RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummers / rekestnummers: C/13/776823 / HA RK 25-352 en C/13/776825 / HA RK 25-353
Beschikking van 19 maart 2026
in de zaak C/13/776823 / HA RK 25-352
van
HET OPENBAAR MINISTERIE, FUNCTIONEEL PARKET, HANDHAVINGSEENHEID AMSTERDAM,
namens deze mr. O.J.M. van der Bijl, officier van justitie,
zetelend in Amsterdam,
verzoeker,
en
1. [verweerder 1] ,
wonend in [woonplaats] ,verweerder,2. [verweerder 2] ,
wonend in [woonplaats] ,
verweerder,3. STICHTING ZORG VOOR MIJ,
gevestigd in Amsterdam,
belanghebbende;
in de zaak C/13/776825 / HA RK 25-353
van
HET OPENBAAR MINISTERIE, FUNCTIONEEL PARKET,
HANDHAVINGSEENHEID AMSTERDAM,
namens deze mr. O.J.M. van der Bijl, officier van justitie,
zetelend in Amsterdam,
verzoeker,
en
1. [verweerder 1] ,
wonend in [woonplaats] ,2. STICHTING SCHOLING, WERK EN UITVOERING,
gevestigd in Amsterdam,
belanghebbenden.
De rechtbank noemt hierna verzoeker in beide zaken het OM en verweerders/ belanghebbenden ieder afzonderlijk [verweerder 1] , [verweerder 2] , ZVM en SWU. Ook verder zullen in deze beschikking dezelfde benamingen worden gebruikt als in de beschikking van 20 november 2025.
1. De procedure in beide zaken
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van 20 november 2025 (hierna: de eerste beschikking) met de daarin genoemde stukken,- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 december 2025,
- de brieven met bijlagen van mr. Pandelitschka van 8 en 23 januari 2026,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 januari 2026.
De rechter heeft bepaald dat zij vandaag uitspraak doet.
2. De feiten in beide zaken
In de eerste beschikking zijn onder 2.1. tot en met 2.10. de feiten opgesomd zoals die in de verzoekschriften zijn gepresenteerd door het OM. Het standpunt van [verweerder 1] en [verweerder 2] over de gestelde feiten is pas daarna bekend geworden. Zij hebben de in de beschikking opgesomde “feiten” evenwel niet betwist, zodat deze nu als vaststaand worden aangemerkt.
3. De beoordeling in de zaak C/13/776823 / HA RK 25-352 (ZVM)
[verweerder 1] en [verweerder 2] zijn op grond van de eerste beschikking met ingang van 20 november 2025 geschorst als bestuurders van ZVM. Daarnaast is mr. Pandelitschka tijdelijk – voor de duur van het onderzoek in deze procedure en tot nader order – als bestuurder van ZVM benoemd. Ter beoordeling ligt nu voor of [verweerder 1] en [verweerder 2] als bestuurders van ZVM dienen te worden ontslagen en of ZVM kan worden ontbonden, met benoeming van mr. Pandelitschka als vereffenaar.
Standpunt van het OM
Het OM stelt zich op het standpunt dat [verweerder 1] en [verweerder 2] op de in artikel 2:298 lid 1 BW genoemde gronden moeten worden ontslagen. Daartoe voert het OM het volgende aan.
Voor [verweerder 1] geldt dat hij zijn taak als bestuurder heeft verwaarloosd, dan wel dat er andere gewichtige redenen bestaan op grond waarvan hij redelijkerwijs niet langer als bestuurder van ZVM kan aanblijven. [verweerder 1] heeft zich in strijd met de wet en de statutaire doelstelling van ZVM gericht naar zijn eigen belang in plaats van dat van ZVM. In werkelijkheid werden binnen ZVM geen of minimale voorzieningen voor de zorg geëxploiteerd, dit terwijl [verweerder 1] de inkomende Pgb-gelden voor privédoeleinden aan ZVM onttrok. Daarnaast heeft [verweerder 1] de verplichting geschonden om als bestuurder van ZVM een deugdelijke administratie te voeren en in stand te houden. Tot slot is iedere vorm van intern toezicht, zoals het benoemen van leden van de Raad van Toezicht, afgehouden. Het bedrijfsmatige, financiële en administratieve wanbeheer moet met het ontslag van [verweerder 1] een halt worden toegeroepen.
