RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/182643-25
Datum uitspraak: 5 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 9 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 mei 2025 door the Warsaw Regional Court (Sąd Okręgowy w Warszawie), VIII Penal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [J.C.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting van 4 februari 2026
De behandeling van het EAB is op deze zitting aangevangen in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen vanwege ziekte en is vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer. De behandeling van de zaak is aangehouden tot de zitting van 24 februari 2026, zodat de opgeëiste persoon gebruik kan maken van zijn aanwezigheidsrecht.
Zitting van 24 februari 2026
De behandeling van het EAB is in gewijzigde samenstelling – met instemming van partijen – op deze zitting voortgezet, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court of Warsaw-Mokotów (Warsaw) (Sąd Rejonowy dla Warszawy Mokotowa w Warszawie) van 10 maart 2022 met kenmerk III K 287/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, vijf maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 10 januari 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…)
1. During a hearing in preparatory proceedings, [de opgeëiste persoon] provided his address.
2. [de opgeëiste persoon] received an instruction on his rights and obligations, including the obligation to inform the authorities each time he changes his place of residence for a period exceeding 7 days and that the ruling may be made in his absence.
3. The convicted person confirmed receipt of the instruction with his own signature. This took place on 2 July 2020.
4. [de opgeëiste persoon] provided his address for service on 2 July 2020. Subsequently, correspondence was sent to that address ( [adres 1] ).
5. The notice of the hearing date was sent to [de opgeëiste persoon] at the following address: [adres 2] . This is the same address that was provided by the convicted person on 2 July 2020.
6. The notice of the hearing date was sent on 5 January 2022.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW aan overlevering in de weg staat. Uit de aanvullende informatie van 10 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gehad, dat hij een adres heeft opgegeven tijdens het verhoor en dat de oproep voor de zitting naar dat adres is gestuurd. De adresinstructie mag echter niet zó worden geïnterpreteerd dat de opgeëiste persoon daarmee afstand heeft gedaan van zijn recht op hoger beroep. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over een eventueel in te stellen appel in Polen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zich geen van de situaties als bedoeld in artikel 12, sub a tot en met d, OLW voordoet, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De officier van justitie verzoekt de rechtbank echter af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond, gelet op de adresinstructie die aan de opgeëiste persoon is gegeven.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 10 januari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon voor de feiten waarvoor hij is veroordeeld, is verhoord. Op 2 juli 2020 heeft hij een adresinstructie ontvangen. De opgeëiste persoon is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze adresinstructie getekend. De oproep voor de zitting is vervolgens op 5 januari 2022 gestuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de opgeeiste persoon op de hoogte was van de verdenking en er rekening mee heeft moeten houden dat een strafrechtelijke procedure zou volgen, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn beschikbaarheid voor officiële correspondentie.
Het betoog van de raadsman dat de opgeeiste persoon geen afstand heeft gedaan van zijn recht om hoger beroep in te stellen en dat de overlevering daarom geweigerd moet worden, slaagt niet. De rechtbank beoordeelt namelijk alleen of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen in de procedure die heeft plaatsgevonden en die tot de veroordeling heeft geleid. Of de opgeëiste persoon al dan niet stilzwijgend afstand heeft gedaan van de mogelijkheid om tegen dat vonnis hoger beroep in te stellen, valt buiten de reikwijdte van deze beoordeling omdat in dit geval geen sprake is geweest van een procedure in hoger beroep.
Deze omstandigheden maken dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.
5. Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.
6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Warsaw Regional Court (Sąd Okręgowy w Warszawie), VIII Penal Division, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.