RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-343463-25
Datum uitspraak: 12 maart 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 21 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 augustus 2025 door the Regional Court in Płock, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.E. Broekert, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Daarnaast heeft de rechtbank, op vordering van de officier van justitie, voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the District Court in Płock van 13 oktober 2021 met kenmerknummer VII Kp 282/21.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
telkens: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, en verbreking, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een geringe hoeveelheid bestemd voor eigen gebruik, strafbaar gesteld bij artikel 10 lid 6 van de Opiumwet, meermalen gepleegd;
en
handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 1 van de Opiumwet.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. De opgeëiste persoon heeft tegenover de raadsvrouw verklaard dat hij negen jaar onafgebroken en rechtmatig in Nederland verblijft. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsvrouw verwezen naar het strafblad van de opgeëiste persoon, waaruit blijkt dat hij in 2017 voor het eerst in Nederland in aanraking is gekomen met de politie en justitie. De justitiecontacten in Nederland lopen door tot en met 2024 waarbij hij in de tussentijd ook enkele gevangenisstraffen in Nederland heeft uitgezeten.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kan de opgeëiste persoon niet worden gelijkgesteld met een Nederlander. Een strafblad is geen objectief stuk dat kan dienen als onderbouwing van vijf jaar onafgebroken en rechtmatig verblijf in Nederland. Daarnaast zijn geen inkomensgegevens of andere stukken overgelegd. Bovendien onderbreekt een detentie in Nederland de periode van vijf jaar rechtmatig verblijf.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW onder meer zijn voldaan aan het vereiste dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat niet aan dit vereiste is voldaan. De raadsvrouw heeft geen stukken ter onderbouwing overgelegd die aantonen dat sprake is van vijf jaar onafgebroken en rechtmatig verblijf in Nederland nu enkel is gewezen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie. Dat is geen stuk waaruit kan worden afgeleid dat iemand vijf jaar onafgebroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Het gelijkstellingsverweer wordt alleen al om die reden verworpen.
6. Artikel 11 OLW
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Detentieomstandigheden in Poolse remand regimes
Inleiding
Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde remand regime.
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Poolse detentie-instellingen terechtkomen. Het kernpunt daarbij is dat in het remand regime slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van het onderzoek naar de detentieomstandigheden heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (hierna: IRC) vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Op 30 januari 2026 heeft the Regional Prosecutor’s office in Płock in een brief het volgende medegedeeld:
"(...) in the case of [opgeëiste persoon] , born [geboortedag] , 1991, in [geboorteplaats] (…) the suspect will be held at the Penitentiary at Henryka Sienkiewicza 22, 09-402 Płock.
The pretrial detention units contain three-person cells, each with 4 m2 of living space per inmate, excluding sanitary facilities, and one monitored single cell with an area of 5 m2. In accordance with applicable regulations, inmates are allowed one hour of exercise per day.
Inmates can also use the common room in the residential unit twice a week, which includes a television, a table tennis table, an exercise bike, and wall bars. They can also bring puzzles and board games to their cells or use them during stay in the ward's recreation room. Please note that use of the ward's recreation room is subject to a set schedule.
Additionally, inmates can borrow books from the library located in the residential ward twice a week. Currently, Płock Penitentiary offers interest groups: chess, a book club, origami, and sudoku, which are held in the common rooms of the residential wards. Interest group sessions last from 30 to 60 minutes, depending on the inmate's needs, and are held at least once a week. It should be noted, however, that participation in the activities organized at Płock Penitentiary is voluntary and depends solely on o the inmate’s willingness and commitment.”
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht om een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon vast te stellen en de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. De verstrekte garantie sluit het algemene reële gevaar, dat de opgeëiste persoon structureel 23 uur per dag in zijn cel (met persoonlijke ruimte tussen de 3 en 4 m2) moet doorbrengen, niet uit. Er wordt immers gegarandeerd dat gedetineerden dagelijks één uur per dag mogen bewegen en twee keer per week gebruik mogen maken van “the common room”. Daarnaast wordt niet concreet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon in een cel met 5 m2 persoonlijke leefruimte wordt gedetineerd.
Standpunt van de officier van justitie
Onder verwijzing naar het Dorobantu-arrest heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. Uit de door de Poolse verstrekte garantie blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon terecht zal komen in een meerpersoonscel van 4 m2 of zelfs 5 m2 waardoor niet naar de overige detentieomstandigheden, zoals verblijf buiten de cel, hoeft te worden gekeken.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat uit de door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 30 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden gedetineerd in Henryka Sienkiewicza in Płock en dat 4 m2 persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel wordt gegarandeerd, exclusief sanitaire voorzieningen.
Uit het Dorobantu-arrest blijkt dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt dat de persoonlijke leefruimte een belangrijke factor is bij de beoordeling of de detentieomstandigheden adequaat zijn. Wanneer een gedetineerde in een meerpersoonscel beschikt over 3 à 4 m2 persoonlijke leefruimte kan worden geconcludeerd dat sprake is van een schending van artikel 3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) indien het gebrek aan ruimte gepaard gaat met andere slechte materiële detentieomstandigheden, in het bijzonder het ontbreken van toegang tot een binnenplaats of tot frisse lucht en daglicht, slechte ventilatie, te lage of te hoge binnentemperaturen, gebrek aan privacy op het toilet of slechte sanitaire en hygiënische omstandigheden. Wanneer een gedetineerde beschikt over meer dan 4 m2 persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel en dit aspect van de materiële detentieomstandigheden dus geen problemen oplevert, blijven de andere aspecten van deze omstandigheden, zoals hierboven genoemd, relevant voor de beoordeling of de detentieomstandigheden van de betrokkene adequaat zijn in het licht van artikel 3 EVRM. Gelet op deze laatste overweging kan het niet anders dan dat met de onder punt 75 van het arrest Dorubantu genoemde 3 à 4 m2 persoonlijke leefruimte een oppervlakte van 3 tot en met 4 m2 wordt bedoeld.