Ook [verweerder 2] heeft zijn taak als bestuurder verwaarloosd. Hij wist of had moeten weten dat de rechtmatigheid van de verleende ondersteuning en daarmee de bedrijfsvoering van ZVM niet op orde was. Als penningmeester moet hij van de onttrekkingen aan de rekeningen van ZVM hebben geweten, zeker waar deze hebben plaatsgevonden in de periode dat hij als bestuurder was aangetreden. Net als [verweerder 1] heeft hij niet aan de verplichting om een deugdelijke administratie te voeren voldaan. Ook al kan niet worden vastgesteld dat [verweerder 2] zelf gelden van ZVM heeft onttrokken, blijft overeind dat hij niet heeft opgetreden tegen de vele privé-onttrekkingen en contante opnames door [verweerder 1] .
Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst het OM naar de rapporten van de inspectiedienst van de GGD en het onderzoek van NLA en de bevindingen van mr. Pandelitschka van na 20 november 2025.
Standpunt van [verweerder 1] en [verweerder 2]
[verweerder 1] betwist dat vanuit ZVM geen (deugdelijke) zorg is verleend. Van fraude is geen sprake. Het vermogen van ZVM is volgens hem niet besteed aan privédoeleinden maar gebruikt voor daadwerkelijk verleende zorg en leefgeld ten behoeve van de cliënten. Volgens [verweerder 1] zijn de cliënten de enigen die er toe doen. De doelgroep van ZVM is mensen die anders buiten de boot vallen, zoals asielzoekers, daklozen en drugsverslaafden. De cliënten van ZVM staan allemaal onder bewind. De bewindvoerders zijn aangesteld door de rechtbank. Twee van de bewindvoerders hebben schriftelijk ook verklaard dat ZVM zorg heeft geleverd, dat ZVM samen met de bewindvoerder de cliënten heeft gesproken en dat de facturatie voor daadwerkelijk verleende zorg is. Hun verklaringen zijn aan mr. Pandelitschka gestuurd. Daarbij komt dat, als de zorg niet geleverd was, ZVM ook niet kon factureren. De geldstromen, alles dat gefactureerd is en al het geld dat is binnengekomen en gebruikt voor ZVM, is zichtbaar in de financiële administratie. Mr. Pandelitschka kan de administratie zelf inzien en nagaan.
Volgens [verweerder 1] ontvangen de cliënten dus daadwerkelijke zorg en begeleiding. De zorg bestaat er onder andere uit dat de cliënten begeleid worden bij het zelfstandig wonen en dat ZVM cliënten een dagbesteding biedt. Zo zorgt ZVM ervoor dat cliënten samen met hulpverleners huishoudelijke taken doen, zoals schoonmaken en boodschappen doen. Ook zorgt ZVM ervoor dat mensen zonder onderdak in een woning kunnen verblijven. ZVM financierde de woningen volledig; het ging om vijf of zes woningen. De gemeente was erbij gebaat dat ZVM de cliënten niet op straat liet zwerven.
[verweerder 1] voert aan dat de onderzoeken waar het OM zich op baseert eenzijdig en onzorgvuldig zijn gedaan. Hij, [verweerder 2] en de cliënten zijn nooit gehoord door de GGD. Ook het OM zelf heeft nooit contact met hen opgenomen. Volgens [verweerder 1] hebben zij nooit goed hun kant van het verhaal kunnen vertellen, ‘bewijs’ kunnen inzien of vragen kunnen stellen. Dat is in strijd met het recht op hoor en wederhoor. Verder heeft ZVM na het eerste inspectieonderzoek van de GGD een verbeterplan opgesteld conform de aanwijzingen van de inspectie. Voor de uitvoering van het verbeterplan had ZVM een nieuwe medewerker aangenomen, maar zij kon haar werk niet doen omdat de GGD een cliëntenstop had opgelegd. Dat is de reden waarom de verbeteringen niet zijn doorgevoerd. ZVM wilde de aanwijzingen uit het inspectierapport opvolgen maar dat zij dat niet heeft gedaan is dus te wijten aan de GGD en niet aan ZVM, aldus [verweerder 1] .
[verweerder 2] heeft in aanvulling daarop nog verklaard dat, voor zover hij heeft kunnen zien, er wel zorg werd geleverd door ZVM. Hij had echter naar eigen zeggen een tijdelijke – niet leidinggevende – rol bij ZVM en was daar bijna nooit aanwezig. Hij was geen financiële man en deed zelf niets met de (financiële) administratie.
De rechtbank
Na zijn aanstelling als tijdelijke bestuurder heeft mr. Pandelitschka op 18 december 2025 aan [verweerder 1] en [verweerder 2] diverse vragen gesteld en hen verzocht stukken toe te sturen. [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben daarop gereageerd met een bericht van hun gemachtigde van 29 december 2025 met bijlagen. Volgens mr. Pandelitschka zijn desondanks wezenlijke vragen onbeantwoord gebleven en zijn er dus nog allerlei onduidelijkheden. Dit heeft hij in een e-mail van 6 januari 2026 ook aan hen kenbaar gemaakt. Zo is nog steeds onduidelijk welke zorg daadwerkelijk is verleend en aan wie. Verder maakt ZVM gebruik van een tussenrekening op naam van [naam] , met wie daartoe een overeenkomst zou zijn gesloten. [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben geen inzage gegeven in deze rekening en ook geen toelichting gegeven over waarvoor deze rekening werd gebruikt, terwijl uit de stukken die wel zijn overgelegd blijkt dat geld van ZVM werd overgeboekt naar deze rekening. Waarom deze rekening nodig zou zijn is niet duidelijk geworden. Daarnaast zijn er grote sommen geld overgemaakt naar SWU en [verweerder 1] . De grondslag van deze betalingen is niet inzichtelijk geworden. Dat geldt ook voor de pinopnames in de periode 2020-2025 ter hoogte van € 105.000,-. Ondanks dat mr. Pandelitschka daarom heeft gevraagd, heeft hij geen inzage gekregen in de cliëntenadministratie (“Cliendo”) en de Bunq-rekeningen van ZVM. Verder heeft hij geen bewijzen ontvangen van de besteding van de contanten die zijn gepind en geen verantwoording gekregen van de bedragen die zijn overgeboekt van rekeningen van ZVM naar SWU terwijl hij daar uitdrukkelijk om heeft gevraagd in de e-mail van 18 december 2025 en nogmaals in een e-mail van 16 januari 2026. Op deze laatste e-mail heeft de gemachtigde van [verweerder 1] en [verweerder 2] diezelfde dag gereageerd. Daarbij heeft hij de twee verklaringen van bewindvoerders van cliënten van ZVM (zie onder 3.6) aan mr. Pandelitschka doen toekomen en meegedeeld zijn cliënten te adviseren geen medewerking meer te leveren aan de wensen van mr. Pandelitschka ‘nu die eenzijdig zijn ingegeven op basis van fake rapportage van de GGD.’
De rechtbank constateert op basis van het voorgaande dat [verweerder 1] en [verweerder 2] onvoldoende medewerking hebben verleend aan het onderzoek dat mr. Pandelitschka als tijdelijk bestuurder van ZVM heeft verricht. [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben geen duidelijkheid gegeven over de besteding van het vermogen van ZVM en de verlening van zorg, ondanks dat mr. Pandelitschka daar uitdrukkelijk om heeft verzocht. Dat alles bij ZVM aantoonbaar in orde is en dat voor elke uitgave een verklaring is, zoals [verweerder 1] op de mondelinge behandeling van 9 december 2025 heeft verklaard, hebben zij niet weten hard te maken. De feiten en omstandigheden die aan hun schorsing ten grondslag zijn gelegd hebben zij daarmee niet weerlegd. De rechtbank neemt deze dan ook als vaststaand aan. Wat er ook zij van de kwaliteit van het onderzoek van de GGD, in deze rechtszaak zijn [verweerder 1] en [verweerder 2] gehoord en hebben zij voldoende gelegenheid gehad om hun standpunt te onderbouwen met bewijsstukken. Dat hebben zij niet gedaan. Dat het onderzoek van de GGD fundamentele gebreken vertoont is overigens door [verweerder 1] niet concreet onderbouwd en gemotiveerd betwist door het OM.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder 1] weer aangeboden om (met cliëntdossiers, foto’s en filmpjes) te bewijzen dat ZVM daadwerkelijk zorg heeft verleend. De rechtbank gaat aan dit aanbod voorbij. Van [verweerder 1] en [verweerder 2] had mogen worden verwacht dat zij al eerder in deze procedure dit bewijs hadden geleverd, wat zij niet hebben gedaan. Zo konden zij middels een advocaat een verweerschrift indienen met relevante (bewijs)stukken en mr. Pandelitschka relevante informatie geven, maar dat hebben zij niet gedaan. Verder miskent [verweerder 1] dat het er niet alleen om gaat dat (enige) zorg is verleend, maar dat dit ook om deugdelijke zorg moet gaan en dat de geldstromen van en naar ZVM verantwoord moeten kunnen worden. Dat [verweerder 1] en [verweerder 2] een behoorlijke (financiële) administratie van ZVM hebben gevoerd is niet gebleken.
