RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.237476.19 (vordering 6:6:29 Sv)
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Beslissing op de vordering tot vervanging van de jeugddetentie als bedoeld in artikel 6:6:29 Wetboek van Strafvordering inzake:
[veroordeelde] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[adres] ,
hierna te noemen: [veroordeelde] of de veroordeelde.
Procedure
De meervoudige strafkamer van deze rechtbank heeft op 4 februari 2020 [veroordeelde] met toepassing van het adolescentenstrafrecht veroordeeld tot een jeugddetentie van twaalf maanden. Daarvan zijn zes maanden voorwaardelijk opgelegd onder algemene en bijzondere voorwaarden met een proeftijd van twee jaren. Verder is bevolen dat de tijd door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
De officier van justitie heeft op 10 juli 2025 gevorderd de opgelegde jeugddetentie te vervangen door een taakstraf.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Fivoor van 25 februari 2025, inhoudende een advies tot vervanging van de jeugddetentie door een (geheel) voorwaardelijke taakstraf.
De vordering is behandeld ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 5 maart 2026, waar de officier van justitie mr. D. Alsemgeest, de veroordeelde en zijn raadsman mr. R. Pothast, advocaat te Amsterdam zijn gehoord.
De standpunten
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering de opgelegde jeugddetentie te vervangen door een taakstraf. Volgens het Openbaar Ministerie staan na aftrek van het voorarrest nu nog 136 dagen jeugddetentie open. Daarvan vordert de officier van justitie deze te vervangen door (primair) een taakstraf van 200 uren, dan wel (subsidiair) een voorwaardelijke taakstraf van 200 uren.
De veroordeelde en zijn raadsman hebben bepleit de opgelegde jeugddetentie te vervangen door een geheel voorwaardelijke taakstraf.
Beoordeling
Bij de beoordeling van de vordering is allereerst het wettelijk kader van art. 6:6:29 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van belang. Dat artikel bepaalt, samengevat, dat de rechter een jeugddetentie geheel of gedeeltelijk kan vervangen door een straf uit het strafrecht voor meerderjarigen, als de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie zou moeten plaatsvinden nadat de veroordeelde meerderjarig is en hij naar het oordeel van de rechtbank niet meer voor een jeugddetentie in aanmerking komt.
De rechtbank houdt bij de beoordeling van de vordering verder rekening met de uitgangspunten van het jeugdstrafrecht. Bij zijn veroordeling is immers aan veroordeelde vanwege zijn persoonlijke omstandigheden met toepassing van het adolescentenrecht een straf opgelegd uit het jeugdstrafrecht. Het doel van jeugdstrafrecht is niet alleen het bestraffen van de dader, maar ook het voorkomen van herhaling van strafbaar gedrag en het bevorderen van de ontwikkeling van de minderjarige. Binnen het jeugdstrafrecht behoren straffen een pedagogisch effect te hebben en dient zo veel mogelijk sprake te zijn van lik op stuk.
Veroordeelde is voor nare geweldsfeiten – die hij ruim zeven jaar geleden heeft gepleegd – ruim zes jaar geleden veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Veroordeelde is in de op zijn veroordeling volgende zes jaren vanwege capaciteitsgebrek in de justitiële jeugdinrichtingen niet opgeroepen om het onvoorwaardelijk deel van zijn jeugddetentie uit te zitten. Veroordeelde heeft meerdere keren contact gezocht met zijn raadsman met de vraag wanneer hij zijn onvoorwaardelijke jeugddetentie zou kunnen uitzitten. Op enig moment is door de overheid aan veroordeelde een brief gestuurd waarin te kennen is gegeven dat hij vanwege capaciteitsgebrek nog niet was opgeroepen om zijn onvoorwaardelijke jeugddetentie uit te zitten, met het verzoek om aan te geven wanneer hij beschikbaar was om zijn onvoorwaardelijke jeugddetentie alsnog uit te zitten. Veroordeelde heeft toen onweersproken verklaard daarvoor altijd beschikbaar te zijn. Desondanks is veroordeelde nooit opgeroepen voor het uitzitten van zijn onvoorwaardelijke jeugddetentie.
