RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Parketnummer: 13.313391.25 [verdachte]
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-313391-25
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adrfes] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de raadsman van verdachte en de benadeelde partij en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 20 november 2025 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer] door hem met een mes/schaar, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans het bovenlichaam, te steken. Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft aangever meermalen met een scherp voorwerp gestoken, waaronder in zijn rug. Verdachte heeft daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende bewijs waaruit kan worden afgeleid dat het verdachte is geweest die aangever heeft gestoken. De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat, gelet op de aard van het letsel van aangever, niet kan worden bewezen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel of een poging tot het veroorzaken van dergelijk letsel.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak zware mishandeling
Gelet op het bij aangever geconstateerde letsel, zoals weergegeven in de letselverklaring, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Aangever is weliswaar – onder meer in verband met een klaplong – onder behandeling gesteld in het ziekenhuis, maar heeft dezelfde dag het ziekenhuis weer kunnen verlaten. De rechtbank leidt uit de letselverklaring verder af dat uitzicht bestaat op volledig herstel. Van zwaar lichamelijk letsel is daarom geen sprake, zodat verdachte wordt vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen zoals opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Is het verdachte geweest die aangever heeft gestoken?
Er is geen discussie over het feit dat [slachtoffer] is gestoken, maar wel dat verdachte dit zou hebben gedaan. De rechtbank komt tot de conclusie dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] gestoken heeft. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] en verdachte elkaar kenden. Het feit heeft zich afgespeeld in de woning van aangever, waarna aangever zijn woning is ontvlucht. Zowel [slachtoffer] als verdachte zijn zeer kort na het feit door de politie in de directe omgeving van de woning van aangever aangetroffen. [slachtoffer] heeft hierbij verdachte aangewezen als degene die hem had gestoken. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat verdachte heeft geprobeerd zich te verstoppen in een container/laadbak van een vrachtwagen toen de politie ter plaatse kwam. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor dit opvallende gedrag en evenmin voor zijn aanwezigheid ter plaatse op dat nachtelijke tijdstip. Op grond van deze feiten en omstandigheden lijdt het naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel dat verdachte de persoon is geweest die bij het door [slachtoffer] beschreven incident betrokken is geweest. Het verweer van de raadsman, dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon is geweest die aangever heeft gestoken, wordt daarom verworpen.
Is er sprake van een poging tot zware mishandeling?
Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is vereist dat de verdachte minimaal voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag, of de gedragingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op de zware mishandeling in het leven hebben geroepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is begaan.
De rechtbank kan niet met voldoende zekerheid vaststellen met welk voorwerp verdachte aangever heeft gestoken. Aangever heeft verklaard dat het steken met een mes is gebeurd. In de directe omgeving van de woning zijn een mes en een schaar met daarop bloedsporen aangetroffen. Deze objecten zijn op de aanwezigheid van DNA van verdachte en aangever onderzocht, maar de uitkomsten van dit onderzoek leiden niet tot de eenduidige conclusie dat het ene of het andere object als steekwapen is gebruikt. Dit doet er echter niet aan af dat bewezen kan worden dat het steken door verdachte, gelet op de toegebrachte verwondingen, met het mes en/of de schaar, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, moet zijn gebeurd. Op het lichaam van aangever zijn immers een steekwond en een laceratie aangetroffen.
Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat verdachte het slachtoffer meermalen heeft gestoken. Aangever beschrijft dat de verdachte zijn rechterarm naar achteren haalde en met snelheid naar voren bracht. Hij voelde meteen een stekende pijn aan de rechterkant van zijn rug. Aangever deed vervolgens zijn linkerarm ter verdediging in de lucht en voelde dat hij ook in zijn onderarm werd gestoken. Deze beschrijving sluit aan bij het in het ziekenhuis bij aangever geconstateerde letsel. Er was onder meer sprake van een pneumothorax (de rechtbank begrijpt: klaplong) en de wond op de rug moest worden gehecht. Ook heeft verdachte met kracht gestoken. Dit leidt de rechtbank af uit het feit dat verdachte [slachtoffer] door zijn kleding heeft gestoken en dat [slachtoffer] door het steken een klaplong heeft opgelopen. Verdachte heeft [slachtoffer] tot in de long (een vitaal orgaan) geraakt.
