ECLI:NL:RBAMS:2026:2823

ECLI:NL:RBAMS:2026:2823

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 17-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer 13.315551.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Een 42-jarige man is veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk omdat hij op 21 november 2025 een man in zijn buik en rug stak in het trappenhuis van een appartement in Amsterdam Nieuw-West.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13.315551.25

Datum uitspraak: 17 maart 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

wonende op het adres: [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te: [naam Justitieel Complex] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 maart 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Z.L. Moezel, die waarneemt voor mr. S.R. Heerenveen, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 21 november 2025 te Amsterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer]

van het leven te beroven,

meermalen met een mes in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft

gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 21 november 2025 te Amsterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

meermalen met een mes in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft

gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigd kan worden bewezen. Er is sprake geweest van voorwaardelijk opzet op het doden van het slachtoffer door hem in zijn bovenlichaam te steken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden omdat niet is gebleken dat verdachte daadwerkelijk op het slachtoffer heeft ingestoken. Verdachte heeft alleen een zwaaiende beweging naar het slachtoffer gemaakt en het dossier bevat geen stukken ter ondersteuning van een eventuele stekende beweging. Gelet daarop kunnen de primair en subsidiair ten laste gelegde handelingen niet worden bewezen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat ten aanzien van het primair ten laste gelegde geen sprake is geweest van opzet noch voorwaardelijk opzet op het doden van slachtoffer.

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Het slachtoffer en verdachte hebben in de nacht van 20 op 21 november 2025 via Whatsapp contact gehad. In dat gesprek benoemt het slachtoffer naar het huis van verdachte te komen in verband met een langer lopend conflict over mevrouw [naam] . Zij heeft een relatie gehad met beide mannen. Eenmaal aangekomen bij het appartementencomplex van verdachte schreeuwt het slachtoffer naar boven dat hij er aan komt en loopt hij het gebouw in. Verdachte pakt daarop een mes, loopt zijn appartement uit en begeeft zich richting het trappenhuis. In het trappenhuis vindt een worsteling plaats tussen verdachte en het slachtoffer en loopt het slachtoffer verwondingen op. Vervolgens is het slachtoffer weggerend en heeft hij buiten de politie gebeld.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld met welke kracht de verdachte heeft gestoken en hoe diep de twee steekwonden van het slachtoffer waren. Er zit geen letselverklaring in het dossier, alleen een foto van twee met verband afgedekte wonden. Het ontbreekt ook aan forensisch en ander objectief bewijs voor de wijze van steken. Dat er een aanmerkelijke kans is geweest dat het slachtoffer door het steken zou kunnen komen te overlijden, kan dan ook niet worden vastgesteld.

Het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in bijlage I genoemde bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit.

De rechtbank acht de omschrijving van het geweld zoals aangever dat in zijn aangifte vermeld betrouwbaar en stelt op basis hiervan de volgende gang van zaken vast. Verdachte heeft gedurende de worsteling in het trappenhuis met het mes richting het bovenlichaam van het slachtoffer bewogen en hem gestoken. Vervolgens heeft het slachtoffer zich omgedraaid om weg te rennen en heeft verdachte hem nog een keer gestoken, in zijn rug. Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat er na de eerste beweging met het mes nog een contactmoment is geweest. De omschrijving van het letsel door verbalisanten ter plaatse, te weten wonden op de buik en rug van het slachtoffer, ondersteunt echter het scenario waarbij het slachtoffer probeerde te ontkomen en verdachte hem achtervolgd heeft en in de rug heeft gestoken. Door deze handelingen is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het in de tenlastelegging genoemde met een mes in het lichaam van aangever steken. Het verweer van de verdediging dat verdachte het slachtoffer niet zou hebben gestoken wordt weerlegd door de bewijsmiddelen.

Voorwaardelijk opzet

De rechtbank leidt uit het dossier niet af dat verdachte vol opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte het voorwaardelijk opzet had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank licht dat als volgt toe.

Verdachte wist dat het slachtoffer eraan kwam en heeft vervolgens een mes gepakt, is zijn woning uitgegaan en heeft twee stekende bewegingen gemaakt richting het slachtoffer waarbij deze ook is geraakt. De rechtbank is van oordeel dat het met een mes insteken op het bovenlichaam van een persoon de aanmerkelijke kans met zich brengt op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het steken met een mes in het bovenlichaam kan immers leiden tot zwaar lichamelijk letsel. In het bovenlichaam liggen dicht onder de huid kwetsbare organen, pezen en spieren die geraakt kunnen worden. De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel kon intreden. Dat het zwaar lichamelijk letsel zich niet heeft geopenbaard, maakt dat sprake is van een poging hiertoe.

5. De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 21 november 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen met een mes in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft

gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6. De strafbaarheid van de feiten

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Verdachte hoort het slachtoffer aankomen, pakt een mes en loopt naar het slachtoffer toe om de confrontatie aan te gaan. Verdachte had hierbij ook de keuze kunnen maken om in zijn woning te blijven en de politie te bellen.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer. Aangever is degene die de confrontatie heeft opgezocht die nacht. Verdachte heeft aangegeven dat aangever niet langs moest komen. Aangever heeft ervoor gekozen dit wel te doen en het gebouw te betreden. Hiermee is sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte en aangever hebben elkaar getroffen in het trappenhuis. Aangever heeft verdachte, terwijl deze in een hoek stond, meerdere vuistslagen gegeven. Verdachte zag geen mogelijkheid om weg te komen. Als primaire reactie heeft verdachte een zwaaiende beweging met het mes gemaakt. Het doel van verdachte was om zijn leven te beschermen en dat is bij uitstek een noodweersituatie.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde, wat de rechtbank hiervoor heeft bewezen verklaard, dient dit volgens de raadsvrouw te leiden tot vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Het beroep op noodweer van de verdediging ten aanzien van de bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling strekt tot vrijspraak. Het juiste rechtsgevolg van een geslaagd beroep op noodweer bij een poging tot zware mishandeling, is echter ontslag van alle rechtsvervolging. De rechtbank beoordeelt het verweer dan ook bij de strafbaarheid van het feit en niet bij de bewijsvraag.

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd geen beroep op noodweer rechtvaardigen.

Zoals ook overwogen onder rubriek 4.3. volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte het slachtoffer bij zijn gebouw hoorde aankomen omdat het slachtoffer bij de deur aan het schreeuwen was. Verdachte bevond zich op dat moment nog in zijn (afgesloten) woning. Verdachte pakt vervolgens een mes uit de keuken, verlaat zijn woning en begeeft zich richting het slachtoffer. Zij treffen elkaar in het trappenhuis, waar verdachte het slachtoffer eenmaal in zijn buik en eenmaal in zijn rug steekt. Dat verdachte vuistslagen in zijn gezicht kreeg van aangever heeft hij niet de bij de politie noch tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaard. Deze verklaring vindt ook overigens geen enkele steun in het dossier en is dan ook niet aannemelijk geworden.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat ten tijde van het gepleegde feit sprake was van een (onmiddellijk dreigend) gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf. Verdachte koos de veilige omgeving van zijn woning met een mes te verlaten toen hij hoorde dat het slachtoffer bij het gebouw aankwam. Hiermee heeft hij bewust de confrontatie opgezocht met het slachtoffer. De steekwond op de rug van het slachtoffer ondersteunt bovendien het scenario dat het slachtoffer gedurende het geweld weg probeerde te komen en dat verdachte hem toen achtervolgd heeft. Er was derhalve geen sprake van een noodweersituatie. Hoewel het slachtoffer zich naar de woning van verdachte heeft begeven, is het verdachte geweest die het geweld heeft opgezocht en veroorzaakt.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om — indien zij tot een bewezenverklaring komt – een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest met daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van een minder ernstig feit dan de officier van justitie heeft gevorderd. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een keukenmes op de buik en rug van het slachtoffer in te steken. Verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat verdachte zich door de aangekondigde komst van het slachtoffer bedreigd voelde kan de rechtbank invoelen, maar door vervolgens met een mes zijn veilige woning te verlaten en het slachtoffer tegemoet te lopen, heeft verdachte de verkeerde keus gemaakt. Naast het leed voor het slachtoffer in deze zaak zorgt een vechtpartij met een mes in een trappenhuis, een gemeenschappelijk deel van een appartementencomplex, ook voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Dit is een ernstig strafbaar feit. Bij een dergelijk feit past in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het slachtoffer heeft uiteindelijk relatief licht letsel aan het feit overgehouden, maar dit is niet aan het handelen van verdachte te danken.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van het consult rechtspleging van 8 december 2025, opgesteld door GZ-psycholoog J.M. Oudejans. Hieruit blijkt dat sprake is van ernstige en langdurige verslavingsproblematiek. Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van persoonlijkheidsproblematiek en, mede gelet op het strafblad van verdachte, geen aanwijzingen voor problematiek op het gebied van impuls- of agressieregulatie.

De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het reclasseringsrapport van 24 februari 2026. De reclassering benoemt dat er bij verdachte sprake is van problematiek op nagenoeg alle leefgebieden, waaronder ernstige verslavingsproblematiek, instabiliteit bij huisvesting en een negatief sociaal netwerk. Verdachte lijkt gemotiveerd te zijn mee te werken aan een reclasseringstraject. Zijn middelengebruik kan nog een belemmering vormen aangezien dit het nakomen van afspraken bemoeilijkt. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling met mogelijk een kortdurende klinische opname, een contactverbod met aangever, het vinden van dagbesteding en beheersing van zijn middelengebruik.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 22 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens een geweldsdelict.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard gemotiveerd te zijn mee te werken aan de bijzondere voorwaarden en hetgeen de reclassering nodig acht. Verdachte is naar eigen zeggen clean sinds hij in detentie zit. Verdachte geeft aan nu gemotiveerd te zijn. De rechtbank acht het voor hemzelf en de bescherming van de maatschappij van belang dat verdachte binnen niet al te lange tijd kan beginnen te werken aan zijn verslavings- en andere problemen.

Straftoemeting

De rechtbank komt – gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, waarbij vooral de lichtere kwalificatie een grote rol speelt – tot een straf die substantieel lager is dan de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank acht alles afwegend een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden. Een deel van deze gevangenisstraf, te weten 3 maanden, wordt voorwaardelijk opgelegd om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast zal de rechtbank aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen.

9. Beslag

De officier van justitie heeft gevorderd het inbeslaggenomen voorwerp dat op de beslaglijst is vermeld, te weten een mes, te onttrekken aan het verkeer.

De verdediging heeft op dit punt geen standpunt ingenomen.

De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het inbeslaggenomen mes dient te worden onttrokken aan het verkeer omdat met het genoemde voorwerp het bewezen geachte is begaan en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, namelijk 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Inforsa op het adres Vlaardingenlaan 5, te Amsterdam.

Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de Jellinek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

Contactverbod

Dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer: de heer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .

Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

Beheersing middelengebruik

Dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1 STK mes (G6739723).

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.A.M. Buurman, voorzitter,

mrs. B. Vogel en C.A.E. Wijnker, rechters,

in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.A.M. Buurman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?