RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 13.123586.25 (A), 15.143703.25 (B), 13.175289.25 (C) en 08.189576.25 (D)
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] (hierna: [verdachte] ),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011,
thans verblijvende bij [behandelcentrum] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 december 2025, 11 december 2025, 22 december 2025 en 5 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A.A. de Back en van wat [verdachte] en zijn raadsman, mr. R.M.F.R. Ketwaru, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door
[medewerker Raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [medewerker SAVE] , namens Samen Veilig Jeugdbescherming (hierna: SAVE),
[medewerker behandelcentrum] , namens [behandelcentrum] (hierna: [behandelcentrum] ),
en door de moeder van [verdachte] naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 december 2025 een interlocutoir vonnis gewezen op 11 december 2025. In het interlocutoir vonnis zijn vragen gesteld aan de psychiater, de psycholoog, de Raad en SAVE.
2. Motivering van de straf en maatregel
Procesverloop en standpunten tot aan het interlocutoir vonnis van 11 december 2025
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] zijn opgemaakt:
- Multidisciplinair onderzoek Pro Justitia Observatieafdeling Teylingereind van
25 november 2025 door drs. A.J. van den Dorpel, GZ-psycholoog, en
dr. R.F. Ferdinand, kinder- en jeugdpsychiater (hierna: het observatierapport);
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van
11 november 2025 waaruit blijkt dat [verdachte] niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender.
Uit het observatierapport volgt samengevat dat sprake is van een reactieve hechtingsstoornis, norm-overschrijdende gedragsstoornis en een oppositioneel opstandige gedragsstoornis. Daarnaast is er sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Hieraan kan een verstoord verlopen hechtingsproces ten grondslag liggen. [verdachte] is op zeer jonge leeftijd voor langere tijd blootgesteld aan een zeer onveilige thuisomgeving, die werd gekenmerkt door geweld en verwaarlozing. In deze omgeving is het hechtingsproces verstoord. Geadviseerd wordt om [verdachte] het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen. Op basis van een klinische inschatting wordt geoordeeld dat het recidiverisico hoog is. Aangegeven wordt dat alleen een langdurige en intensieve behandeling kan helpen om het hechtingsproces alsnog in enige mate bij te sturen en zo de persoonlijkheidspathologie te reduceren. Hiervoor is het belangrijk dat er een stabiele omgeving is waar hij niet weg kan, die hem reguleert en consequenties biedt op zijn gedrag. Een individuele benadering is aangewezen, zeker in de eerste periode (die een jaar of langer kan beslaan). Geadviseerd wordt om voornoemde behandeling te laten plaatsvinden binnen het kader van een onvoorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel).
SAVE adviseert ook om aan [verdachte] een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Om het recidiverisico te verminderen en om [verdachte] algehele ontwikkeling zo gunstig mogelijk te beïnvloeden is het noodzakelijk dat hij een intensieve en langdurige behandeling krijgt in een plek waar hij niet snel weg kan lopen. De behandelingen in open en gesloten settingen in het civiele kader zijn niet toereikend gebleken om tot een positieve gedragsverandering te komen. [verdachte] was niet in staat om zich aan de gemaakte afspraken te houden. Het is noodzakelijk om [verdachte] in een stabiele omgeving te plaatsen waar hij niet weg kan, die hem reguleert en consequenties biedt.
Ook de Raad stelt dat om de kans op herhaling te verkleinen langdurige behandeling noodzakelijk is. Gezien de vroege oorsprong van de problematiek en het duurzame karakter hiervan, zal een lange adem nodig zijn om de ontwikkeling van [verdachte] in een positieve zin te beïnvloeden. Naar oordeel van de Raad is het niet mogelijk om behandeling te laten plaatsvinden in een minder strak kader, waarbij ook de veiligheid van [verdachte] en de maatschappij gewaarborgd is. [verdachte] staat niet open voor hulp of behandeling, mede vanwege een gebrek aan probleembesef. Minder ingrijpende opties zijn niet passend. Geen enkel traject heeft geleid tot blijvende gedragsverandering. Een andere maatregel, bijvoorbeeld een voorwaardelijke PIJ-maatregel, zou te veel van [verdachte] en zijn omgeving vragen, terwijl hij heeft laten zien een dergelijke verantwoordelijkheid niet aan te willen gaan of te kunnen dragen en zijn netwerk kan onvoldoende steun en sturing bieden. De onvoorwaardelijke PIJ-maatregel biedt – hoe moeilijk ook gelet op de duur ervan, het gedwongen karakter en de nog zeer jonge leeftijd van [verdachte] – naar inschatting van de Raad [verdachte] de mogelijkheid om echt verder te komen in zijn persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijk functioneren.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 2 december 2025 gevorderd de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De officier van justitie ziet, gelet op de adviezen van de deskundigen, geen redelijke alternatieven voor [verdachte] anders dan de PIJ-maatregel.
