RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12085007 \ KK EXPL 26-86
Vonnis in kort geding van 19 maart 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Legal Consultants AZ B.V.,
tegen
de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ING Bank,
gemachtigde: mr. M.E.G. Murris.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 10 februari 2026 met producties;
de conclusie van antwoord met producties,
de aanvullende producties van ING Bank,
de akte aanvullende producties en vermeerdering eis van [eiser] .
De zaak is besproken tijdens de mondelinge behandeling op 5 maart 2026. [eiser] is verschenen, in persoon en namens zijn gemachtigde. Namens ING Bank is de heer [naam fraude onderzoeker] (fraude onderzoeker) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd, en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt die in het dossier zijn gevoegd. Na verder debat is om vonnis gevraagd hiervoor is vervolgens een datum bepaald.
2. De uitgangspunten
[eiser] was sinds 10 maart 2022 rekeninghouder van een particuliere betaalrekening van ING Bank met IBAN rekeningnummer [nummer] (hierna: de betaalrekening).
Op 12 februari 2025 heeft [eiser] aan ING Bank een e-mail verzonden dat hij op 27 januari 2025 namens een zakelijke klant verzocht heeft een batchbetaling van 3,9 miljoen euro uit te voeren vanaf een ING Bank rekening [nummer] (hierna: het 17-rekeningnummer) van zijn cliënt de heer [naam] (hierna: [naam] ) aan een aantal ING-klanten waaronder bijna 1,5 miljoen euro aan [eiser] zelf ( [eiser] Juridisch Adviesbureau), die niet is uitgevoerd. [eiser] heeft aangekondigd dat meer batches zullen volgen (“Wij starten met een zakelijke klant van ons met wie wij een uitstekende relatie onderhouden, en daarna ben ik zelf aan de beurt.”) en gevraagd naar de reden dat de betaling niet is uitgevoerd door ING Bank. Hierop heeft ING Bank gereageerd – kort gezegd – dat er sprake is van een niet-bestaand IBAN nummer. Op 17 februari 2025 heeft [eiser] in reactie daarop een ander IBAN nummer van [naam] genoemd.
Vervolgens is ING Bank een onderzoek naar [eiser] gestart in verband met (pogingen tot) oplichting en misleiding van ING-klanten, omdat zij niet kon achterhalen of [eiser] als gemachtigde kwalificeerde voor genoemde ING-klanten en omdat [naam] niet over een toereikend banksaldo beschikte voor deze transacties.
Op 23 februari 2025 heeft ING Bank telefonisch met [naam] gesproken, in welk gesprek [naam] aangaf dat het 17-rekeningnummer een derdengeldenrekening van hem bij ING Bank is en bevestigde dat hij [eiser] opdracht had gegeven om betalingen vanaf die rekening te doen. Op 24 februari 2025 is telefonisch contact met [naam] en met [eiser] geweest waarin [naam] aangegeven heeft dat [eiser] alléén gemachtigd is voor het 17-rekeningnummer en beiden er met grote stelligheid op hebben aangedrongen dat het 17-rekeningnummer bestaat, dat iedereen op basis van zijn burgerservicenummer (hierna: BSN) over een derdengeldenrekening beschikt waar miljoenen euro’s op staan, maar dat de betrokken bankmedewerker te laag in de organisatie is om van het bestaan daarvan op de hoogte te zijn.
ING Bank heeft op 25 februari 2025 [eiser] telefonisch ingelicht dat de betaalrekening geblokkeerd is, onder verwijzing naar artikel 41.2 van de Voorwaarden Betaalrekening, en dat ING Bank de bankrelatie gaat beëindigen wegens vermoeden van misbruik en geschaad vertrouwen.
Diezelfde dag stuurt [eiser] een bezwaarschrift aan ING Bank waarin hij onder meer stelt:
“Het gebruik van mijn eigen BSN-nummer [nummer] via de IBAN-calculator is geen inbreuk op vertrouwensbeginselen. ING Bank heeft de derdengeldenrekening geheim gehouden totdat de rechtmatige eigenaar deze opeiste. (…) Mijn sepa-batches met de opgegeven rekeningnummer betreft een derdengeldenrekening die uitsluitend aan mij toebehoort i.v.m. mijn BSN.”
