RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-249079-25
Datum uitspraak: 11 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 2 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in
behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 juli 2025 door the Public Prosecutor's Office of the Angers
Judicial Court, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de
aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Frans-Guyana) op [geboortedag] 1967,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting 27 november 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 27 november 2025, in
aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen
en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in
Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW)
uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding
bevolen.
Tussenuitspraak van 11 december 2025
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld, de grondslag van het EAB vastgesteld en de strafbaarheid beoordeeld. Ook is een beroep op gelijkstelling afgewezen. Daarnaast is het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder overweging 6 geformuleerde vragen omtrent de detentieomstandigheden aan de
uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Deze vragen houden verband met het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen voor personen die gedetineerd worden op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22,
vijfde lid, OLW met dertig dagen verlengd en gelijktijdig de gevangenhouding verlengd met
dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 13 januari 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - in gewijzigde
samenstelling de behandeling van het EAB voortgezet, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire.
Tussenuitspraak van 22 januari 2026
De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak een individueel gevaar op schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon aangenomen nu de aanvullende informatie die van de Franse autoriteiten was ontvangen, er niet toe leidde dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon was weggenomen. Het onderzoek is heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit op de hoogte te brengen van de tussenuitspraak en af te wachten of er een wijziging in de omstandigheden optreedt. De overwegingen uit deze tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 25 februari 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - in gewijzigde
samenstelling de behandeling van het EAB voortgezet, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Franse nationaliteit heeft.
3. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen ten aanzien van de detentieomstandigheden in de tussenuitspraken van 11 december 2025 en 22 januari 2026, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Bij tussenuitspraak van 22 januari 2026 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de opgeëiste persoon na overlevering gedetineerd zal worden in Le Havre Penitentiary Center. Daarnaast is geoordeeld dat er sprake is van een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon in detentie in deze detentie-instelling in Frankrijk als de overlevering zou worden toegestaan. De rechtbank heeft daarom de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aangehouden om na te gaan of binnen de gestelde redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden optreedt.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 22 januari 2026 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op 31 januari 2026 onder andere de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd:
“With regard to Le Havre Penitentiary Center:
1) Might is still be possible to guarantee that [de opgeëiste persoon] will have 3m2 personal space excluding sanitary facilities?
De onderzoeksrechter van the Angers Judicial Court heeft op 16 februari 2026 de volgende informatie verstrekt:
“The Le Havre Penitentiary Center provided me with the following additional information: With regard to cell size, I was told that the sanitary facilities measure approximately 1m². As of February 16, 2026, there are a maximum of two inmates per cell in the remand center. Each cell measures between 10 and 11 m². This means that each inmate has at least 3 m² of living space.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB omdat de afgegeven aanvullende informatie van 16 februari 2026 te algemeen van aard is en niet specifiek in gaat op de individuele situatie van de opgeëiste persoon. Daarnaast blijkt uit de informatie van 16 februari 2026 niet wanneer iemand in aanmerking komt om deel te nemen aan de activiteiten. Hierdoor kan niet worden vastgesteld hoeveel uur de opgeëiste persoon daadwerkelijk buiten zijn cel zal kunnen verblijven, vooral nu de bezettingsgraad in Le Havre momenteel 142 procent is.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er een wijziging in omstandigheden heeft plaatsgevonden nu er – zo blijkt uit de informatie van 16 februari 2026 - maximaal twee gedetineerden in een cel worden geplaatst waardoor de opgeëiste persoon meer dan 4 m2 leefruimte zal hebben. Bovendien kan hij ook nog 11 uur per dag buiten de cel verblijven. Deze individuele garantie neemt het algemeen gevaar weg voor de opgeëiste persoon.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank moet beoordelen of zich in de voornoemde tussenuitspraak van 22 januari 2026 gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. Hiervoor is het volgende van belang.
De rechtbank heeft reeds op grond van de aanvullende informatie van 17 december 2025 vastgesteld dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid gedetineerd zal worden in het Le Havre Penitentiary Center. Uit de aanvullende informatie van 16 februari 2026 (gelezen in samenhang met de vraagstelling van 22 januari 2026) blijkt dat er in deze instelling per 16 februari 2026 maximaal twee gedetineerden op een cel worden geplaatst, dat die cel tussen 10 en 11 m2 meet, en dat het sanitair ongeveer één vierkante meter inneemt. Hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon een persoonlijke celruimte zal hebben van tenminste vier vierkante meter, exclusief sanitair. De rechtbank is van oordeel dat de gegeven informatie gelezen moet worden in samenhang met de door het IRC gestelde vraag van 31 januari 2026. Gelet op de specifieke vraagstelling van het IRC stelt de rechtbank vast dat de afgegeven informatie gezien kan worden als een garantie die ziet op de individuele situatie van de opgeëiste persoon. Anders dan de raadsvrouw lijkt te betogen, ziet het vastgestelde algemene reële gevaar niet op een gebrek aan mogelijkheden om tijd buiten de cel te kunnen doorbrengen.
Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de aanvullende informatie van 16 februari 2026, het vastgestelde individuele reële gevaar alsnog voor de opgeëiste persoon weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan de overlevering in de weg. Het verweer wordt verworpen.
4. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
5. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
6. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Public Prosecutor's Office of the Angers Judicial Court, Frankrijk, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. C. Klomp en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.