De raadsman van [verdachte] heeft ter terechtzitting van 2 december 2025 bepleit niet de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, nu alternatieven nog niet zijn uitgeput. De raadsman benadrukt dat [verdachte] nog geen werkelijke behandeling heeft ondergaan. Daarnaast zijn de feiten niet dermate ernstig dat deze de zwaarste maatregel in het jeugdstrafrecht rechtvaardigen. [verdachte] heeft gevraagd om een laatste kans, een kans om te laten zien dat hij kan en wil veranderen. De gewijzigde proceshouding en de positief gewijzigde motivatie van [verdachte] is wat de verdediging betreft onvoldoende onderzocht door de deskundigen, de Raad, en de jeugdreclassering. Door hen wordt steeds herhaald dat [verdachte] zich in het verleden niet heeft gehouden aan de afspraken en daarom nu een onvoorwaardelijke
PIJ-maatregel de enige optie is.
Interlocutoir vonnis van 11 december 2025, het verdere procesverloop en de nadere standpunten
De rechtbank heeft na de zitting van 11 december 2025 een interlocutoir vonnis gewezen. De rechtbank acht daarin wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich kort gezegd schuldig heeft gemaakt aan een explosie teweegbrengen, een bedreiging en tweemaal verzet tegen en belediging van ambtenaren in functie. De rechtbank heeft voorts gemotiveerd geoordeeld dat de vorderingen van de benadeelde partijen worden afgewezen.
Tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank overwoog in het interlocutoir vonnis van 11 december 2025 dat zij van oordeel is dat andere trajecten dan de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel onvoldoende zijn onderzocht en de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd ziet om te beslissen welke straf en/of maatregel passend en geboden is. De rechtbank heeft geconstateerd dat er sprake is van een in positieve zin gewijzigde motivatie van [verdachte] . Bovendien geldt dat [verdachte] erg jong is, niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld en ook niet eerder geprofiteerd heeft van behandeling. De door [verdachte] gepleegde strafbare feiten geven eveneens niet direct aanleiding tot het opleggen van een ingrijpende en verstrekkende sanctie zoals een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel en dwingen tenminste tot aanvullende afwegingen rondom de proportionaliteit van een dergelijke maatregel.
De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat onderzocht moest worden of behandeling en beperking van het recidiverisico op een andere wijze dan binnen het kader van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel gerealiseerd kan worden. De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting heropend en geschorst tot de terechtzitting van 5 februari 2026. Daarbij zijn nadere vragen gesteld aan de deskundigen en is verzocht aanvullend te rapporteren.
Ook heeft de rechtbank op 11 december 2025 de voorlopige hechtenis van [verdachte] geschorst met ingang van 23 december 2025. De rechtbank gaf [verdachte] daarmee een kans om te laten zien dat hij ergens anders dan in de JJI kan verblijven. De hulpverlening startte hierop de zoektocht naar een passende plek waar [verdachte] kon verblijven, maar vond deze niet. Op 18 december vernam de rechtbank per e-mailbericht van de officier van justitie dat er geen plek was gevonden waar [verdachte] kon verblijven en niet voldaan kon worden aan de uitvoering van de schorsingsbeslissing. De raadsman van [verdachte] vond op 22 december 2025, op zijn initiatief, de mogelijkheid van een verblijf voor [verdachte] bij [behandelcentrum] . De rechtbank wijzigde hierop op 22 december 2025 het bevel tot schorsing zoals genomen op 11 december 2025 in die zin dat [verdachte] moest verblijven bij [behandelcentrum] en geschorst zou worden op het moment dat hij kon worden aangesloten op elektronische monitoring, uiterlijk per 31 december 2025. Op 29 december 2025 deelde SAVE Jeugdbescherming per e-mailbericht mede dat [verdachte] , nu het aanmeldproces was afgerond, terecht kon bij [behandelcentrum] en dat hij kon worden aangesloten op elektronische monitoring. [verdachte] werd per 31 december 2025 geschorst.
