ECLI:NL:RBAMS:2026:2449

ECLI:NL:RBAMS:2026:2449

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer C/13/774624 / HA ZA 25-1421
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Incident, IPR, aanhouding zaak totdat Belgische rechter definitief heeft beslist over bevoegdheid in eerder aanhangig gemaakte zaak met zelfde partijen en grondslag/oorzaak/feiten

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/774624 / HA ZA 25-1421

Vonnis in incident van 18 maart 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

2. [eiser 2] ,

3. [eiser 3] ,

wonend in [woonplaats 1] (België),

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in de tegenvordering (reconventie),

verweerders in het incident,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

wonend in [woonplaats 2] ,2. [gedaagde 2] ,

wonend in [woonplaats 3] ,3. [gedaagde 3] ,

wonend in [woonplaats 3] ,4. [gedaagde 4] ,

wonend in [woonplaats 4] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers van de tegenvordering (reconventie),

eisers in het incident,

advocaat: mr. G.T.J. Hoff.

De rechtbank noemt eisers hierna [eiser 1] of [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , en gedaagden [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] . Samen worden eisers [eisers] genoemd en gedaagden [gedaagden]

1. De procedure

In het dossier zitten:

de dagvaarding van 5 augustus 2025, met producties,

de incidentele conclusie van onbevoegdheid en conclusie van antwoord met tegenvordering, met producties,

de incidentele conclusie van antwoord, met productie,

reactie van [gedaagden] op de productie.

De rechtbank heeft bepaald dat zij vandaag het vonnis in het incident geeft.

2. De feiten

[erflater] (hierna: [erflater]) is gehuwd geweest met [erflaatster] (hierna: [erflaatster]). Uit het huwelijk zijn vier kinderen geboren: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ( [gedaagden] ). [erflater] en [erflaatster] zijn van tafel en bed gescheiden. Zij hebben daarbij op 1 september 2010 een overeenkomst van boedelscheiding gesloten. Daarin staat hoe [erflater] en [erflaatster] hun eigendommen verdelen. Zij hebben daarin onder andere afgesproken dat [erflaatster] zeven schilderijen en een auto van het merk Jaguar toebedeeld krijgt (onderdeel 2.2 van de overeenkomst). [erflater] en [erflaatster] zijn getrouwd gebleven totdat [erflater] overleed.

In 2012 hebben [erflater] en [eiser 1] twee kinderen gekregen: [eiser 3] en [eiser 2] .

In 2015 heeft [erflater] vijf [warenhuis] winkels en een deel van zijn vastgoedportefeuille verkocht aan [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . Daarna heeft hij in 2019 schenkingen gedaan aan al zijn kinderen en aan [eiser 1] .

In 2019 hebben [erflater] en [erflaatster] - vertegenwoordigd door haar bewindvoerders [gedaagde 1] en [gedaagde 2] - een bruikleenovereenkomst gesloten voor vijf schilderijen die zich in de woning van [erflaatster] bevonden. In de bruikleenovereenkomst staat dat Belgisch recht op de overeenkomst van toepassing is en dat de bevoegde rechter in het arrondissement Antwerpen exclusief bevoegd is om van op de bruikleenovereenkomst gebaseerde vorderingen kennis te nemen.

[erflater] is overleden op [overlijdensdatum 1] 2019. Daarna kregen [eiser 1] en [gedaagden] een meningsverschil over de schenkingen en de erfenis van [erflater] Op 19 november 2020 hebben zij een vaststellingsovereenkomst (hierna: vso) gesloten waarmee aan het meningsverschil een einde is gemaakt. In de vso hebben [eiser 1] en [gedaagden] een definitieve vermogensverdeling afgesproken. Daarin hebben zij elkaar finale kwijting verleend onder het voorbehoud van uitvoering van de gemaakte afspraken. In de vso staat ook dat als er onenigheid is over de inhoud van de vso, de rechter in Amsterdam daarover moet beslissen. Toen de vso werd getekend stond een aantal schilderijen in de woning van [erflaatster] .

[erflaatster] is op [overlijdensdatum 2] 2021 overleden. [eiser 1] heeft na het overlijden van [erflaatster] in 2022 [gedaagden] om afgifte gevraagd van zeven schilderijen en de auto. [gedaagden] wilden dat niet doen omdat de schilderijen en de auto volgens hen is toebedeeld aan [erflaatster] bij de verdeling van de boedel in 2010 toen [erflater] en [erflaatster] van tafel en bed zijn gescheiden.

[eiser 1] heeft in België een vordering tot afgifte van de schilderijen ingesteld tegen [gedaagden] De rechtbank van eerste aanleg Antwerpen heeft deze vordering afgewezen in het vonnis van 20 januari 2023. [eiser 1] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het Hof van Beroep Antwerpen.

In de “Syntheseconclusie in hoger beroep na heropening debatten” voor de zitting van 19 mei 2025 van [eiser 1] , wordt in paragraaf A.5 en in paragraaf C.3 een beroep gedaan op de verplichtingen voortkomende uit de vaststellingsovereenkomst.