Het op deze wijze steken van [slachtoffer] brengt naar het oordeel van rechtbank de aanmerkelijke kans met zich mee dat aangever als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De gedragingen van verdachte zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op en geschikt voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit valt af te leiden dat verdachte de aanmerkelijke kans, dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gehad.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 20 november 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een mes/schaar, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. De raadsman heeft verder verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door [slachtoffer] meermalen te steken. [slachtoffer] is hierdoor gewond geraakt en heeft onder meer een klaplong opgelopen. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van [slachtoffer] . De rechtbank rekent verdachte dit zeer gewelddadige gedrag aan. De rechtbank weegt mee dat het feit heeft plaatsgevonden in de woning van [slachtoffer] . De eigen woning is bij uitstek een omgeving waar iemand zich veilig moet voelen. Door zijn handelen heeft verdachte bij [slachtoffer] dusdanig heftige gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht, dat hij zijn eigen woning is ontvlucht. Ter zitting heeft [slachtoffer] toegelicht hoe beangstigend deze situatie voor hem is geweest.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 20 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder andere bedreiging.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsadvies van 15 december 2025. Hieruit blijkt onder meer dat verdachte onrechtmatig in Nederland verblijft en daardoor geen recht heeft op sociale voorzieningen. Verdachte heeft geen werk of inkomen.
Strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor het bewezenverklaarde feit gekeken naar deze oriëntatiepunten. Voor opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. Bij een poging geldt als uitgangspunt dat de straf twee derde bedraagt van de straf die zou zijn opgelegd als het delict was voltooid. Het feit dat [slachtoffer] in zijn woning is gestoken weegt in strafverzwarende zin mee. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.
Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
8. Beslag
In het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf zijn een mes en een schaar aangetroffen en in beslag genomen. Gelet op de omstandigheid dat op zowel het mes als de schaar bloedsporen zijn aangetroffen, acht de rechtbank het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met het algemeen belang. Deze voorwerpen worden daarom onttrokken aan het verkeer.
9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer] vordert betaling van € 90,00 aan materiële schade (bestaande uit € 50,- voor beschadigde kleding en € 40,- voor een beschadigde hengel), € 4.000,- aan immateriële schade en € 1.500,00 aan toekomstige schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Op de zitting heeft de raadsvrouw van [slachtoffer] de vordering nader toegelicht.
Standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van € 3.050,-, bestaande uit € 50,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.
De raadsman heeft, in verband met de door hem bepleitte vrijspraak, verzocht [slachtoffer] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het toe te wijzen bedrag aanzienlijk dient te worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat aan [slachtoffer] door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank acht de materiële schade toewijsbaar tot een bedrag van € 50,00. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de kleding van [slachtoffer] door het feit zodanig beschadigd is geraakt, dat deze moest worden vervangen. De gevraagde vergoeding van € 40,00 voor schade aan een vishengel komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat niet is gebleken dat sprake is van schade die rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit. In zoverre wordt [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. Vast staat dat aan [slachtoffer] door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft [slachtoffer] recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank slaat bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van de schade acht op de door [slachtoffer] gestelde omstandigheden, voor zover deze niet zijn betwist. De rechtbank houdt verder rekening met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en met de ‘Rotterdamse schaal’, waarbij (in rubriek 4.1, onder f) letsel bestaande uit een klaplong waarvan benadeelde zonder complicaties herstelt, wordt aangemerkt als ‘minst ernstige borstletsel’ en waarbij een vergoeding van € 2.675,00 tot € 3.500,00 passend wordt geacht.
De rechtbank begroot met inachtneming van het voorgaande de immateriële schade naar billijkheid op € 3.000,00. [slachtoffer] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering tot immateriële-schadevergoeding.
[slachtoffer] zal ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van toekomstige schade. Deze schade is op dit moment nog niet bekend en daardoor is niet komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit en of de schade ook daadwerkelijk wordt geleden.
De totale schade die naar het oordeel van de rechtbank voor vergoeding in aanmerking komt bedraagt gelet op het voorgaande (€ 50,00 + € 3.000,00 =) € 3.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (20 november 2025).
[slachtoffer] kan desgewenst de delen van de vordering, die niet-ontvankelijk worden verklaard, bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [slachtoffer] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vijf is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1. STK Mes, goednummer PL1300-2025292398-6739069
1. STK Schaar, goednummer PL1300-2025292398-6739071
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 50,00 (vijftig euro) aan vergoeding voor materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] .
Veroordeelt verdachte in de kosten door [slachtoffer] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 3.050,00 (drieduizend vijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens [slachtoffer] bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mrs. M. Nieuwenhuijs en M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 maart 2026.