Per brief van 26 februari 2025 is de beëindiging van de relatie aan [eiser] bevestigd, aangekondigd dat zijn persoonsgegevens in het interne verwijzingsregister (hierna: IVR) worden geregistreerd en hem medegedeeld dat hij het restsaldo van zijn rekening bij ING Bank via een saldoverzoek kan laten overboeken. Het formulier ‘verzoek uitbetaling restsaldo’ is daartoe bijgevoegd.
[eiser] heeft op 15 maart 2025 een aanvullend bezwaarschrift ingediend en verzocht de blokkade op te heffen. ING Bank heeft op 4 april 2025 de bezwaren van [eiser] gemotiveerd afgewezen en aangegeven dat de bankrelatie beëindigd zal worden, onder verwijzing naar artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden, en als volgt onderbouwd:
“Het staat vast dat u een ING klant heeft willen overtuigen van het bestaan van een ING rekeningnummer op zijn naam waar miljoenen op zouden staan. Dit rekeningnummer bestaat niet en is ook aan u uitgelegd. U bent er echter van overtuigd dat dit wel het geval is. U heeft echter geen stukken uitgeleverd waar dit dan uit blijkt. Dat u derden probeert of hebt weten te overtuigen van een dergelijk rekeningnummer maakt dat u ING klanten probeert te misleiden en zij op basis hiervan bepaalde handelingen willen uitvoeren. Hierdoor is het voor het bankieren benodigde vertrouwen in u als klant geschaad. (…) Het gebruik van een BSN in de IBAN-calculator is inderdaad geen inbreuk op het vertrouwen. Echter, het overtuigen van derden van niet-bestaande ING rekeningen en de acties die daaruit voortvloeien, zoals de opdrachten vanaf een niet-bestaand rekeningnummer die naar ING worden ingestuurd, is dat wel.”
Op 7 april 2025 heeft [eiser] beroep ingesteld bij de directie van ING Bank, waarop op 12 juni 2025 is gereageerd. Daarin is nogmaals bevestigd dat de bankrelatie zal worden beëindigd, de registratie in het IVR gehandhaafd wordt en het door [eiser] gedane inzageverzoek met betrekking tot een ING Bank bankrekening op grond van [eiser] ’s BSN wordt afgewezen omdat deze bankrekening niet bestaat.
De beëindiging van de betaalrekening is per 14 augustus 2025 formeel afgewikkeld door ING Bank. Het restsaldo van € 1.900,00 berust nog bij ING Bank.
Op 11 september 2025 heeft ING Bank aan [eiser] nogmaals bevestigd dat zijn betaalrekening is beëindigd en niet meer kan worden hersteld, dat een ING Bank betaalrekening op basis van het BSN van [eiser] niet bestaat en dat haar standpunt in haar brief van 12 juni 2025 definitief is.
3. Het geschil
[eiser] vordert primair, na eiswijziging ter zitting, veroordeling van ING Bank:
tot betaling van het restsaldo van de betaalrekening van € 1.900,00 binnen 48 uur, vermeerderd met de wettelijke rente;
de verwijdering uit de IVR-registratie binnen 48 uur;
de inzage in alle interne stukken binnen zeven dagen;
tot betaling van een schadevergoeding van € 19.000,00 en € 1.900,00;
tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 per dag per overtreding; en subsidiair
tot betaling van de werkelijke proceskosten inclusief € 19.000,00.
[eiser] legt – kort samengevat – aan de vordering ten grondslag dat zijn betaalrekening onterecht is geblokkeerd en er geen sprake is van fraude. ING Bank houdt het restsaldo onrechtmatig onder zich en weigert ondanks herhaalde verzoeken inzage te geven in de interne stukken die ten grondslag liggen aan het blokkeren van de betaalrekening.
Het gevolg hiervan is dat hij uitgesloten is van het bancaire systeem, hij zijn onderneming niet kan registreren of exploiteren wat een spoedeisend belang oplevert, aldus [eiser] .