Het hiervoor genoemde toetsingskader uit het arrest Dorubantu, en daarmee het algemeen reëel gevaar zoals genoemd in paragraaf 6.2.1, geldt daarom ook voor overgeleverde personen die in het remand regime zullen beschikken over 4 m2 persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel. Ten aanzien van de opgeëiste persoon wordt gegarandeerd dat hij na zijn overlevering wordt gedetineerd in een cel met 4 m2 aan persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen, en dus niet dat hij in een cel met meer dan 4 m2 persoonlijke leefruimte exclusief sanitaire voorzieningen wordt gedetineerd.
Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling of de verstrekte detentiegarantie volstaat om voor de opgeëiste persoon het algemeen reëel gevaar weg te nemen, merkt zij allereerst op dat het IRC, ook in eerdere en andere overleveringszaken, en vaak op verzoek van de rechtbank, aan de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gevraagd of kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon ten minste 4 m2 persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel krijgt, exclusief sanitaire voorzieningen. Op basis van de verkregen aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit, waarin is toegezegd dat dit werd gegarandeerd, is de overlevering vervolgens toegestaan.
De rechtbank ziet echter aanleiding om terug te komen op eerder genomen beslissingen waarin een garantie was verstrekt van (minimaal) 4 m2 persoonlijke leefruimte in een meerpercoonscel en de overlevering vervolgens is toegestaan zonder verdere toetsing of de opgeëiste persoon voldoende tijd per dag buiten zijn cel kan verblijven. Deze beslissingen berustten immers, gelet op wat hiervoor is overwogen, op een onjuiste uitleg van het Dorobantu-arrest. De vraagstelling in die eerdere overleveringszaken had anders moeten luiden, namelijk of gegarandeerd kan worden dat de opgeëiste persoon wordt gedetineerd in een meerpersoonscel met meer dan 4 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen.
Nu de Poolse autoriteiten garanderen dat de opgeëiste persoon 4 m2 aan persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen, ter beschikking zal hebben en deze situatie ziet op de categorie gedetineerden ten aanzien waarvan 3 à 4 m2 aan persoonlijke leefruimte, exclusief sanitaire voorzieningen wordt gegarandeerd, zal de rechtbank thans ingaan op de materiële detentieomstandigheden in onderhavige zaak om te kunnen beoordelen of het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, neemt een garantie dat een opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg. De rechtbank heeft er begrip voor dat de Poolse autoriteiten een dergelijke garantie niet onder alle omstandigheden kunnen geven, bijvoorbeeld omdat zich noodsituaties kunnen voordoen in de detentie-instelling die ervoor zorgen dat een dergelijke garantie niet geëffectueerd kan worden.
De rechtbank heeft daarom in een eerdere uitspraak aanleiding gezien om haar rechtspraak op dit punt te preciseren. Hieruit volgt dat het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 in ieder geval wordt weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden - wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen - gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, de duur van die activiteiten, én de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn.
Uit de aanvullende informatie van 30 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon dagelijks de mogelijkheid krijgt om één uur te wandelen. Daarnaast kan hij gemiddeld twee keer per week volgens een wekelijks vastgesteld schema deelnemen aan diverse activiteiten in de gemeenschappelijke ruimte, tweemaal per week boeken lenen van de bibliotheek en kan hij minstens één keer per week deelnemen aan zogenoemde “interest groups” in de gemeenschappelijke ruimte, welke 30 tot 60 minuten duren.
Op basis van deze informatie kan de rechtbank niet vaststellen dat de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden voldoende tijd buiten de cel kan verblijven, indien hij aan alle aangeboden activiteiten deel zou nemen. In dit kader is van belang dat informatie ontbreekt over de tijdsduur van de activiteiten in de gemeenschappelijke ruimte waaraan de opgeëiste persoon volgens de aanvullende informatie twee keer per week kan deelnemen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gegeven informatie op dit moment onvoldoende concreet is om voor de opgeëiste persoon het algemene reële gevaar uit te sluiten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen en de officier van justitie te verzoeken om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voor te leggen:
Kunt u garanderen dat de opgeëiste persoon wordt gedetineerd in een meerpersoonscel met meer dan 4 m2 persoonlijke leefruimte exclusief sanitaire voorzieningen?
Indien u vraag 1 ontkennend beantwoordt, kunt u dan nader toelichten hoeveel uur de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden - wanneer hij ervoor kiest om aan de deel te nemen aan diverse activiteiten in de gemeenschapsruimte en de recreatieruimte en bij gebruikmaking van de bibliotheek - gemiddeld per dag buiten zijn cel kan verblijven?
Verlenging van de beslistermijn
De beslistermijn die op de zitting van 26 februari 2026 is verlengd, verstrijkt op 22 maart 2026. Artikel 22, vijfde lid, OLW bepaalt dat de rechtbank in het uitzonderlijke geval, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, de beslistermijn met telkens 30 dagen kan verlengen. Nu de rechtbank onderzoek doet naar een reëel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, verlengt zij de beslistermijn met 30 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
7. Beslissing
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige SCHORSING voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit nader te bevragen zoals in paragraaf 6.3 is overwogen.
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen (eindigend op 21 april 2026), onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALT dat de zaak uiterlijk 14 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk voor 7 april 2026, opnieuw op zitting wordt aangebracht.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de datum en tijdstip van de volgende zitting, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de datum en tijdstip van de volgende zitting.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.