ECLI:NL:RBAMS:2026:2878

ECLI:NL:RBAMS:2026:2878

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer 25/29686
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

klaagschrift ex art 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht

Zittingsplaats Amsterdam

raadkamernummer : 25/029686

parketnummer : 13/147754-25

datum : 4 februari 2026

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1994 te [land van herkomst] ,

woonplaats kiezend op het kantooradres van haar raadsman

mr. E.G.S. Roethof, [adres] ,

hierna te noemen: de veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 19 november 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft op 4 februari 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft de gemachtigde raadsvrouw van de veroordeelde, mr. S.R. Heerenveen als waarnemer voor mr. Roethof, en de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, op zitting gehoord.

De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.

De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

Namens de veroordeelde is aangevoerd dat opname van haar DNA-profiel in de databank een enorme inbreuk op haar privacy is. De mogelijkheden van misbruik van een dergelijke databank zijn in de toekomst niet uit te sluiten.

De veroordeling ziet op identiteitsfraude. Bij dergelijke misdrijven speelt DNA-onderzoek doorgaans geen rol, zodat opname van het DNA-profiel in de databank disproportioneel is.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA.

Beoordeling

Bij vonnis van 3 juli 2025 is de veroordeelde door de politierechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van een niet op haar naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

De rechtbank is bevoegd.

Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv.

De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.

De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten.

In het onderhavige geval is de veroordeelde veroordeeld voor identiteitsfraude.

Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde zal wel van betekenis kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde, omdat het niet uitgesloten is dat DNA-onderzoek plaatsvindt in fraude-onderzoeken.

De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen

met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat zij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan.

Hetgeen door of namens de veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie, omdat het niet uitgesloten is dat veroordeelde in de toekomst een strafbaar feit zal plegen, waarbij DNA-onderzoek van belang kan zijn.

Ten aanzien van de inbreuk op de privacy overweegt de rechtbank als volgt. Na de totstandkoming van de Wet heeft ook het EHRM - meermalen - geoordeeld dat zowel het afnemen als het opslaan van celmateriaal een inbreuk maakt op het privéleven van betrokkenen, doch dat deze maatregel is voorzien bij wet en het gerechtvaardigde doel dient van de voorkoming van strafbare feiten. Tevens oordeelde het EHRM dat de maatregel noodzakelijk is in een democratische samenleving (EHRM 7 december 2006, Appl. 29514/05). De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat afname van het celmateriaal een inbreuk op de privacy van veroordeelde maakt, doch deze inbreuk is geoorloofd omdat aan alle wettelijke criteria voor het maken van een inbreuk op dit recht is voldaan. Van bijzondere omstandigheden die dat in onderhavige zaak anders zouden maken is, naar het oordeel van de rechtbank, niet gebleken.

De databank is in beheer bij een professionele organisatie, en op dit moment bestaan geen twijfels aan de bescherming van de gegevens. De vrees voor misbruik is ongegrond.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. A.Ş. Doğan, rechter,

in tegenwoordigheid van G. Jenuwein, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.

Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?