de griffier.