Ontslag [verweerder 1]
De rechtbank stelt vast dat [verweerder 1] hoe dan ook zeer onverantwoord is omgegaan met de financiën van ZVM en middels Pgb’s ontvangen publieke gelden. Op vragen over de dubieuze geldstromen van ZVM naar de privérekening van [verweerder 1] , de opgenomen pinbedragen en de overboekingen naar de tussenrekening en SWU is geen antwoord gekomen, evenmin als op vragen over (de kwaliteit van) de verleende zorg. Inzicht in de (financiële) administratie van ZVM is niet verstrekt. Het moet ervoor worden gehouden dat geen deugdelijke administratie is gevoerd. De mondelinge toelichting van [verweerder 1] en de verklaringen van twee bewindvoerders zijn onvoldoende om de verdenking van (zorg)fraude weg te nemen, omdat [verweerder 1] geen inzicht heeft gegeven in cliëntbestanden, de zorgverlening en de financiën. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [verweerder 1] het vermogen van ZVM (mede) heeft gebruikt voor privédoeleinden. Voor zover wel zorg is verleend, is dat niet volgens de daarvoor geldende regels gebeurd. Zo is het dagelijks verstrekken van leefgeld niet een vorm van zorgverlening die mag worden betaald uit een Pgb en maakte de woonsituatie van de cliënten hen te afhankelijk van ZVM.
Verder staat vast dat intern toezicht ontbreekt doordat ZVM geen Raad van Toezicht heeft. Dit is ook in strijd met de statuten van ZVM. In artikel 11 van de statuten staat namelijk dat ZVM een Raad van Toezicht heeft die bestaat uit één tot drie natuurlijke personen. [verweerder 1] betwist niet dat er geen Raad van Toezicht meer is, zodat dit vaststaat.
Ook heeft ZVM niet voldaan aan de verplichting uit de statuten ten aanzien van de financiële verantwoording. In artikel 23 van de statuten staat dat de Raad van Bestuur jaarlijks een jaardocument opmaakt met daarin een jaarverslag en een jaarrekening maakt. In het jaarverslag wordt verslag gedaan van de doelrealisatie van de stichting, het daartoe gevoerde beleid, de geleverde prestaties en de bereikte resultaten. De jaarrekening bestaat uit een balans en een staat van baten en lasten van ZVM en een toelichting op deze stukken. De Raad van Bestuur moet volgens dit artikel, alvorens tot vaststelling van het jaardocument over te gaan, de jaarrekening laten onderzoeken door de door de Raad van Toezicht aangewezen registeraccountant. Onbetwist staat vast dat hieraan geen uitvoering is gegeven.
Het ontbreken van intern toezicht (via een Raad van Toezicht) en extern toezicht (via een accountantscontrole) valt [verweerder 1] te verwijten omdat hij hierop is aangesproken door de inspectie van de GGZ na het eerste onderzoek en hij er desondanks niet voor heeft gezorgd dat aan deze verplichtingen alsnog werd voldaan. De cliëntenstop stond er niet aan in de weg om hieraan te voldoen.
Al het voorgaande rechtvaardigt ruimschoots de conclusie dat [verweerder 1] zijn taak als bestuurder van ZVM heeft verwaarloosd en dat er gewichtige redenen bestaan op grond waarvan het voortduren van het bestuurderschap van [verweerder 1] redelijkerwijs niet langer kan worden geduld. De rechtbank wijst het verzoek van het OM tot ontslag van [verweerder 1] daarom toe. [verweerder 1] heeft niet gesteld dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt gelet op de aan anderen toebedeelde taken. De rechtbank legt daarom op grond van artikel 2:298 lid 3 BW [verweerder 1] een bestuursverbod op.