[eisers] hebben conservatoir beslag tot afgifte gelegd op de zeven schilderijen en de auto. Het verlof is in eerste instantie door de voorzieningenrechter geweigerd. In tweede instantie heeft het gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 18 maart 2025 alsnog aan [eisers] verlof verleend om conservatoir beslag tot afgifte te leggen ten laste van [gedaagden] Het beslag trof geen doel.

In zijn beschikking overweegt het gerechtshof over litispendentie: “In België loopt een procedure tussen [eiser 1] (zonder de minderjarige kinderen) [ [eiser 1] , rb] tegen [gedaagden] [ [gedaagden] , rb] Inzet van deze procedure is hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot teruggave van vijf van de zeven schilderijen, die in bruikleen waren gegeven aan [erflaatster] . [gedaagden] hebben een tegenvordering tot teruggave van twee schilderijen ingediend. De rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft bij vonnis van 20 januari 2023 de bruikleenovereenkomst van 17 maart 2019 nietig verklaard wegens dwaling en [eiser 1] veroordeeld tot teruggave aan [gedaagden] van twee schilderijen. [eiser 1] is in België in hoger beroep gegaan en die procedure loopt nog. De onderhavige procedure tussen [eiser 1] c.s [ [eisers] , rb] en [gedaagden] betreft het verzoek verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir beslag tot afgifte van de zeven schilderijen en de auto op basis van de tussen partijen gesloten vso. Aldus is geen sprake van dezelfde partijen, betreffen de vorderingen niet hetzelfde onderwerp, noch dezelfde oorzaak, zodat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.”

3. Het geschil in de hoofdzaak

[eisers] vorderen dat de rechtbank:

1. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het in deze zaak

te wijzen vonnis over te gaan tot afgifte aan [eiser 1] van de in randnummer 8 van deze

dagvaarding genoemde 7 schilderijen, een en ander op straffe van een dwangsom van

€10.000,- (zegge: tien duizend euro) per dag dat na de 14e dag na betekening niet door hen

aan deze veroordeling is voldaan;

2. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis over te gaan tot afgifte aan [eiser 2] en [eiser 3] (“de jongere kinderen”) van de in randnummer 10 van deze dagvaarding genoemde auto van het merk Jaguar met kenteken [kenteken] , een en ander op straffe van een dwangsom van € 4.000,- per dag dat na de 14e dag na betekening niet door hen aan deze veroordeling is voldaan;

3. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure.

[eisers] verzoeken de rechtbank daarbij te bepalen dat het vonnis ook moet worden uitgevoerd als hoger beroep is ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).

4. Het geschil in het incident

[gedaagden] vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vordering van [eiser 1] , als vermeld onder 1. van het petitum van de dagvaarding, met veroordeling van [eiser 1] in de kosten van het incident.

[gedaagden] stellen dat in België een rechtszaak tussen dezelfde partijen ( [eiser 1] enerzijds en [gedaagden] anderzijds) met hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak loopt die eerder is ingesteld dan onderhavige rechtszaak.

[eisers] voeren verweer waarop de rechtbank hierna ingaat.

5. De beoordeling

de kant van [gedaagden]

stellen dat de rechtbank Amsterdam op grond van artikel 29 lid 1 van de Brussel I bis-verordening haar uitspraak moet aanhouden “totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat” of als eenmaal die bevoegdheid vaststaat (en de rechtbank Antwerpen reeds vonnis heeft gewezen) dat de rechtbank Amsterdam als de rechtbank “waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd” verklaart (artikel 29 lid 3 van de Brussel I bis-verordening).

In de Belgische procedure wordt al tussen [eiser 1] en [gedaagden] gestreden over de afgifte van de schilderijen. Artikel 29 van de Brussel 1 bis-verordening beoogt parallelle procedures voor de gerechten van verschillende lidstaten en tegenstrijdige

beslissingen die daarvan het gevolg kunnen zijn te voorkomen. In de Nederlandse en

de Belgische procedure gaat het over dezelfde schilderijen en daarbij zijn dezelfde

partijen betrokken. Dat [eiser 2] en [eiser 3] in de Nederlandse procedure ‘meedoen’ is geen beletsel voor het aannemen van litispendentie, omdat zij alleen afgifte vorderen van de Jaguar. De Nederlandse procedure is daarom splitsbaar. Omdat de rechtbank Antwerpen zich internationaal bevoegd heeft verklaard, moet de rechtbank Amsterdam zich

onbevoegd verklaren (art. 29 lid 3 Brussel 1 bis-verordening), aldus [gedaagden]

de kant van [eiser 1]

[eiser 1] is het hiermee niet eens. Zij voert aan dat de rechtbank krachtens de exclusieve rechts- en forumkeuze die is opgenomen in de vso zonder meer bevoegd is om te beslissen op hun vordering. Van litispendentie als bedoeld in artikel 29 Brussel 1 bis is geen sprake, en ook niet van connexiteit als bedoeld in artikel 30 Brussel 1 bis.

