RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/352630-25
Datum uitspraak: 10 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 oktober 2025 door the Kecskemét Regional Court, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1996,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Kiskőrös District Court van 26 juni 2023 met kenmerk No. 4.B.30/2023/20 and final on 7 August 2023.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en elf maanden door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:
(i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis; en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in onderdeel d):
“the person was not personally served with the decision, but
- the person will be personally served with this decision without delay after the surrender; and
- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed; and
- the person will be informed of the timeframe within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 1 (one) month.”
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW doet zich dan ook niet voor.
5. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten die zien op de diefstallen die naar Hongaars recht gelden als een misdrijf, aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van die feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Blijkens het EAB is op de feiten, die zien op de diefstallen die gelden als een overtreding, naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van twee jaren gesteld. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
poging tot diefstal, meermalen gepleegd.
6. Artikel 11 OLW: Hongaarse detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van een algemeen en individueel gevaar van een onmenselijke en vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon in detentie in Hongarije. Uit het rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (CPT) van 16 december 2025 blijkt dat de eerder geconstateerde slechte omstandigheden niet zijn opgelost en het risico bestaat op terugval. Uit het rapport blijkt dat nog steeds gesproken kan worden van schrijnende omstandigheden. De raadsman heeft daarom de rechtbank verzocht om geen gevolg te geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat aanvullende vragen dienen te worden gesteld over de omstandigheden in de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden.
Standpunt van de officier van justitie Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2026 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie-instellingen in Hongarije. Uit het door de raadsman aangehaalde CPT-rapport blijkt juist dat de situatie is verbeterd.
6,3 Oordeel van de rechtbank In zijn arrest van 5 april 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie vooropgesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is.
Bij haar oordeel of sprake is van een reëel gevaar moet de rechtbank zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, dient zij te beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen.
De rechtbank is van oordeel dat de raadsman geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft verstrekt op grond waarvan een algemeen gevaar kan worden aangenomen. In haar uitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op het CPT-rapport van 16 december 2025, niet langer sprake is van (voldoende) objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan een algemeen reëel gevaar kan worden aangenomen dat personen die in Tiszalök zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld in verband met de ill-treatment van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. De rechtbank heeft in deze uitspraak voorts overwogen dat blijkens het rapport een risico bestaat op een terugval in Tiszalök en dat de Hongaarse regering daarom waakzaam moet blijven. Bij de vaststelling van een algemeen gevaar kan de rechtbank echter geen rekening houden met dit risico, nu het gaat om een onzekere toekomstige gebeurtenis. Bij de beoordeling van de detentieomstandigheden gaat het erom hoe de omstandigheden nu feitelijk zijn en uit het rapport van 16 december 2025 blijkt dat die omstandigheden inmiddels geen algemeen reëel gevaar van schending van de mensenrechten meer opleveren. Aanwijzingen dat het risico zich intussen (weer) heeft verwezenlijkt, ontbreken.
Nu geen sprake is van een algemeen gevaar komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon na zijn overlevering. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen ten aanzien van de detentieomstandigheden. De rechtbank verwerpt het verweer.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en dat een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 310 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Kecskemét Regional Court, Hongarije, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.