ECLI:NL:RBAMS:2026:2533

ECLI:NL:RBAMS:2026:2533

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 12-03-2026
Datum publicatie 11-03-2026
Zaaknummer 13-006944-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vervolgings-EAB uit België. Uitspraak na tussenuitspraak om nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden in Mechelen in het kader van artikel 11 OLW. De rechtbank is, gelet op de daarin gedane toezeggingen door de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu concreet wordt gegarandeerd dat de detentiegarantie van 17 januari 2026 zal worden gerespecteerd. Artikel 6 OLW: De overlevering wordt niet afhankelijk gemaakt van een terugkeergarantie. Onvoldoende is gebleken dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf vanuit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De overlevering wordt toegestaan

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-006944-26

Datum uitspraak: 12 maart 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 16 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 7 januari 2026 door het Federaal Parket in Brussel, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu uit anderen hoofde gedetineerd in [naam PI] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De zitting van 27 januari 2026

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 27 januari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. J.C. Reisinger, advocaat in Utrecht.

Voor sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen.

De tussenuitspraak van 10 februari 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen ten aanzien van de detentieomstandigheden in de penitentiaire instelling in Mechelen.

De zitting van 26 februari 2026

De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – voortgezet in gewijzigde samenstelling op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft wederom afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. J.C. Reisinger.

De rechtbank heeft, op vordering van de officier van justitie, voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. De tussenuitspraak van 10 februari 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de bevoegdheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit en het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming (paragraaf 3), de toestemming van de Verenigde Arabische Emiraten voor verderlevering van de opgeëiste persoon aan België door Nederland (paragraaf 4), de grondslag en de inhoud van het EAB (paragraaf 5) en de strafbaarheid van de feiten (paragraaf 6). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, moet hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4. Artikel 11: detentieomstandigheden in België

Inleiding

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 8 van de tussenuitspraak van 10 februari 2026. De overwegingen in deze paragraaf moeten hier eveneens als herhaald en ingelast worden beschouwd.

In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen dat een globale beoordeling van de in deze zaak op 27 januari 2026 verstrekte individuele detentiegarantie niet zonder meer tot de conclusie kon leiden dat het eerder vastgestelde algemeen reële gevaar van onmenselijke en vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon in de gevangenis van Mechelen kon worden weggenomen.

De rechtbank werd immers voorafgaand aan de zitting geconfronteerd met een interview van 16 december 2025 waarin de gevangenisdirecteur en de directeur generaal gevangeniswezen zelf uitlatingen over de detentieomstandigheden in Mechelen hadden gedaan, waarbij werd gesproken over de overbevolkingsproblematiek. Daarnaast was door de raadsman een nieuwsbericht van 16 januari 2026 overgelegd waarin een figuur is opgenomen met cijfers over de overbevolking per gevangenis, afkomstig van de Belgische Federale Overheidsdienst Justitie, waaruit bleek dat de bezettingsgraad per 5 januari 2026 was opgelopen tot 185,7%. Naar aanleiding van deze informatie heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst teneinde de officier van justitie te verzoeken om de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen te laten beantwoorden, indachtig de omstandigheden op grond waarvan het algemeen reële gevaar voor gedetineerden in België is aangenomen.

In hoeverre heeft de in het interview van 16 december 2025 verstrekte informatie over de overbevolking en het niet afgescheiden sanitair gevolgen voor de verstrekte garantie? Welke gevolgen zijn dat?

Voor zover (nog steeds) wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na overlevering ten minste 3 m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel (exclusief sanitaire voorzieningen) en met afgescheiden sanitair tot zijn beschikking zal hebben, hoe wordt dat feitelijk gerealiseerd gelet op de overbevolkingscijfers in de instelling?

Mocht dit aanleiding geven om de opgeëiste persoon in een andere detentie-instelling te plaatsen na zijn overlevering, kunt u aangeven welke dat zal zijn en welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in die detentie-instelling?