De reclassering heeft desgevraagd door het Openbaar Ministerie in februari 2025, inmiddels ruim een jaar geleden, geadviseerd over de wenselijkheid van de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke jeugddetentie. Dat advies heeft geleid tot een vordering tot vervanging van jeugddetentie van 10 juli 2025, die inmiddels ruim zeven maanden oud is.
Uit het advies van de reclassering leidt de rechtbank af dat veroordeelde zijn leven een positieve wending heeft gegeven. Hij heeft een partner, een kind, een (koop)huis en een baan. Er is geen sprake van zorgen over zijn persoonlijke omstandigheden. Veroordeelde betaalt de aan hem opgelegde schadevergoedingsverplichting af middels een (fors) bedrag per maand. Veroordeelde is in 2020 veroordeeld voor rijden onder invloed. Verder is hij niet opnieuw wegens – soortgelijke – feiten met politie en justitie in aanraking gekomen. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat.
De rechtbank komt op basis van het voorgaande allereerst tot het oordeel dat aan het criterium van art. 6:6:29 Sv is voldaan. Veroordeelde komt naar het oordeel van de rechtbank niet meer voor een jeugddetentie in aanmerking; het ten uitvoer leggen van een jeugddetentie na een periode van ruim zes jaar wegens capaciteitsproblemen in de justitiële jeugdinrichtingen is niet proportioneel en opportuun, temeer nu de omstandigheid dat de tenuitvoerlegging niet heeft plaatsgevonden niet aan veroordeelde valt te verwijten. Dat maakt dat de vordering tot vervanging van de jeugddetentie moet worden toegewezen.
Veroordeelde heeft zijn leven op orde. Het is voor hem niet (goed) mogelijk een taakstraf te combineren met zijn werk en gezinsleven want hij werkt fulltime en verricht regelmatig overwerk. Zijn partner werkt regelmatig in het weekend, zowel op zaterdag als op zondag. Op die dagen heeft veroordeelde de zorg voor de baby. Daarnaast is tijdelijk minder werken ook niet mogelijk vanwege zijn financiële verplichtingen, waaronder de verplichting tot het betalen van de schadevergoeding. De rechtbank ziet in de voorliggend omstandigheden aanleiding de opgelegde jeugddetentie niet te vervangen door een onvoorwaardelijke taakstraf, zoals dat primair door het Openbaar Ministerie is gevorderd.
Daarbij speelt voor de rechtbank tevens een rol dat er zeven jaren na de door veroordeelde gepleegde feiten geen enkel (jeugd)strafrechtelijk doel meer gediend is met het aan hem opleggen van een taakstraf, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk. Dat veroordeelde zijn jeugddetentie nooit heeft uitgezeten is niet aan hem te wijten. Het enorme tijdsverloop sinds zijn veroordeling en de positieve ontwikkeling die veroordeelde sindsdien heeft doorgemaakt, maken dat aan het voorkomen van herhaling en het bevorderen van de ontwikkeling van deze minderjarige veroordeelde al voldoende is toegekomen. Dat is niet aan de overheid te danken, maar aan de inzet van veroordeelde om iets van zijn leven te maken. Aan het doel van bestraffing is naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende voldaan, nu de veroordeelde heeft meegewerkt aan de bijzondere voorwaarden die golden bij zijn voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie. Ook betaalt hij de hem opgelegde schadevergoedingsverplichting af. Daarnaast heeft veroordeelde de onvoorwaardelijke jeugddetentie jarenlang als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd ervaren.
Dat het capaciteitsgebrek in justitiële inrichtingen tot deze mate van tekortschieten van de Nederlandse overheid in de executiefase heeft geleid vervult de rechtbank – juist in een jeugdstrafzaak – met plaatsvervangende schaamte. Daarbij past dat de rechtbank als volgt beslist.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst de vordering tot vervanging van de bij vonnis 4 februari 2020 opgelegde (onvoorwaardelijke) jeugddetentie toe;
- vervangt deze door een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf en stelt deze op nihil.
Deze beslissing is gegeven door
mr. I.M. Nusselder, voorzitter en kinderrechter,
mrs. W. Aardenburg en J.W.B. Snijders Blok, kinderrechters,
in aanwezigheid van mr. G. Veldman griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.