De rechtbank heeft sindsdien kennisgenomen van:
Uit het aanvullend rapport van Observatieafdeling Teylingereind blijkt dat de deskundigen geen andere mogelijkheid zien dan een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. [verdachte] zou niet in staat zijn om zich te committeren aan een behandeling buiten de JJI. Ook een gewijzigde motivatie bij [verdachte] maakt dit advies niet anders. De deskundigen geven aan dat [verdachte] niet gemotiveerd kan meewerken, omdat hij niet in staat is om het eigen gedrag op de lange termijn te sturen. Ter zitting zijn de deskundigen bevraagd over de mogelijkheid van behandeling bij [behandelcentrum] . Zij hebben te kennen gegeven dat zij onvoldoende kennis hebben over de zorgaanbieder [behandelcentrum] .
De Raad heeft in haar aanvullende rapportage en ter terechtzitting geen nieuwe standpunten of onderbouwing daarvan naar voren gebracht. De Raad blijft bij haar advies om een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.
SAVE heeft in de aanvullende rapportage haar advies gewijzigd. SAVE heeft ter zitting toegelicht dat zij blij is dat er, na een lange zoektocht, een zorgaanbieder is gevonden die [verdachte] heeft willen opnemen en die mogelijkheden tot behandeling ziet. SAVE onderschrijft dat er al veel is geprobeerd in het civiele kader, maar stelt dat vooral steeds hetzelfde aan [verdachte] is aangeboden, te weten: een groep met gemiddeld acht kinderen, wisselende begeleiders die drie keer per dag wisselen, veel repressie en vooral aansturing op instructieniveau. Inmiddels is duidelijk dat die setting niet aansluit bij de ontwikkelbehoeften van [verdachte] en ook niet geresulteerd heeft in een positieve gedragsverandering. Het verblijf van [verdachte] bij [behandelcentrum] sinds 31 december 2025 verloopt positief. SAVE adviseert primair om de zaak aan te houden nu de verblijfsduur van [verdachte] bij [behandelcentrum] te kort is om verantwoorde conclusies te trekken over de effectiviteit van het traject op de lange termijn. Indien aanhouding van de zaak niet mogelijk blijkt, adviseert SAVE aan [verdachte] een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen onder de bijzondere voorwaarden dat hij meewerkt aan ITB-Harde Kern voor de duur van zes maanden, hij meewerkt aan elektronisch toezicht, hij meewerkt aan het vinden en behouden van onderwijs en/of dagbesteding en een zinvolle vrijetijdsbesteding, hij meewerkt aan behandeling bij [behandelcentrum] en bij De Waag, zich houdt aan het contactverbod met het slachtoffer en zich houdt aan de aanwijzingen van SAVE.
[behandelcentrum] schrijft in haar rapportage over het verloop van de periode dat [verdachte] bij [behandelcentrum] is geplaatst en heeft dat ter terechtzitting toegelicht. Na aanmelding door de raadsman van [verdachte] is kennisgemaakt met [verdachte] , zijn gesprekken gevoerd met verschillende betrokkenen rondom [verdachte] en is meermaals intern overleg gevoerd. Er is uiteindelijk besloten om [verdachte] op te nemen. [behandelcentrum] benoemde hierbij dat zij het merkwaardig vond dat, in het proces voorafgaand aan de plaatsing, er vanuit SAVE en de Raad sterk werd aangestuurd op het niet plaatsen van [verdachte] bij [behandelcentrum] . [behandelcentrum] zag echter desondanks voldoende aanknopingspunten om met [verdachte] aan de slag te gaan waarop [verdachte] , op 31 december 2025, is geplaatst binnen een Kleinschalige Woonvoorziening van [behandelcentrum] in [plaats] . Dit verloopt tot dusver zeer positief. Uit de rapportage blijkt dat [verdachte] zich goed aan de afspraken houdt binnen de woonvoorziening. Hij heeft voldoende zelfzorg vaardigheden, staat goed in contact met de hulpverleners en is in staat tot contactgroei. Het lijkt alsof [verdachte] gedijt bij de kleinschaligheid van [behandelcentrum] . [behandelcentrum] heeft ter zitting toegelicht dat zij de complexe problematiek van [verdachte] zien en in die zin de bevindingen van de andere deskundigen ook onderschrijven, maar een andere visie hebben dan de deskundigen van de JJI en de Raad over de wijze waarop [verdachte] het beste kan worden geholpen. [behandelcentrum] wil en kan [verdachte] een plek geven waar hij kan vallen en opstaan en waarin hij in een meer individuele setting kan werken aan zijn doelen.
De bijzondere curator van [verdachte] heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij de blik van [behandelcentrum] verfrissend vindt. De bijzondere curator is al lang bij [verdachte] betrokken en gunt hem deze kans bij [behandelcentrum] .
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd aan [verdachte] ter zake van de bewezenverklaarde feiten een jeugddetentie voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Hoewel het lijkt alsof er een alternatief voor [verdachte] is gevonden, kan het Openbaar Ministerie op basis van deze korte periode niet beoordelen of dit daadwerkelijk de juiste plek voor [verdachte] is en of hij op deze plek langdurig het contact en de behandeling aan kan gaan. Naar het oordeel van de officier van justitie is het mogelijk om een PIJ-maatregel op te leggen gezien de ernst van de feiten. De officier van justitie benadrukt daarbij dat het gaat om een verlengbare
PIJ-maatregel hetgeen betekent dat langdurige behandeling in dit verband mogelijk is. Gelet op de onbekendheid met [behandelcentrum] en het multidisciplinaire onderzoek met als conclusie dat er een hoog weglooprisico en recidiverisico bestaat, is de officier van justitie van oordeel dat enkel de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel passend en geboden is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van [verdachte] heeft bepleit geen PIJ-maatregel op te leggen, ook niet in voorwaardelijke vorm. De strafrechtelijke opties zijn wat de verdediging betreft nog niet uitgeput. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om een onvoorwaardelijke jeugddetentie overeenkomstig de duur van de voorlopige hechtenis op te leggen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om aan [verdachte] een voorwaardelijke werkstraf in de vorm van een taakstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door SAVE geadviseerd. Volgens de verdediging is het van belang dat zelfs de druk van een voorwaardelijke PIJ-maatregel een onevenredige emotionele belasting bij [verdachte] oplevert. [verdachte] moet ook kunnen leren van in de toekomst gemaakte fouten, zonder de dreiging van een PIJ-maatregel.
[verdachte] heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij heel graag nog een kans wil en graag bij [behandelcentrum] wil blijven.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht zich op grond van het hiervoor beschrevene voldoende voorgelicht om tot een eindoordeel te komen.
[verdachte] heeft een ontploffing teweeg gebracht bij een hek van een woongroep. Dit deed [verdachte] omdat hij ruzie had met een van de jongens op de nabij gelegen woongroep en hij deze jongen bang wilde maken. Daarnaast maakte [verdachte] zich schuldig aan het bedreigen van één van zijn begeleiders op zijn woongroep via Snapchat, verzette hij zich tegen een aanhouding en een staande houding en beledigde hij de ambtenaren in functie daarbij en had hij tijdens de aanhouding een mes op zak.
[verdachte] had deze strafbare feiten niet mogen plegen. Hoewel de gevolgen van de ontploffing beperkt zijn gebleven en er geen sprake was van levensgevaar voor anderen, is zo’n ontploffing ontzettend intimiderend. De rechtbank ziet steeds vaker dat dit soort middelen worden ingezet om te bedreigen en intimideren. Niet alleen degene op wie dit gericht is heeft daar veel last van, maar ook de omwonenden en anderen die ervan op de hoogte raken. Het maakt mensen bang en die angst is soms ook terecht: het kan verkeerd aflopen en mensen kunnen gewond raken. Daarom wordt er stevig op ingegrepen met maatregelen vanuit onder meer politie en justitie en zijn de straffen die hierop volgen vaak fors. Het is belangrijk dat er een duidelijk signaal wordt gegeven dat dit niet wordt geaccepteerd.