In een e-mailbericht van 11 februari 2026 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) van het openbaar ministerie, onder verwijzing naar de hiervoor genoemde overwegingen in de tussenuitspraak, deze vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd.

Het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden in Brussel heeft per brief op 24 februari 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:

“Ter beantwoording van het verzoek om bijkomende informatie (…) betreffende de detentieomstandigheden waaraan [opgeëiste persoon] ( [geboortedatum] ) zal worden onderworpen in de gevangenis van Mechelen na overlevering ingevolge het Europees aanhoudingsbevel (…) verstrek ik u de volgende informatie.

1. In hoeverre heeft de in het interview van 16 december 2025 verstrekte informatie over de overbevolking en het niet afgescheiden sanitair gevolgen voor de verstrekte garantie? Welke gevolgen zijn dat?

Het interview in het artikel van 16 december 2025 heeft geen gevolgen voor de verstrekte garantie. België garandeert dat de detentiegarantie van [opgeëiste persoon] zal worden gerespecteerd.

2. Voor zover (nog steeds) wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na overlevering ten minste 3 m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel (exclusief sanitaire voorzieningen) en met afgescheiden sanitair tot zijn beschikking zal hebben, hoe wordt dat feitelijk gerealiseerd gelet op de overbevolkingscijfers in de instelling?

België garandeert dat gedetineerden die worden overgebracht met detentiegaranties, worden geplaatst in cellen die aan de vereiste garanties tegemoet komen. Gedetineerden worden geplaatst in een cel met maximum 1 andere persoon met apart sanitair. Deze wordt expliciet gecommuniceerd aan de Directie voor Penitentiaire instellingen en aan de gevangenis in kwestie door het parket bij overbrenging van de persoon.

3. Mocht dit aanleiding geven om de opgeëiste persoon in een andere detentie-instelling te plaatsen na zijn overlevering, kunt u aangeven welke dat zal zijn en welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in die detentie-instelling?

België behoudt de gevangenis van Mechelen daar alle detentiegaranties zullen worden nageleefd en er dus geen noodzaak is tot plaatsing in een andere instelling. (Gecursiveerd en dikgedrukt door de rechtbank).”

Standpunten van partijen

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft primair bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd. De verstrekte garanties zijn niet afdoende, omdat onduidelijk is in hoeverre deze door de Belgische autoriteiten kunnen worden nageleefd. Vooralsnog blijkt slechts sprake te zijn van het zogenoemd “gladstrijken van diplomatieke plooien”. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte garantie niet het gebrek aan gevangenispersoneel, explosieve situaties en geweld onder gedetineerden en de omstandigheden omtrent de sanitaire omstandigheden oplost. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, zodat de opgeëiste persoon zijn strafzaak in Nederland kan voorbereiden en bijwonen.

Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie moet op grond van het vertrouwensbeginsel worden uitgegaan van de geboden garantie die het algemeen reële gevaar dat door de rechtbank is aangenomen voor de opgeëiste persoon wegneemt. Uit de aanvullende informatie van 24 februari 2026 blijkt immers dat gedetineerden, die door Nederland aan België worden overgeleverd, worden geplaatst in een cel met maximaal één andere persoon en met een afgescheiden sanitair. De officier van justitie heeft verwezen naar pagina vijf van het Jaarverslag van de Commissie van Toezicht Mechelen over 2024 waarin volgens haar bevestiging van deze informatie valt te lezen, nu daarin staat dat de gevangenis in Mechelen over zogenoemde mono cellen beschikt voor personen die door Nederland zijn overgeleverd.De raadsman heeft daarnaast geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de garanties niet zullen worden nageleefd. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de raadsman heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een dergelijk verzoek na de uitspraak van de rechtbank moet worden behandeld door de raadkamer.

Oordeel van de rechtbank

Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garanties van 17 januari en 24 februari 2026.

De rechtbank is, gelet op de daarin gedane toezeggingen door de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu concreet wordt gegarandeerd dat de detentiegarantie van 17 januari 2026 zal worden gerespecteerd. Daarbij is verder gegarandeerd dat gedetineerden die worden overgebracht met detentiegaranties, zullen worden geplaatst in een cel met maximaal één andere persoon, waarbij de sanitaire voorzieningen zijn afgescheiden. Deze garantie zal bovendien expliciet door de Belgische autoriteiten worden gecommuniceerd aan de Directie voor Penitentiaire instellingen en aan de detentie-instelling zelf op het moment dat de opgeëiste persoon wordt overgeleverd. Hierdoor kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon wordt geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).

De raadsman heeft verder betoogd, zo begrijpt de rechtbank, dat het algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten in detentie-instellingen in België moet worden uitgebreid vanwege het risico dat, als gevolg van het gebrek aan gevangenispersoneel, gedetineerden onvoldoende beschermd kunnen worden tegen geweld tussen gedetineerden onderling. De raadsman heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die duiden op een dergelijk algemeen reëel gevaar. De rechtbank is ook ambtshalve niet met dergelijke gegevens bekend. In het licht van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. Het primaire verweer van de raadsman wordt verworpen.

De rechtbank begrijpt het subsidiaire verzoek van de raadsman als een beroep op het bepaalde in artikel 36 OLW, namelijk dat de tegen de opgeëiste persoon lopende Nederlandse strafzaak een beletsel vormt voor de feitelijke overlevering. Hoewel uitstel van de feitelijke overlevering een kwestie is waarover deze rechtbank oordeelt, is het niet een beoordeling die in dit stadium van de overleveringsprocedure voorligt. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een dergelijk verzoek schriftelijk kan worden ingediend, waarna het in raadkamer zal worden behandeld.

5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Inleiding

In de tussenuitspraak van 10 februari 2026 is de rechtbank niet toegekomen aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie, omdat de opgeëiste persoon geen beroep had gedaan op artikel 6 OLW.

Standpunten van partijen

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat, indien de overlevering wordt toegestaan, deze afhankelijk moet worden gemaakt van een terugkeergarantie. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en wenst een beroep te doen op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De opgeëiste persoon heeft namelijk geen enkele binding met België en daarnaast zou hij middels zijn Nederlandse paspoort eenvoudiger (administratieve) zaken in Nederland kunnen regelen dan in België. Tot slot spreken zijn vrouw en kinderen de Nederlandse taal en zijn zij voornemens om terug naar Nederland te verhuizen.

Standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie heeft de opgeëiste persoon onvoldoende banden met Nederland. Zijn vrouw en kinderen wonen niet in Nederland en het enkel hebben van de Nederlandse nationaliteit maakt niet dat de overlevering automatisch afhankelijk moet worden gemaakt van een terugkeergarantie. De overname van de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf zal niet bijdragen aan de maatschappelijke re-integratie van de opgeëiste persoon.

Oordeel van de rechtbank

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft via zijn raadsman laten weten dat hij een beroep wenst te doen op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting onvoldoende is gebleken dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf vanuit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Uit het uittreksel van de Strafrechtketendatabank (SKDB) blijkt immers dat de opgeëiste persoon nooit in Nederland ingeschreven heeft gestaan en wel een adres in België heeft gehad. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon volgens zijn raadsman (een langere tijd) in Spanje gewoond en blijkt uit het dossier dat hij recent, in september 2025, door de Verenigde Arabische Emiraten, waar hij woonachtig was, is uitgeleverd aan Nederland. Het is kortom niet duidelijk geworden dat de opgeëiste persoon familiale-, economische-, culturele- of maatschappelijke banden heeft met Nederland waaruit kan worden afgeleid dat hij het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland zijn gevestigd.

De rechtbank zal daarom de overlevering niet afhankelijk maken van een terugkeergarantie.

6. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Federaal Parket in Brussel, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 maart 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.R.P.J. Davids

Griffier

  • mr. M.L. Kole

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?