RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/6023
(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en
(gemachtigde: mr. P.C. van der Voorn).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een AIO-aanvulling en de terugvordering van een eerder verleend voorschot. Eiser is het niet eens met de afwijzing en de terugvordering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing en de terugvordering.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de AIO-aanvulling op goede gronden heeft afgewezen en het voorschot terecht heeft teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een AIO-aanvulling. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juni 2025 afgewezen en een eerder verleend voorschot teruggevorderd. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Met de beslissing op bezwaar van 8 oktober 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering van het voorschot gebleven. Omdat eiser het daarmee niet eens is, heeft hij beroep ingesteld tegen die beslissing op bezwaar.
4. De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Standpunten van partijen
5. De aanvraag van eiser om een AIO-aanvulling is afgewezen omdat verweerder het vermogen van eiser niet heeft kunnen vaststellen. Eiser is gehuwd en zijn vrouw woont in Marokko, in het huis van de overleden vader van eiser. Volgens verweerder is eiser (mede)erfgenaam van zijn vader en valt deze woning in de (onverdeelde) boedel waarop eiser dus recht heeft. De waarde van de woning is bij verweerder niet bekend en eiser heeft geen taxatierapport overgelegd. Volgens verweerder is het aan eiser om aan te tonen wat zijn financiële positie is en dat hij de AIO-aanvulling nodig heeft, omdat hij de aanvrager is. Omdat eiser dat niet heeft gedaan, is de aanvraag afgewezen en het eerder verleende voorschot teruggevorderd.
6. Eiser voert aan dat hij in bewijsnood verkeert. Eiser stelt dat de woning niet zijn eigendom is en dat hij voor het aanvragen van een taxatierapport de medewerking van alle erfgenamen nodig heeft. Dat heeft een advocaat in Marokko hem uitgelegd. Omdat hij niet met alle erfgenamen een goede verstandhouding heeft, zal hij deze toestemming niet krijgen. Eiser heeft ook geen testament van zijn vader. Verder stelt eiser dat hij de AIO-aanvulling nodig heeft en dat hij er alles aan heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde informatie, maar dat het voor hem niet mogelijk is die aan te leveren.
Beoordeling door de rechtbank
7. Bij een aanvraag om een AIO-aanvulling rust de bewijslast in beginsel op de aanvrager. Dat betekent dat de aanvrager – in dit geval eiser – aannemelijk moet maken dat hij recht heeft op de AIO-aanvulling. Hij moet daarvoor duidelijkheid geven over onder andere zijn financiële situatie. Verweerder zal de informatie die de aanvrager geeft op juistheid en volledigheid controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij recht heeft op de AIO-aanvulling, mag de aanvraag worden afgewezen.
8. De rechtbank is van oordeel dat eiser in dit geval niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op een AIO-aanvulling. Uit artikel 47a van de Pw volgt namelijk dat pensioengerechtigden in Nederland die “in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien”, in aanmerking komen voor een AIO-aanvulling. Tussen partijen staat vast dat eiser één van de erfgenamen is van zijn overleden vader en dat zijn vader eigenaar was van een woning. Het is dus aannemelijk dat eiser mede-eigenaar is van die woning en daarover, in ieder geval deels, kan beschikken. Dat geldt ook als de boedel nog onverdeeld is. Om vast te stellen over welke middelen eiser beschikt, en daarmee of hij recht heeft op een AIO-aanvulling, moet eiser dan ook informatie verstrekken over de waarde van de woning en in hoeverre die aan hem toekomt.
9. Verweerder heeft, onder andere in het verweerschrift, duidelijk uiteengezet welke informatie eiser in dit verband zou kunnen indienen en hoe eiser aan deze informatie kan komen. Volgens verweerder gaat het om:
10. Eiser heeft deze stukken niet aangeleverd en ook geen andere bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de waarde van de woning zo laag is dat hij, met het deel van deze waarde dat hem toekomt, nog altijd niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij stappen heeft ondernomen om deze informatie te verkrijgen, maar dat dit niet mogelijk is. Zijn stelling dat hij contact heeft gehad met een advocaat in Marokko, heeft eiser evenmin onderbouwd. Ten slotte blijkt nergens uit dat de overige erfgenamen niet meewerken en dat dit, anders dan verweerder heeft toegelicht, voor het opstellen van een taxatierapport wel nodig is. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder de AIO-aanvulling mocht afwijzen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en afwijzing van de AIO-aanvulling en de terugvordering van het voorschot in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.