Het verschil tussen de Belgische en de Nederlandse procedure is dat [eiser 2] en [eiser 3] geen partij zijn bij de procedure in België en in Nederland wel. En dat de vorderingen in België gebaseerd zijn op de bruikleenovereenkomst en op andere grondslagen naar Belgisch recht (zoals bijvoorbeeld meerjarig bezit te goeder trouw), terwijl de grondslag van de Nederlandse procedure de vso is.

Tenslotte is op grond van art. 31 lid 2 Brussel 1 bis de Nederlandse rechter niet gehouden haar beslissing over de op de vso gebaseerde vorderingen aan te houden of zich onbevoegd te verklaren ten gunste van de Belgische rechter, omdat de vso een exclusieve forumkeuze voor de Nederlandse rechter bevat, aldus tot hier [eiser 1] .

Bevoegdheid rechtbank

[eiser 1] heeft in België dezelfde vordering tot afgifte van zeven schilderijen ingesteld tegen [gedaagden] als zij heeft gedaan bij deze rechtbank. Nederland en België zijn allebei lidstaten van de Europese Unie en daarom gebonden aan de Verordening Brussel

I-bis. Deze verordening heeft een regeling voor het geval dat een geschil al bij een andere rechter in behandeling is. De rechtbank komt tot de conclusie dat zij nog niet een beslissing kan nemen over de ontvankelijkheid van [eiser 1] en dat zij daarom de hoofdzaak moet aanhouden. Ook voor een beslissing over de Jaguar wordt de zaak aangehouden totdat het hof in België heeft beslist. Dit zijn daarvoor de redenen.

De volgende bepalingen van Verordening Brussel I-bis zijn van belang:

Artikel 29 lid 1:

Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, onverminderd artikel 31, lid 2, zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

Artikel 29 lid 3:

Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.

De bevoegdheid van de Belgische rechter staat nog niet vast. Weliswaar heeft de rechter in eerste aanleg in Antwerpen zich bevoegd geacht, maar omdat de procedure in hoger beroep nog loopt is er nog niet definitief over beslist.

Zelfde onderwerp, dezelfde oorzaak?

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het gaat om een rechtszaak tussen dezelfde partijen met hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak. Dat is wel zo, behalve ten aanzien van de Jaguar. Dit zijn daarvoor de redenen.

Het ‘onderwerp’ gaat over het doel van de vordering. Om vast te stellen of de vorderingen hetzelfde onderwerp hebben moet je alleen kijken naar waar eiser aanspraak op maakt. Het standpunt van de andere partij is niet van belang. Bij de ‘oorzaak’ gaat het om de feiten en de rechtsregel waarmee eiser haar vordering onderbouwt.

Het doel van de vordering van [eiser 1] in de Belgische rechtszaak en de Nederlandse rechtszaak zijn hetzelfde: zij wil dat [gedaagden] verplicht worden de zeven schilderijen aan haar te geven. Verder zijn de vorderingen in beide zaken onderbouwd met hetzelfde feitencomplex. [eiser 1] heeft bij haar vordering ook een beroep gedaan op de vso zoals blijkt uit de overgelegde Syntheseconclusie (zie 2.8), terwijl de grondslag van de Nederlandse procedure uitsluitend de vso is. Hoe dit in verhouding staat tot de opmerking van [eiser 1] dat zij op 17 november 2025 ten overstaan van het Hof van beroep in Antwerpen expliciet heeft bevestigd dat haar vorderingen in de procedure in België uitsluitend gebaseerd is op de bruikleenovereenkomst is onduidelijk. Zij heeft daarvan geen bewijs ingebracht en [gedaagden] hebben betwist dat zij een dergelijke intrekking van gronden tijdens de zitting heeft gedaan. Het moet er dus voor worden gehouden dat de vordering in België tevens is gestoeld op de vso. Onbekend is nog of het Hof van beroep in Antwerpen zich bevoegd acht en of hij een oordeel laat rusten op de vso. Totdat die beslissing wordt genomen dient de rechtbank haar oordeel omtrent de bevoegdheid aan te houden op grond van artikel 29 Verordening Brussel I-bis.

Aan de voorwaarden voor toepassing van de regels van artikel 29 Verordening Brussel I-bis is dus voldaan. De rechtbank moet daarom de vordering in de hoofdzaak aanhouden totdat de Belgische rechter definitief heeft beslist over haar bevoegdheid. Omdat de vordering over de Jaguar nauw verbonden is met de vordering over de schilderijen wordt de zaak in zijn geheel aangehouden.

De proceskosten

[eiser 1] krijgt ongelijk. De rechtbank beslist dat ieder van de partijen de eigen kosten moet betalen omdat ze familie van elkaar zijn. De proceskosten worden dus gecompenseerd.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst het gevorderde af;

compenseert de proceskosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van 7 oktober 2026 voor akte uitlating [eisers] over de uitkomst van de procedure in België.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. D.K.W. Collins, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.M.E. de Koning

Griffier

  • mr. D.K.W. Collins

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl VEAN-ERF-Updates.nl 2026-0210
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand