RECHTBANK AMSTERDAM
[eiser] uit Amsterdam, eiser
de heffingsambtenaar van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4098
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen
en
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de aanslag waterschapsbelasting 2023. Eiser is het niet eens met de aanslag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar de aanslag terecht heeft opgelegd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de uitspraak op het bezwaar van eiser vernietigd moet worden. Eiser krijgt dus vooralsnog gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De heffingsambtenaar heeft aan eiser een aanslag waterschapsbelasting opgelegd voor het belastingjaar 2023 voor het adres [adres] in Amsterdam van in totaal € 294,83.
3. Met het bestreden besluit van 11 juni 2025 op het bezwaar van eiser heeft de heffingsambtenaar het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de heffingsambtenaar in de persoon van mr. T.C.A. Houkes.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. De heffingsambtenaar heeft aan eiser een aanslag opgelegd in de waterschapsbelasting voor het belastingjaar 2023. Het onderdeel Watersysteemheffing Gebouwd hierin is gebaseerd op de WOZ-waarde van de woning.
5. Eiser heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt en daarbij aangevoerd dat hij bezwaar gemaakt heeft tegen de WOZ-waarde en dat er een beroepsprocedure loopt. Eiser heeft daarom verzocht de aanslag op te schorten, omdat de WOZ-waarde nog niet onherroepelijk is.
6. In het bestreden besluit heeft de heffingsambtenaar de aanslag verminderd met € 10,40, omdat voor het onderdeel Watersysteemheffing Gebouwd een te hoge WOZ-waarde is gebruikt. In de aanslag was uitgegaan van een WOZ-waarde van € 918.000,-, terwijl uitgegaan moet worden van een inmiddels verlaagde WOZ-waarde van € 835.000,-. Beoordeling door de rechtbank
7. In geschil is welke gevolgen moeten worden verbonden aan het feit dat de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar heeft gedaan op een moment waarop de WOZ-beschikking nog niet onherroepelijk vast stond.
8. Eiser voert aan dat, nu de WOZ-waarde niet onherroepelijk vast stond, de heffingsambtenaar op grond van artikel 131 van de Waterschapswet de uitspraak op bezwaar moest aanhouden. De WOZ-waarde is in de uitspraak op bezwaar van 3 mei 2024 verlaagd van € 918.000,- naar € 835.000,-. Eiser is daartegen in beroep gekomen en nu loopt er nog een hoger beroepszaak bij het Gerechtshof Amsterdam. De burger mag niet aan het kortste eind trekken omdat het proces tussen twee bestuursorganen niet gestroomlijnd en verankerd is. Verder is het bezwaar ten onrechte slechts gedeeltelijk gegrond verklaard.
9. De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser door de gang van zaken niet is benadeeld omdat de aanslag conform het bepaalde in artikel 18a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) zal worden verminderd indien de waarde op de WOZ-beschikking op enig moment naar beneden wordt aangepast.
10. De rechtbank wijst op het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2010, waarin deze het volgende heeft beslist: “3.3.1.[…]Artikel 131 van de Waterschapswet strekt ertoe te voorkomen dat afzonderlijke procedures bij de belastingrechter worden gevoerd over feiten en omstandigheden die van belang zijn voor zowel de heffing van de waterschapsomslag als voor de vaststelling van de WOZ-waarde (Kamerstukken II 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 21 en 22 en blz. 26 en 27). In overeenstemming met die strekking moet het artikel aldus worden uitgelegd dat in een geval als het onderhavige, waarin zowel bezwaar is gemaakt tegen een WOZ-beschikking als tegen een aanslag in de waterschapsomslag betreffende de onroerende zaak waarop die beschikking betrekking heeft, op het laatstbedoelde bezwaar eerst uitspraak mag worden gedaan nadat de WOZ-beschikking onherroepelijk is komen vast te staan (vgl. HR 28 juni 2002, nr. 36957, LJN AE4722, BNB 2002/305). Indien de heffingsambtenaar met betrekking tot de waterschapsomslag uitspraak op bezwaar doet voordat de WOZ-beschikking onherroepelijk vaststaat, dient die uitspraak te worden vernietigd, en dient de heffingsambtenaar te wachten met het doen van uitspraak totdat de WOZ-beschikking wel onherroepelijk vaststaat.”
11. Niet in geschil is dat hier feiten en omstandigheden in het geding zijn als bedoeld in artikel 131 van de Waterschapswet. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift tegen de aanslag op 19 april 2025 en daarmee tijdig ontvangen. Omdat eiser tevens een bezwaarschrift had ingediend tegen de WOZ-beschikking 2023 heeft de heffingsambtenaar de behandeling van het bezwaarschrift aangehouden. Op 17 maart 2025 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan op het beroep tegen voormelde WOZ-beschikking. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam vernomen dat de WOZ-beschikking onherroepelijk vast is komen te staan. Naar aanleiding van dit bericht heeft verweerder op 11 juni 2025 uitspraak op bezwaar gedaan. Nadien is echter gebleken dat hoger beroep was ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Niet betwist wordt dat ten tijde van de zitting in onderhavige zaak op dit hoger beroep nog niet is beslist. Dat betekent dat de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar heeft gedaan voordat de WOZ-beschikking ten aanzien van de woning onherroepelijk vaststond, hetgeen in strijd is met artikel 131 van de Waterschapswet. Dat een eventuele verlaging van de waarde op de WOZ-beschikking via artikel 18a van de AWR doorwerkt in de hoogte van de aanslag kan hier niet aan afdoen. Dat de heffingsambtenaar niet wist van het hoger beroep tegen de WOZ-waarde is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt.. De heffingsambtenaar had de hoger beroepstermijn moeten afwachten.
11. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen en de heffingsambtenaar opdragen opnieuw een beslissing te nemen op het door eiser ingediende bezwaarschrift met inachtneming van het bepaalde in artikel 131 van de Waterschapswet.
11. Omdat de uitspraak op bezwaar vernietigd wordt, behoeft de grond dat het bezwaar ten onrechte gedeeltelijk gegrond is verklaard geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De heffingsambtenaar moet het griffierecht aan eiser vergoeden. Niet gebleken is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.
Uitgesproken op 12 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.