ECLI:NL:RBAMS:2026:2798

ECLI:NL:RBAMS:2026:2798

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer 13-279805-25
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vervolgings-EAB uit Duitsland. Tussenuitspraak. Aanvullende vragen over de effectieve rechtsbescherming van de opgeëiste persoon. De weigeringsgrond van art. 9 lid 1 sub a OLW is van toepassing. De rechtbank ziet echter aanleiding om van toepassing van de (facultatieve) weigeringsgrond af te zien.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-279805-25

Datum uitspraak: 18 maart 2026

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering van 31 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 20 oktober 2025 door de gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie – Centrum München, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

Zitting van 31 december 2025

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers, advocaat in Leeuwarden.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de raadsvrouw van de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken aan het openbaar ministerie over een doorzoeking en/of verhoren die in 2024 hebben plaatsgevonden, zodat het openbaar ministerie de rechtbank op de volgende zitting meer duidelijkheid kan verschaffen over de vraag of al dan niet sprake is van een dubbele vervolging in het kader van artikel 9, eerste lid onder a OLW (ne bis in idem). Ook heeft de rechtbank de raadsvrouw medegedeeld dat, indien zij wil dat de rechtbank acht slaat op de niet vertaalde brief van EPPO van 17 december 2025, zij zorg moet dragen voor een officiële vertaling.

Zitting van 7 januari 2026

De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling van de rechtbank, voortgezet op de zitting van 7 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers, advocaat in Leeuwarden, zijn door middel van een videoverbinding aanwezig.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

Tussenuitspraak van 14 januari 2026

Bij tussenuitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen met betrekking tot de effectieve rechtsbescherming van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Voorts heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of het Duitse strafrechtelijk onderzoek waarvan sprake is in het EAB ook ziet op de in de door de officier van justitie overgelegde e-mail van 17 oktober 2025 omschreven verdenkingen in Nederland. De rechtbank heeft in dit verband haar beslissing over de weigeringsgrond van artikel 13 OLW aangehouden tot er duidelijkheid bestaat over mogelijke overlap tussen het in Nederland lopende strafrechtelijk onderzoek tegen de opgeëiste persoon en de feiten als genoemd in het EAB.

Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW de beslistermijn met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

Zitting van 4 maart 2026

De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling van de rechtbank, voortgezet op de zitting van 4 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers, advocaat in Leeuwarden.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Tussenuitspraak van 14 januari 2026

De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de genoegzaamheid (onder 3.2), de strafbaarheid (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en artikel 11 OLW voor wat betreft de Duitse detentieomstandigheden (onder 8). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4. Rechterlijke autoriteit en effectieve rechtsbescherming

Inleiding

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 3.1 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 14 januari 2026 heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 26 februari 2026 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende door de rechtbank in de tussenuitspraak formuleerde vragen gesteld over de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB:

1) At the time of issuing the national arrest warrant, or at a later date, were the necessary conditions for issuing this EAW, and in particular its proportionality, assessed by the judge that issued the warrant (or by another judge)?

2) If not, is it possible to have the proportionality of issuing the EAW assessed by a judge in the issuing Member State before the actual extradition of the requested person to Germany takes place?

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 2 maart 2026 hierop als volgt geantwoord:

There are no rules to have the proportionality of a European arrest warrant issued by a Delegated European Prosecutor confirmed by a judge. A judge has examined the national arrest warrant and thus also the proportionality of the arrest of the accused. The European arrest warrant is only for the search for the accused outside Germany. The legal grounds for the European arrest warrant being issued by a Delegated European Prosecutor are already contained in the European arrest warrant.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB. Uit de aanvullende informatie van 2 maart 2026 volgt dat er geen regels bestaan over de toetsing van de evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB dat is uitgevaardigd door de gedelegeerd Europese aanklager. Het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 2 maart 2026 dient zo gelezen te worden dat er in Duitsland geen rechterlijke toetsing bestaat en dat in Duitsland (nog) geen rechterlijke toetsing van het EAB heeft plaatsgevonden. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft geen antwoord gegeven op de tweede vraag die door het IRC is gesteld. Hierdoor bestaan voor de opgeëiste persoon onvoldoende waarborgen ten aanzien van zijn effectieve rechtsbescherming. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat prejudiciële vragen moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op 3 maart 2026 aanvullende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit naar aanleiding van de aanvullende informatie van 2 maart 2026. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de antwoorden op deze vragen af te wachten en niet meteen over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 14 januari 2026 geoordeeld dat het in deze zaak niet voldoende duidelijk is of sprake is geweest van effectieve rechterlijke bescherming, hetzij op het niveau van het EAB, hetzij op het niveau van de nationale rechterlijke beslissing waarop het EAB is gebaseerd. De rechtbank heeft daarom informatie verzocht over de reikwijdte van de rechterlijke toetsing bij de uitvaardiging van het nationaal aanhoudingsbevel, met name over de vraag of tijdens het uitvaardigen van het nationaal aanhoudingsbevel, dan wel op een later moment, een rechter heeft geoordeeld over de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB. Daarnaast wilde de rechtbank geïnformeerd worden of de beslissing van de gedelegeerd Europese aanklager tot uitvaardiging van een EAB met het oog op strafvervolging vatbaar is voor een afzonderlijke toets door een rechter in de uitvaardigende lidstaat vóór de feitelijke overlevering.