ING Bank voert verweer. ING Bank concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in een gedeelte van de werkelijke kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Toetsingskader kort geding
In dit kort geding procedure gaat het om voorlopige voorzieningen. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Ontvankelijkheid
Als primair verweer heeft de ING Bank aangevoerd dat de dagvaarding kwalificeert als een obscuur libel en daarom heeft zij de kantonrechter verzocht om de dagvaarding nietig te verklaren. ING Bank voert daarbij aan dat het om een onbegrijpelijk stuk gaat, er geen gronden zijn vermeld, de producties niet genummerd zijn, vervalste afschriften zijn gebruikt, onjuiste verwijzingen naar jurisprudentie en dat artificial intelligence (AI) is gebruikt. Dit verweer van ING Bank slaagt niet. Hieronder wordt toegelicht waarom.
Uit artikel 111 lid 2 onder d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) volgt dat een dagvaarding de eis en gronden daarvan dient te vermelden op straffe van nietigheid zoals volgt uit artikel 120 Rv. ING Bank is in de procedure verschenen en heeft een uitvoerige conclusie van antwoord opgesteld, waaruit volgt dat ING Bank in voldoende mate heeft begrepen wat de eis van [eiser] behelst en wat de (al dan niet pretense) feitelijke gronden zijn die hij daarvoor aanvoert. De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat ING Bank niet onredelijk in haar belangen is geschaad en verwerpt conform artikel 122 Rv het beroep op nietigheid.
Daarbij tekent de kantonrechter wel het volgende aan. [eiser] stelt zichzelf als vertegenwoordiger van zijn eigen juridische onderneming als gemachtigde, waardoor aannemelijk is dat hij iemand is die beroepsmatig juridische bijstand verleend. Van een juridische professional mag worden verwacht dat hij de leerstukken omtrent processtukken in acht neemt. Zoals door ING Bank terecht is aangevoerd is de dagvaarding geen concludent stuk en heeft [eiser] de waarheidsplicht en substantiëringplicht geschonden door de feiten en het hem bekende verweer van ING Bank niet volledig en juist weer te geven in de dagvaarding, en aan te geven waarom dit verweer niet slaagt. Daarnaast zijn er meer producties aangehecht dan waarnaar wordt verwezen, zijn producties deels onleesbaar aangeleverd en wordt verwezen naar producties die niet zijn aangehecht. Op grond van artikel 21 Rv kan de kantonrechter hieraan de gevolgen verbinden die hij geraden acht.
Afwijzing vorderingen [eiser]
De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] afwijzen. Hierna wordt dit per vordering in de door hem beschreven volgorde toegelicht.
Uitbetaling restsaldo € 1.900,00
Vast is komen te staan dat de verschuldigdheid van het restsaldo van de betaalrekening meerdere malen door ING Bank is erkend alvorens deze procedure gestart is. [eiser] heeft echter nagelaten deze feitelijke omstandigheden te vermelden in de dagvaarding. ING Bank heeft met stukken onderbouwd aangegeven dat zij [eiser] bij herhaling verzocht heeft om aan te geven naar welke bankrekening en begunstigde het restsaldo overgemaakt moet worden. Dat [eiser] hier geen gehoor aan heeft gegeven omdat hij hem daarvoor toegezonden formulier als een principiële onjuiste werkwijze ziet, omdat sprake is van een opgeheven bankrekening (terwijl hij zich tegen de opheffing verzet) en hij een identiteitsbewijs moet meesturen (terwijl hij klant is bij ING Bank), komt voor zijn rekening en risico. Daarbij heeft ING Bank ter zitting onweersproken aangevoerd dat zij [eiser] ook de gelegenheid heeft gegeven om de betalingsopdracht tot overboeking van het restsaldo te geven zonder het formulier in te vullen. Voor de betaling van het restsaldo is het instellen van een vordering in rechte dan ook onnodig. Onder deze omstandigheden ziet de kantonrechter, mede gelet op hetgeen hierboven onder punt 4.4 is overwogen, aanleiding om de vordering tot betaling van het restsaldo vermeerderd met de wettelijke rente wegens gebrek aan belang af te wijzen.
Intrekking IVR-registratie
Vervolgens vordert [eiser] de intrekking van zijn gegevens uit het IVR. Als onderbouwing van het spoedeisend belang bij deze vordering heeft [eiser] gesteld dat hij als ‘direct gevolg’ van deze registratie ‘bij andere banken geen zakelijke rekening kan openen en zijn nieuwe onderneming niet kan starten’ en daarmee ‘feitelijk uitgesloten is van het bancaire systeem’. Deze stellingen zijn op geen enkele wijze onderbouwd. Allereerst speelt de vraag of de registratie gerechtvaardigd is. De reden voor de plaatsing in het IVR is de fraudeverdenking en dat daarvan sprake is heeft ING Bank naar het oordeel van de kantonrechter voorshands voldoende gemotiveerd. Voorts heeft ING Bank onweersproken aangevoerd dat de registratie geldt voor acht jaar, zodat deze voorshands niet – zoals door [eiser] gesteld – als ‘disproportioneel’ te gelden heeft. Dan speelt de vraag naar de gevolgen van de registratie voor [eiser] . ING Bank heeft gemotiveerd aangevoerd dat het een interne registratie van ING Bank betreft, waar geen enkele andere bank of instelling kennis van of toegang tot heeft. Dat [eiser] als gevolg van de registratie nergens meer kan bankieren is door hem niet aannemelijk gemaakt. Integendeel, door [eiser] zijn afschriften van een naar zijn zeggen bestaande en door hem bij ABN AMRO gehouden bankrekening overgelegd. Daarnaast heeft [eiser] ter zitting bevestigd dat hij berust in de beëindiging van de bankrelatie met ING Bank, zodat ook het belang bij deze vordering ontbreekt. De vordering van [eiser] wordt dan ook afgewezen.
Inzage interne stukken
Daarbij heeft [eiser] gevorderd dat de kantonrechter op voet van artikel 195 Rv ING Bank beveelt om inzage te geven ‘in alle interne stukken’. Ook deze vordering zal worden afgewezen, hiertoe is het volgende redengevend.
Uit de toelichting door [eiser] heeft de kantonrechter begrepen dat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening erin zou liggen dat [eiser] inzage in ‘alle interne stukken die bij ING Bank over hem bestaan’ nodig heeft voor het opstarten van zijn nieuwe onderneming. Allereerst geldt dat deze vordering te onbepaald is. Niet is voldaan aan het bepaalbaarheidsvereiste van artikel 194 Rv, op grond waarvan van [eiser] mag worden gevergd dat hij stelt waarom een redelijke grond bestaat dat die ander over die informatie beschikt en dat hij voldoende concreet vermeldt waarom die informatie relevant is voor zijn rechtspositie. Artikel 195 Rv – analoog aan een verzoek op grond van artikel 196 Rv – leent zich niet voor zogenaamde ‘fishing expedions’. [eiser] heeft zijn vordering voorts onvoldoende onderbouwd.
Voor zover de vordering van [eiser] te beschouwen zou zijn als een verzoek tot inzage in persoonsgegevens zoals bedoeld in artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) heeft ING Bank op 19 februari 2026, kort na de ontvangst van de dagvaarding, een overzicht gestuurd van de verwerking van zijn persoonsgegevens door ING Bank.