Ontslag [verweerder 2]
[verweerder 2] is vice-voorzitter en penningmeester van ZVM. Uit hoofde van die functie heeft hij de verantwoordelijkheid voor het financiële reilen en zeilen van ZVM. Als penningmeester had hij moeten constateren dat er aanzienlijke onttrekkingen van het vermogen van ZVM werden gedaan en had hij daartegen moeten optreden. Dat heeft hij niet gedaan. Op de mondelinge behandeling heeft [verweerder 2] over de uitoefening van zijn taak als penningmeester gezegd dat hij geen kennis heeft van de financiën van ZVM, omdat ZVM een aparte afdeling heeft die over de financiën gaan. Zijn toegang tot financiële informatie was daardoor beperkt en hij deed er verder niets mee, aldus [verweerder 2] . Uit zijn eigen standpunt (zie ook 3.9) volgt al dat [verweerder 2] zijn taak als bestuurder heeft verwaarloosd.
Gezien de omvang van de onttrekkingen en het ontbreken van enige verantwoording daarvoor, is de rechtbank van oordeel dat de verwaarlozing van zijn taak zo ernstig is dat dit voldoende reden is voor ontslag van [verweerder 2] . De rechtbank wijst daarom dit verzoek van het OM ook toe. [verweerder 2] heeft niet gesteld dat hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt gelet op de aan anderen toebedeelde taken. De rechtbank legt ook hem daarom op grond van artikel 2:298 lid 3 BW een bestuursverbod op.
Ontbinding ZVM en benoeming vereffenaar
Bij deze stand van zaken is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 2:21 lid 3 BW. ZVM handelt in ernstige mate in strijd met haar statuten, met name doordat geld dat bedoeld is voor het leveren van zorg aan cliënten wordt gebruikt voor privédoeleinden van het bestuur en er onvoldoende deugdelijke zorg wordt verleend aan cliënten. Het doel van ZVM wordt daarmee niet gerealiseerd. De rechtbank ontbindt daarom ZVM.
ZVM moet worden vereffend. Mr. Pandelitschka is bereid om daarvoor als vereffenaar op te treden. De rechtbank benoemt hem daarom tot vereffenaar van ZVM.
4. De beoordeling in de zaak C/13/776825 / HA RK 25-353 (SWU)
Ontbinding SWU en benoeming vereffenaar
Vast staat dat SWU geen bestuur meer heeft. Op grond van artikel 2:299 BW kan de rechtbank op verzoek van het OM in zo’n geval in de vervulling van de ledige plaats(en) in het bestuur voorzien. Daarbij moet de rechtbank zoveel mogelijk de statuten in acht nemen.
Mr. Pandelitschka heeft zich desgevraagd bereid verklaard een benoeming als bestuurder van SWU te aanvaarden. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om niet tot benoeming van drie bestuurders van SWU over te gaan, ook al schrijft artikel 4.1 van de statuten van SWU voor dat het bestuur ten minste uit drie bestuurders bestaat. Volgens [verweerder 1] vinden er binnen SWU geen activiteiten meer plaats, zodat benoeming van drie bestuurders niet zinvol voorkomt.
Gelet op de hiervoor beschreven samenhang tussen ZVM en SWU, acht de rechtbank het aangewezen dat mr. Pandelitschka zowel de vereffening van ZVM als het bestuur van SWU op zich neemt. De rechtbank benoemt mr. Pandelitschka daarom tot bestuurder van SWU.
5. De beslissing
De rechtbank:
in zaak C/13/776823 / HA RK 25-352 (ZVM):
ontslaat [verweerder 1] en [verweerder 2] als bestuurders van ZVM;
verstaat dat [verweerder 1] en [verweerder 2] voor de duur van vijf jaren met ingang van de datum van hun ontslag geen bestuurder of commissaris van een stichting kunnen worden;
ontbindt ZVM;
benoemt mr. E.P. Pandelitschka, werkzaam bij Certa Advocaten B.V. in Amsterdam, als vereffenaar van ZVM;
bepaalt dat mr. Pandelitschka zich als vereffenaar een vergoeding mag toekennen overeenkomstig de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling ten laste van ZVM en, voor zover door hem ingeschakeld, voor zijn medewerkers;
in de zaak C/13/776825 / HA RK 25-353 (SWU):
benoemt mr. E.P. Pandelitschka, werkzaam bij Certa Advocaten B.V. in Amsterdam, als bestuurder van SWU;
bepaalt dat mr. Pandelitschka zich als bestuurder van SWU een vergoeding mag toekennen overeenkomstig de Recofa-richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling ten laste van SWU en, voor zover door hem ingeschakeld, voor zijn medewerkers;
in beide zaken:
verklaart de beslissingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking, zodra deze onherroepelijk is geworden, aan het handelsregister doet toekomen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.P. Pompe, rechter, bijgestaan door mr. D.K.W. Collins, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.