[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen., het CBR
(gemachtigde: mr. E. van Pernis-van de Wal).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het CBR om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Met het bestreden besluit van 26 februari 2026 heeft het CBR het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard vanaf 5 maart 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het bestreden besluit te schorsen.
De voorzieningenrechter heeft op 2 maart 2026 aan verzoeker verzocht een nadere onderbouwing te geven van het spoedeisend belang. Ook heeft de voorzieningenrechter aan het CBR een reactie gevraagd op het verzoek van verzoeker.
Verzoeker heeft op 2 maart 2026 een nadere onderbouwing van het spoedeisend belang gegeven. Het CBR heeft op 4 maart 2026 gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft op 5 maart 2026 gereageerd op het verweerschrift.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3. Verzoeker voert aan dat hij in zijn dagelijks leven vrijwel volledig afhankelijk is van zijn motor voor alle verplaatsingen binnen en buiten Amsterdam, omdat het openbaar vervoer voor hem praktisch geen goed alternatief is. Dit komt door langere reistijden, overstappen en beperkte beschikbaarheid in avonden en weekenden. Ondanks dat verzoeker relatief dicht bij zijn werk woont, geldt dit ook voor zijn woon-werkverkeer. Zonder rijbevoegdheid verliest verzoeker daardoor zijn mobiliteit, wat zijn sociale en persoonlijke leven ernstig beperkt. Daarnaast heeft verzoeker een reis naar Zuid-Italië gepland waar vrijwel geen openbaar vervoer is en hij zonder rijbewijs afhankelijk is van anderen. Hoewel verzoeker theoretisch weer rijlessen kan volgen, herstelt dit zijn rijbevoegdheid niet op korte termijn. Dit maakt het voor verzoeker onmogelijk om de bezwaarprocedure af te wachten zonder groot persoonlijk nadeel.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker met de omstandigheden die hij naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend belang. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de gevolgen van het bestreden zo groot of onomkeerbaar zijn, dat verzoeker niet de bezwaarprocedure kan afwachten.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: