RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/228173-25 Parketnummer vordering tul: 16/308245-24
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] [plaats 1] ,
nu gedetineerd in: [detentieadres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 november 2025 en van 24 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.C. Bennis, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 24 februari 2026 –ten laste gelegd dat:
Primair
hij op of omstreeks 25 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere camera’s en/of cameralenzen en/of camera-apparatuur en/of accessoires en/of een of meerdere tassen en/of koffers, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
Subsidiair
een of meerdere onbekend gebleven personen op of omstreeks 25 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere camera’s en/of cameralenzen en/of camera-apparatuur en/of accessoires en/of een of meerdere tassen en/of koffers, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan die onbekend gebleven persoon/personen en/of zijn/hun mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die onbekend gebleven persoon/personen en/of zijn/hun mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 24 augustus 2025 tot en met 25 augustus 2025 te Amsterdam en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of
inlichtingen heeft verschaft door
- ( vlak) voor en/of rondom het tijdstip van het delict contact te onderhouden met een of
meerdere onbekend gebleven personen/mededaders en/of
- zijn auto, te weten een Volkswagen Jetta, ter beschikking te stellen,
- de berging van een woning, gelegen aan de [adres 2] , ter beschikking
te stellen ter opslag van de gestolen goederen.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde diefstal in vereniging, door middel van braak en/of verbreking. Hoewel verdachte niet fysiek aanwezig was op de plaats delict, is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en heeft verdachte een coördinerende rol gespeeld bij de ramkraak door een auto beschikbaar te stellen en de gestolen goederen op te slaan in de berging van de woning van zijn ouders.
Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan diefstal in vereniging, door middel van braak en/of verbreking, kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde, vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 9 december 2025 de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld. Op 25 augustus 2025, tussen ongeveer 02:13 uur en 02:22 uur, hebben drie personen een ramkraak bij het bedrijf [bedrijf 1] in Amsterdam gepleegd. Zij hebben daarbij een afvalcontainer voor een roldeur geplaatst en zijn met een grijze Volkswagen Jetta achteruit tegen de afvalcontainer aan gereden. Daardoor begaf het rolluik het. Twee personen betraden het bedrijfspand, namen een camera, cameralenzen, camera-apparatuur, camera-accessoires, tassen en koffers uit het bedrijfspand weg en hebben die in de grijze Volkswagen Jetta geladen.
In twee van de weggenomen koffers waren Apple Airtags geplaatst. Met behulp van een iPhone konden deze koffers worden gelokaliseerd in de berging van de woning aan de [plaats 2] . In deze berging, behorend bij de woning van de ouders van verdachte, trof de politie vervolgens de bij de ramkraak weggenomen goederen aan.
Ter hoogte van de [adres 3] stond een grijskleurige Volkswagen Jetta geparkeerd, voorzien van het kenteken [kenteken] , met zichtbare schade aan de achterzijde. Deze schade leek overeen te komen met schade die kan ontstaan na het rammen van een afvalcontainer. Uit nader onderzoek bleek dat deze auto op naam staat van verdachte.
Op 9 december 2025 heeft de rechtbank besloten om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen, omdat tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek in deze zaak niet volledig is geweest. De raadsman heeft ter zitting van 25 november 2025 verzocht, in het geval de rechtbank niet tot vrijspraak komt, de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te horen. De rechtbank heeft dit (voorwaardelijke) verzoek toegewezen en de zaak verwezen naar de rechter-commissaris. Aldaar zijn deze twee getuigen gehoord.
Daarnaast is het dossier aangevuld met onder andere telefoongegevens van verdachte en historische verkeersgegevens van netwerkmetingen. Hieruit bleek het volgende.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , opgeslagen in de telefoon van verdachte als ‘ [persoon 1] ’, straalde op 25 augustus 2025 om 02:15 uur, op het moment van de ramkraak, uit in de nabije omgeving van de plaats delict. Verdachte heeft enkele uren voor de ramkraak contact met dit nummer gehad. Zo heeft ‘ [persoon 1] ’ op 24 augustus 2025 om 22:14 uur drie berichten aan verdachte gestuurd. In het laatste bericht vroeg ‘ [persoon 1] ’ aan verdachte of hij “klaar” is. Verder hebben verdachte en ‘ [persoon 1] ’ tussen 20:45 uur en 01:45 uur verschillende gesprekken gevoerd, waaronder drie gesprekken rondom 01:45 uur, kort voor de ramkraak. Ook in de ochtend van 25 augustus 2025 heeft verdachte contact met ‘ [persoon 1] ’ gehad. Zij hebben van 07:30 uur tot 08:00 uur meerdere gesprekken gevoerd. Daarnaast is verdachte op die dag tussen 10:00 uur en 12:01 uur meerdere keren gebeld door ‘ [persoon 1] ’.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] straalde op 25 augustus 2025 om 02:15 uur, op het moment van de ramkraak, eveneens uit in de nabije omgeving van de plaats delict. Rond 03:22 uur, ongeveer een uur na de ramkraak, is dit nummer geregistreerd in de omgeving van de [plaats 2] , het adres van de ouders van verdachte. Ook met dit telefoonnummer heeft verdachte contact gehad. Zo is verdachte op 25 augustus 2025 tussen ongeveer 09:00 uur en 12:11 uur meerdere keren gebeld door de gebruiker van dit nummer. Tevens ontving verdachte op die dag twee berichten van dit nummer om 09:14 uur en 09:22 uur. Het nummer van verdachte is niet geregistreerd op de plaats delict.
Verdachte ontkent enige betrokkenheid bij de ramkraak. Hij verklaart dat hij ten tijde van het misdrijf in de woning aan de [plaats 2] verbleef en dat hij aan een bekende de sleutels van zijn auto en van de berging van zijn ouders had gegeven, zodat die persoon daar gebruik van kon maken. Verdachte verklaart niet over wie die persoon is geweest. Verdachte heeft wel verklaard dat hij op enig moment in de berging is gaan kijken of er geen verdovende middelen waren opgeslagen. De rechtbank acht deze verklaring echter niet aannemelijk. Uit het voorgaande volgt dat verdachte actief heeft gecommuniceerd met de mededaders, die op de plaats delict uitvoering hebben gegeven aan de ramkraak, zowel direct voorafgaand aan de ramkraak als kort daarna. De frequentie en het tijdstip van deze contacten, bezien in samenhang met het feit dat zijn auto bij de ramkraak is gebruikt en de buit met een aanzienlijke waarde werd aangetroffen in de berging van de ouders van verdachte, leiden tot het oordeel van de rechtbank dat verdachte wetenschap had van de ramkraak.
Hoewel verdachte niet fysiek aanwezig was bij de uitvoering van de ramkraak, heeft hij aan dit feit een wezenlijke bijdrage geleverd door zijn auto en berging ter beschikking te stellen en door actief contact te onderhouden met zijn mededaders rondom het tijdstip van het delict, waarbij in ieder geval één van de daders ongeveer een uur na de ramkraak uitpeilt in de buurt van de woning waar verdachte op dat moment verblijft en waar vervolgens de buit in de berging is aangetroffen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.
Alles overwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde diefstal in vereniging, gepleegd door middel van braak.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 25 augustus 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen een camera, cameralenzen, camera apparatuur, accessoires, tassen en koffers die aan [bedrijf 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.
5. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesentwintig maanden met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank niet tot vrijspraak zal komen, heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ramkraak, waarbij voor een bedrag van € 180.000,- aan goederen is weggenomen. Met dit handelen heeft verdachte aanzienlijke schade veroorzaakt aan het betreffende bedrijfspand en de inboedel van het bedrijf. Dergelijke feiten brengen gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg bij de benadeelden en in de maatschappij in het algemeen en veroorzaken bovendien grote financiële schade en overlast bij de betrokkenen.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 16 februari 2026. Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, waardoor er sprake is van recidive. Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 7 november 2025. Hieruit volgt dat de reclassering geen meerwaarde ziet in het adviseren van bijzondere voorwaarden, omdat er recent al een reclasseringstoezicht is opgestart in een andere zaak.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging gekeken naar de LOVS- oriëntatiepunten voor straftoemeting en naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De LOVS geeft voor een ramkraak in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden als uitgangspunt. Omdat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten is er sprake van recidive en zal de rechtbank het strafblad van verdachte in negatieve zin meewegen bij de strafoplegging. De rechtbank ziet hierin aanleiding om af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten en een hogere gevangenisstraf op te leggen. Deze gevangenisstraf valt echter lager uit dan de eis van de officier van justitie, rekening houdende met de hiervoor genoemde uitgangspunten en omdat de rechtbank van oordeel is dat uit het dossier niet volgt dat verdachte een coördinerende rol heeft vervuld, zoals de officier van justitie naar voren heeft gebracht.
Evenals de reclassering ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk gedeelte, nu verdachte in een andere zaak al onder reclasseringstoezicht staat. De rechtbank zal daarom geen voorwaardelijk strafdeel opleggen.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van achttien maanden met aftrek van het voorarrest.
8. Beslag
Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:
- 1 GSM Apple (PL1300-2025212806-G6701951).
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder verdachte in beslag
genomen goed verbeurd dient te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Het oordeel van de rechtbank
Nu met behulp van de telefoon het bewezen verklaarde feit is gepleegd zal de telefoon verbeurd worden verklaard.
9. Ten aanzien van de benadeelde partij
De vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] BV
De benadeelde partij [bedrijf 1] BV vordert een bedrag van € 13.321,60 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen, met uitzondering van de btw en de kosten van de rampalen. De kosten van de rampalen betreffen geen herstelschade, zodat de benadeelde partij op dat onderdeel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Daarnaast dient aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en hoofdelijke aansprakelijkheid te worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet toe te wijzen, omdat het onduidelijk is of de benadeelde partij verzekerd is tegen de ontstane schade.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank gaat ervan uit dat de kostbare goederen zeer waarschijnlijk waren verzekerd. Het is onbekend òf en zo ja, welk deel van de schade in dat geval door de verzekeraar is vergoed. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
10. Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
De vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/308245-24
De vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling betreft het onherroepelijk
geworden vonnis van 4 oktober 2024 van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland, in de zaak met parketnummer 16/308245-24. Verdachte is in deze zaak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 39 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, en een proeftijd van 2 jaren.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft primair verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair heeft hij verzocht om de gevangenisstraf geheel dan wel gedeeltelijk om te zetten in een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te bevelen.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
12. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Verklaart verbeurd:
1 GSM Apple (PL1300-2025212806-G6701951).
Verklaart [bedrijf 1] BV niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 4 oktober 2024 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Biçer, voorzitter,
mrs. A.M. Gruschke en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 maart 2026.
[…]