Wat de rechtbank ook ziet is een verdachte die heel jong is, een zeer belaste geschiedenis heeft en zijn handelen en de gevolgen daarvan niet geheel zal hebben kunnen overzien. De overige feiten waarvoor [verdachte] wordt veroordeeld, de bedreiging en de wederspannigheid, onderstrepen dat beeld. [verdachte] raakte in die periode van de regen in de drup: thuis is het voor [verdachte] al lange tijd niet veilig, hierdoor is hij erg beschadigd geraakt en de acties die hierop vanuit de hulpverlening zijn ingezet – al lang voordat [verdachte] een strafbaar feit had gepleegd – zijn uiteindelijk niet geweest wat [verdachte] nodig had. [verdachte] liep daarbij ook steeds weg voordat een behandeling goed en wel kon starten en dat maakte het zeer lastig voor de hulpverlening om iets voor [verdachte] te betekenen. De rechtbank ziet zich geconfronteerd met een kind dat, de goede bedoelingen van de hulpverlening ten spijt, in een – en de rechtbank benadrukt dat – zeer schrijnende situatie terecht is gekomen.
In de behandeling van deze zaak is daarom lang stil gestaan bij de vraag wat in het belang van [verdachte] is en welke mogelijkheden er zijn om ervoor te zorgen dat de kans op recidive wordt teruggedrongen. Alles afwegende oordeelt de rechtbank dat aan [verdachte] een
PIJ-maatregel dient te worden opgelegd, in voorwaardelijke vorm.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de in zaak A en zaak C bewezen verklaarde feiten misdrijven betreffen waarvoor volgens artikel 77s lid 1 onder a Wetboek van Strafrecht een
PIJ-maatregel kan worden opgelegd.
Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater en de Raad naar voren hebben gebracht, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij [verdachte] ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en dat daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. De PIJ-maatregel is, gelet op de inhoud van de rapportages, ook in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [verdachte] . [verdachte] heeft langdurige en intensieve behandeling nodig. [verdachte] was op de pleegdata slechts 13 jaar oud en kent een zeer belast en traumatisch verleden. Zijn voorgeschiedenis wordt gekenmerkt door instabiliteit, structurele onveiligheid en beschadigende omstandigheden. Als gevolg hiervan heeft [verdachte] geen gezonde ontwikkeling kunnen doormaken. In verschillende stukken zoals die van de Raad, SAVE en het observatierapport wordt gesteld dat er in de laatste zeven jaar verschillende ambulante trajecten zijn ingezet om [verdachte] te helpen, maar zonder resultaat. Vanwege zijn hechtingsproblematiek vertoont [verdachte] een patroon van afstoten zodra anderen dichterbij komen. Dit maakt dat het voor hem bijzonder lastig is om zich te committeren aan een langdurig verblijf en een intensief behandeltraject binnen een behandelsetting. Wat ook duidelijk naar voren komt is dat [verdachte] baat heeft bij een meer individuele behandeling: veelvuldige omgang met groepsgenoten is, in ieder geval nu, ingewikkeld.
De rechtbank overweegt dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel een uiterst middel is, een ultimum remedium, dat de rechter enkel hanteert als een minder vergaande straf of maatregel onvoldoende beveiliging en behandeling biedt. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van [verdachte] er een minder vergaande mogelijkheid is om de noodzakelijke behandeling en begeleiding voor [verdachte] in te zetten, te weten bij [behandelcentrum] in het kader van een voorwaardelijk PIJ-maatregel. [behandelcentrum] ziet, anders dan de psychiater, de psycholoog en de Raad, wel behandel- en ontwikkelmogelijkheden voor [verdachte] in een ambulant kader. [verdachte] is bij [behandelcentrum] geplaatst in een kleinschalige woonvoorziening waar stabiele volwassen hechtingsfiguren zijn. Door de kleinschaligheid ervaart [verdachte] geen sociaal-emotionele druk, die hij binnen een groep wel ervaart. Daarnaast is er door de aanwezigheid van vaste individuele begeleiders voldoende ruimte om nabijheid te bieden en op deze manier aan te sluiten bij zijn ontwikkelbehoeften. Tot op heden verloopt het verblijf hier zeer positief. De rechtbank is, gelet op de rapportages en hetgeen ter terechtzitting is toegelicht, van oordeel dat [behandelcentrum] een passende instelling is voor het verblijf en de behandeling van [verdachte] . De rechtbank is van oordeel dat het juridische kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel met bijzondere voorwaarden passend en nodig is om die langdurige behandeling bij [behandelcentrum] veilig te stellen. De rechtbank gaat daarbij voorbij aan het verzoek van de raadsman om de bijzondere voorwaarden te verbinden aan een voorwaardelijke werkstraf. De rechtbank moet voortzetting van de huidige plaatsing van [verdachte] , die is aangevangen en die nu, zij het pril, goed verloopt en de mogelijkheden van behandeling bij [behandelcentrum] in dit geval afwegen tegen verblijf en mogelijkheden van behandeling binnen een JJI. De rechtbank legt de PIJ-maatregel voorwaardelijk op, nu [behandelcentrum] behandel- en ontwikkelmogelijkheden bij [verdachte] ziet en er vertrouwen in heeft dat zij hem kunnen bieden wat hij nodig heeft. De rechtbank slaat bij deze beslissing ook acht op de zorgelijke signalen rondom de tenuitvoerlegging van PIJ-maatregelen in de JJI’s. Het staat voor de rechtbank onvoldoende vast dat de behandeling binnen een JJI – zeker in het geval van een kwetsbaar kind zoals [verdachte] – in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, met de huidige wachtlijsten voor de behandelingen en de personeelstekorten, een betere keuze is dan het voortzetten van de huidige ambulante behandeling. [verdachte] krijgt daarmee nog een kans om binnen een ambulant traject aan zichzelf te werken. Lukt dit niet, dan zal de vraag aan de orde komen of de voorwaardelijke PIJ-maatregel dient te worden omgezet naar een interne, intensieve behandeling binnen de JJI waar ook gekeken dient te worden naar de momentele groepsongeschiktheid van [verdachte] .
De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de ernst van de explosie, passend en geboden is om aan [verdachte] – naast de voorwaardelijke PIJ-maatregel – een jeugddetentie in onvoorwaardelijke vorm op te leggen. Nu uit alle stukken blijkt dat behandeling op de voorgrond dient te staan, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan [verdachte] een langere onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen dan hij reeds in voorarrest heeft uitgezeten, omdat dit het behandeltraject zou doorkruisen.
Speciaal voor [verdachte] heeft de rechtbank een extra stuk geschreven, waarin de rechtbank dit vonnis uitlegt en aan hem toelicht. Deze uitleg aan [verdachte] is als volgt.
Aan [verdachte]
, de rechtbank wil jou zelf nog een aantal dingen goed uitleggen. We schrijven dit stuk daarom speciaal aan jou. Dit vonnis is heel lang. Dat komt omdat er heel veel over jou is opgeschreven en aan de rechtbank is verteld. Het is niet gek wanneer je niet alles meteen snapt wat in dit vonnis staat. Jouw advocaat gaat het vast allemaal aan je uitleggen.
Wat de rechtbank zelf graag aan jou wil uitleggen is dat de rechtbank jou nu niet de jeugdgevangenis in stuurt met een PIJ-maatregel en dat de rechtbank wil dat jij bij [behandelcentrum] blijft en daar de hulp krijgt die je nodig hebt. Om dat goed te kunnen doen, legt de rechtbank aan jou een voorwaardelijke PIJ-maatregel op.
Dat was best een lastige beslissing. De meeste deskundigen vertelden de rechtbank dat alleen een PIJ-maatregel goed zou zijn voor jou. Zelf vind jij van niet. Je vertelde de rechtbank dat je niet beter zou worden van het wonen in de jeugdgevangenis omdat je daar met grote jongens zou zitten die slechte dingen hadden gedaan. Ook vertelde je dat je het voortaan anders zou gaan aanpakken en vroeg je aan de rechtbank om nog een kans.
De rechtbank heeft toen je voorlopige hechtenis geschorst. Vanaf dat moment woon je bij [behandelcentrum] . Dat was best spannend want jij moest je nu wel gaan bewijzen. Dat heb je toen ook gedaan. [behandelcentrum] heeft aan de rechtbank verteld dat jij het daar heel goed doet: je houdt je aan de afspraken, je kunt goed voor jezelf zorgen en je gaat op een positieve manier om met jouw behandelaren.
De rechtbank vindt een jeugdgevangenis nu niet de beste plek voor jou. Wel vindt de rechtbank dat hulpverleners een poos met jou aan de slag moeten; je moet nog veel leren, ook dingen waar je misschien nu of later niet zo’n zin in hebt. De rechtbank vindt het bijvoorbeeld belangrijk dat je leert om rekening te houden met anderen, leert om fijne relaties met anderen op te bouwen en wat je het beste kan doen zodra je je boosheid voelt opkomen. Dat is moeilijker dan je denkt. Die PIJ-maatregel legt de rechtbank daarom voorwaardelijk aan jou op. Dat vind je ook niet leuk, dat weet de rechtbank, maar het is bedoeld om jou te helpen. Dat voelt misschien even niet zo. De strafbare feiten waarvoor we jou veroordelen zijn wel serieus, dat mag je nooit meer doen. Ook niet als je heel erg boos bent, ruzie hebt of je in de steek gelaten voelt. Probeer er dan over te praten met iemand die je vertrouwt, maakt niet uit wie.
Als jij je aan alle afspraken blijft houden die bij die voorwaardelijke PIJ-maatregel horen en geen nieuwe strafbare feiten meer pleegt, dan verdwijnt die voorwaardelijke PIJ-maatregel vanzelf en hoef je niet de jeugdgevangenis in. Die kans waarom je vroeg, die krijg je hiermee dus van de rechtbank.
Dat is een grote verantwoordelijkheid, [verdachte] . Zorg ervoor dat je deze kans pakt. We weten dat jij heel veel hebt meegemaakt in je leven, vooral veel dingen waar je zelf niets aan kon doen. We gunnen het jou dat het vanaf nu beter met je gaat, dat je een fijne tijd hebt bij [behandelcentrum] en dat je daar veilig kunt opgroeien. Dat kan alleen als je daar zelf ook je best voor blijft doen. Zelf zei je tegen behandelaar bij [behandelcentrum] over de afgelopen maand: “Ik deed niet echt mijn best, ik was gewoon mezelf”. Dat is hartstikke mooi. We hopen dat je jezelf kunt blijven en verder kunt ontdekken wie je bent. Maar weet ook dat dat soms heel lastig kan zijn. Er gaan, dat weten we zeker, momenten komen waarop je het even niet meer leuk vindt, je behandelaren misschien wel vervelend vindt of er gewoon geen zin meer in hebt. Dat is heel normaal en hoort erbij, maar dán moet je volhouden, [verdachte] . Denk dan terug aan de kans die je nu krijgt. Er zijn mensen die jou willen helpen en die geloven dat jij dit kan. De rechtbank gelooft ook in jou. Wees niet ongeduldig, ook niet als het lang duurt voordat je meer vrijheden krijgt, dingen kosten soms tijd. Blijf praten met je behandelaren en ga ervoor! Dit kan jouw kans zijn op een mooie toekomst en de rechtbank hoopt dat jij deze kans pakt, want dat is je gegund.
3. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 180, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
Verklaart bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde heeft begaan zoals dat in het interlocutoir vonnis in rubriek 5 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt [verdachte] daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
in zaak A
opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
in zaak B
ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
in zaak B en D
ten aanzien van het in zaak B onder 1 en in zaak D onder 1 bewezen verklaarde:
telkens: wederspannigheid;
ten aanzien van het in zaak B onder 2 en in zaak D onder 2 bewezen verklaarde:
telkens: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam:
in zaak C
bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat en met brandstichting.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 138 (honderd achtigendertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door [verdachte] voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Legt voor de feiten in zaak A en zaak C op aan [verdachte] de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
Bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens het niet nakomen van na te noemen voorwaarden.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de [verdachte] gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat [verdachte] :
Geeft opdracht aan Samen Veilig Flevoland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden.
Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] .
Wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] .
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.P. Bleeker, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. K. Duker en M.J. van Aalderen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Pattiasina, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026.