Daar komt bij dat deze vordering lijkt te zijn ingegeven louter door de overtuiging van [eiser] dat ING Bank burgerservicenummers structureel gebruikt voor bankrekeningen en dit systematisch verzwijgt (“Wat heeft gedaagde te verbergen? De gedaagde is toch transparant?”) voor haar klanten, waaronder zijn cliënt [naam] en [eiser] zelf. Zo schreef hij op 25 februari 2025 aan ING Bank: “ING Bank heeft de derdengeldenrekening geheim gehouden totdat de rechtmatige eigenaar deze opeiste. (…) Mijn sepa-batches met de opgegeven rekeningnummer betreft een derdengeldenrekening die uitsluitend aan mij toebehoort i.v.m. mijn BSN.” [eiser] legt de bewijslast voor zijn stelling bij ING Bank: naar zijn overtuiging dient ING Bank te bewijzen dat de geheime bankrekening niet bestaat. De bewijslast voor zijn stelling dat die bankrekening bestaat ligt echter bij [eiser] . Als enige onderbouwing van zijn stelling heeft [eiser] enkele afschriften van maandtariferingsnota’s op zijn naam van ABN AMRO in het geding gebracht waarop melding gemaakt wordt van een rekeningnummer [nummer] , een nummer dat correspondeert met het BSN van [eiser] , namelijk [nummer] . Door ING Bank is aangevoerd dat met betrekking tot deze nota’s sprake is van valsheid in geschrifte. Uit overgelegde e-mailcorrespondentie met ABN AMRO volgt dat dit ABN AMRO bankrekeningnummer van [eiser] niet bestaat en dat ABN AMRO geen bankrekeningen heeft die starten met nummer 17. Of sprake is van een vervalsing kan in het midden blijven omdat het bestaan van een rekening bij een andere bank niets zegt over het bestaan van een rekening bij ING Bank.
Schadevergoeding en dwangsom
Gelet op de uitkomst van vorenstaande zullen ook de vorderingen tot betaling van een schadevergoeding en de dwangsommen worden afgewezen.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De door [eiser] subsidiair gevorderde betaling van zijn werkelijke proceskosten zal dan ook worden afgewezen. ING Bank heeft verzocht [eiser] te veroordelen in een gedeelte van de werkelijke proceskosten. Het is gebruikelijk dat de proceskosten worden begroot aan de hand van het zogeheten liquidatietarief.
In dit geval is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] de kosten bij de ING Bank nodeloos heeft veroorzaakt en sprake is van misbruik van procesrecht. Daartoe is het volgende redengevend.
[eiser] heeft door zelf de uitbetaling van het restsaldo te frustreren de vordering tot betaling daarvan gecreëerd. Ook heeft hij in de wetenschap dat het IVR van ING Bank slechts interne werking heeft en gelet op zijn stelling dat hij over een bankrekening bij ABN AMRO beschikt, in strijd met de waarheid gesteld dat hij als direct gevolg van de registratie nergens meer kan bankieren. Tenslotte stelt hij met zijn vordering tot ‘inzage in alle interne stukken’ een onbepaalde vordering in waarvan hij als juridisch professional wist of behoorde te weten dat deze kansloos is. Daarbij komt hetgeen hierboven onder punten 4.3 en 4.4 over de dagvaarding en de wijze van procederen reeds is overwogen. Dat [eiser] professioneel juridische bijstand in gerechtelijke procedures verleend is door hem niet weersproken en ING Bank heeft een vonnis overgelegd van een zaak waarin hij als zodanig optrad, wat de kantonrechter mede in overweging neemt. De voorzieningenrechter in Den Haag heeft op 7 oktober 2025 in een procedure tegen, onder meer, ING Bank in een zaak waarin [eiser] als gemachtigde optrad de dagvaarding nietig verklaard als obscuur libel. Uit genoemde uitspraak volgt niet alleen dat grondslag van de eis onduidelijk was, maar tevens dat, net als in de onderhavige gelegen zaak, deze gelegen was in overtuigingen die iedere grond ontberen. In genoemde zaak was dit – blijkens het vonnis – de blote stelling “eiseres heeft nimmer een overeenkomst gesloten met de Belastingdienst”, en in deze zaak blijkens de stellingen van partijen en de overgelegde stukken de door [eiser] geuite overtuiging van het bij alle banken bestaan van geheime aan BSN gekoppelde bankrekeningnummers (“derdengeldenrekeningen”) waarvan het saldo aan de desbetreffende burgers toekomt.
Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding om [eiser] te veroordelen tot betaling van de door ING Bank gevorderde kosten van € 7.500,00. Dit komt neer op circa de helft van de totale juridische kosten van ING Bank zoals uit de overgelegde declaratie van de gemachtigde van ING Bank over de periode tot en met 27 februari 2026 blijkt, waarin de zitting nog niet is meegenomen. De proceskosten van ING Bank worden daarom begroot op:
- salaris gemachtigde
€
7.500,00
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
7.572,00
5. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 7.572,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, bijgestaan door mr. H. Heida, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
61291