De rechtbank heeft het IRC verzocht om de twee bovengenoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank is van oordeel dat het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 2 maart 2026 onvoldoende duidelijkheid geeft over de vraag of sprake is geweest van effectieve rechtsbescherming voor de opgeëiste persoon. Uit het antwoord blijkt dat er geen regels bestaan over de noodzaak om de evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB dat is uitgevaardigd door de Europese gedelegeerd aanklager te laten toetsen door een rechter. Verder wordt in het antwoord gesteld dat een rechter het nationaal aanhoudingsbevel heeft onderzocht en daarmee ook de evenredigheid van de aanhouding van de opgeëiste persoon heeft onderzocht. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit dit antwoord niet dat bij de uitvaardiging van het nationaal aanhoudingsbevel, dan wel op een later moment, de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB is getoetst door de rechter die dat nationale aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, dan wel door een andere rechter. Daarnaast wordt door de uitvaardigende justitiële autoriteit geen antwoord gegeven op de tweede door de rechtbank in de tussenuitspraak van 14 januari 2026 geformuleerde vraag.

Op 3 maart 2026 heeft het IRC aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voorgelegd.

The proportionality of the EAW is not confirmed by a judge, but can a requested person have

a judge examining the proportionality of the EAW (in an appeal, summary proceedings or any other way) after the issuance of the EAW / his arrest on the EAW but before the actual

surrender of the requested person to Germany?

And the judge who issued the national arrest warrant has not decided anything on the

necessity of, or even the possibility of, the issuance of an EAW?

In aanvulling op de vragen die op 3 maart 2026 door de officier van justitie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn gesteld, verzoekt de rechtbank het IRC daarom aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voor te leggen:

1) Was het voor de rechter ten tijde van het uitvaardigen van het nationaal aanhoudingsbevel duidelijk dat de opgeëiste persoon op dat moment in het buitenland verbleef en er daarom (ook) een Europees aanhoudingsbevel zou worden uitgevaardigd?

2) Zo ja, heeft de rechter die het nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd geoordeeld over de evenredigheid van het daaropvolgend uitvaardigen van het EAB?

3) Zo nee, is er een mogelijkheid om de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB door een rechter in de uitvaardigende lidstaat te laten toetsen, voordat de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon naar Duitsland plaatsvindt?

De rechtbank zal het onderzoek ter zitting daarom heropenen en direct schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om voornoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank de mogelijkheid om de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen te verlengen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 60 dagen.

5. Artikel 9, eerste lid, OLW: ne bis in idem

Inleiding

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 7 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 14 januari 2026 heeft het IRC op 26 februari 2026 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd of mogelijk overlap bestaat tussen de feiten waarvan de opgeëiste persoon verdacht wordt in het kader van het in Nederland lopende strafrechtelijk onderzoek en de feiten als genoemd in het EAB. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 2 maart 2026 hierop als volgt geantwoord:

The period of the offence being investigated in my preliminary investigation is set out in the European arrest warrant. The investigations in the Netherlands cover the period from January 2021 up to and including 27 May 2024. In this respect, there is a large overlap in the investigation period. However, the reason for the investigation appears to be different. The Dutch investigation relates exclusively to the invoices of [bedrijf 1] .. Our starting point is a comprehensive fraud model in which [opgeëiste persoon] was actively involved in its design and implementation. It cannot be ruled out that, as a result of the evaluation of the evidence secured in the Netherlands, which was recently handed over, it may be determined that the invoices of [bedrijf 1] . are also relevant to my case. This cannot be said at this stage.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon moet worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, onder a, OLW. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van overlap tussen het in Nederland lopende strafrechtelijk onderzoek en de feiten als genoemd in het EAB. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 2 maart 2026 blijkt dat er een grote overlap is in de onderzoeksperiode en in plaats van het Nederlandse en het Duitse onderzoek. Voorts blijkt dat de btw-aangiftes van [bedrijf 1] . mogelijk ook relevant zijn voor het Duitse onderzoek en dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daar op dit moment nog geen duidelijkheid over kan geven.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, OLW niet aan de orde is, omdat er geen overlap is in de feiten uit het EAB en het Nederlandse onderzoek. Op dit moment - het moment van toetsen - geven zowel de uitvaardigende justitiële autoriteit als de Nederlandse zaaksofficier aan dat het gaat om dezelfde pleegperiode, maar om andere feiten. In beide zaken is nog geen definitieve tenlastelegging opgemaakt. Dat de uitvaardigende justitiële autoriteit op dit moment niet kan uitsluiten dat de informatie uit het Nederlandse onderzoek ook relevant kan zijn in het Duitse onderzoek, maakt dit niet anders.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a, OLW de overlevering van de opgeëiste persoon kan worden geweigerd als tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is voor dezelfde feiten.

De rechtbank stelt aan de hand van de door de officier van justitie overgelegde e-mailcorrespondentie van 17 oktober 2025 vast dat tegen de opgeëiste persoon een strafrechtelijk onderzoek in Nederland loopt. Het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek ziet in ieder geval op het opzettelijk indienen van onjuiste of onvolledige btw-aangiftes namens [bedrijf 2] B.V. voor het eerste en vierde kwartaal van het jaar 2021. Het feit zou zijn gepleegd op 8 mei 2021, 31 juli 2021, 21 november 2021 en 7 februari 2022. Uit een e-mail van 6 januari 2026 van de Nederlandse zaaksofficier van justitie blijkt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van btw-fraude in 2021 en mogelijk feitelijk leiding heeft gegeven aan het strafbare feit. Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van de opgeëiste persoon nog geen vervolgingsbeslissing genomen. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 14 januari 2026 reeds vastgesteld dat de zaaksofficier in het Nederlandse onderzoek op 6 januari 2026 aan het IRC heeft bericht dat volgens haar lezing van het EAB het Duitse onderzoek op andere feiten ziet dan het Nederlandse onderzoek.

Uit het EAB onder e) blijkt dat de verdenking van de opgeëiste persoon in het Duitse onderzoek ziet op de betrokkenheid bij grensoverschrijdende btw-fraude in een crimineel samenwerkingsverband, gepleegd in de periode van 1 januari 2019 tot en met 25 september 2025 in [pleegplaats 1] (Duitsland) en [pleegplaats 2] (Nederland), waarbij de opgeëiste persoon als dader is aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat de pleegdata die genoemd worden in het Nederlandse onderzoek binnen de pleegperiode in het Duitse onderzoek vallen. Ook de pleegplaats is deels hetzelfde ( [pleegplaats 2] /Nederland) en in beide onderzoeken gaat het om btw-fraude. Uit de aanvullende informatie van 2 maart 2026 blijkt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de overlap in de onderzoeksperioden onderschrijft. In lijn met de door de officier van justitie overgelegde e-mailcorrespondentie van 17 oktober 2025 stelt de uitvaardigende justitiële autoriteit dat het Nederlandse onderzoek alleen ziet op btw-aangiftes van [bedrijf 1] .. Het Duitse onderzoek ziet op dit moment niet op de btw-aangiftes van [bedrijf 1] ., maar de uitvaardigende justitiële autoriteit kan niet uitsluiten dat ook deze btw-aangiftes in de toekomst bij het Duitse onderzoek zullen worden betrokken.

Omdat sprake is van feiten waarvoor de opgeëiste persoon mogelijk in beide lidstaten wordt vervolgd, is de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, onder a, OLW van toepassing. De rechtbank ziet echter aanleiding om van toepassing van de (facultatieve) weigeringsgrond af te zien. Het strafrechtelijk onderzoek in zowel Nederland als Duitsland bevindt zich nog in de startfase. Daarom kunnen, zoals de officier van justitie op de zitting van 7 januari 2026 heeft aangevoerd, bij een eventuele vervolging in Nederland de feiten die in het EAB worden genoemd buiten beschouwing worden gelaten. Een andere mogelijkheid is dat de strafvervolging voor het Nederlandse deel aan Duitsland wordt overgedragen, nu de Nederlandse verdenking tevens een link met Duitsland heeft.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft verzocht de overlevering op grond van artikel 13 OLW te weigeren, aangezien de feiten deels in Nederland zijn gepleegd.

De officier van justitie heeft op de zitting van 7 januari 2026 de rechtbank verzocht af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe aangevoerd dat het onderzoek in Duitsland is aangevangen, het bewijs zich in Duitsland bevindt, de slachtoffers in Duitsland zijn benadeeld en er in Nederland, behalve de doorzoeking, nog geen verdere vervolgingsbeslissing is genomen.

De rechtbank stelt voorop dat:

- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;

- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.

De rechtbank stelt vast dat in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden het gegeven dat de feiten worden geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.

7. Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4 genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.

VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW met 60 dagen (tot 19 mei 2026), onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

BEPAALT dat de zaak vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 19 mei 2026, uiterlijk veertien dagen voor die datum opnieuw op zitting moet worden gepland.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. E.M. de Bie, voorzitter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Baroud, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk en E. Mulder, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 maart 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.M. de Bie

Griffier

  • mr. G. Riedijk en E. Mulder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?