ECLI:NL:RBAMS:2026:2981

ECLI:NL:RBAMS:2026:2981

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 19-03-2026
Datum publicatie 23-03-2026
Zaaknummer 13/028367-25 (zaak A); 13/311835-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Woonoverval en mishandeling. Vrijspraak zwaar lichamelijk letsel als gevolg van de mishandeling. Gevangenisstraf 20 maanden waarvan 10 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/028367-25 (zaak A); 13/311835-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) en 13/138934-21 (TUL)

Datum uitspraak: 19 maart 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1999,

wonende op het adres [adres 1].

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 maart 2025.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.C. Fransen, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en van wat namens de laatstgenoemde benadeelde partij door zijn raadsvrouw, mr. J.R. Mekkes, naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Ten aanzien van zaak A:

diefstal met geweld en valse sleutel in de nacht in vereniging op 3 februari 2024 te Amsterdam;

Ten aanzien van zaak B:

mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolg op 30 augustus 2022 te Amsterdam.

De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

3. Bewijs en bewijsmotivering

Bewijs

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen op grond van de bewijsmiddelen en de hierna volgende overwegingen. De rechtbank komt wel tot partiële vrijspraken. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.

Bewijsmotivering en partiële vrijspraak zaak A

De rechtbank acht het in zaak A ten laste gelegde bewezen op grond van de aangifte en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Diefstal en valse sleutel

Uit de verklaring van verdachte volgt – kort samengevat – het volgende. Verdachte heeft tijdens het uitgaan van een kennis de sleutel gekregen die toegang gaf tot de woning van, naar later bleek, aangever. Verdachte begreep dat het de bedoeling was om uit die woning spullen te stelen. De bewoner zou helemaal ‘out of drugs’ zijn en niet wakker worden. Zijn mededader stemde ermee in om met hem mee te gaan. Zij zijn samen naar de woning van aangever gegaan, hebben met de sleutel de voordeur van de woning geopend en zijn de woning ingeslopen. Verdachte zag dat de bewoner lag te slapen. Verdachte heeft in de woning een MacBook gegrepen en meegenomen. Verdachte en de mededader zijn gezamenlijk in de auto van verdachte weggereden.

(Dreiging met) geweld

Aangever heeft onder meer verklaard dat hij eerder die nacht bestolen was en daarna is gaan slapen. Later die nacht werd hij wakker en zag hij twee mannen in zijn woning. Hij werd vervolgens door een van de mannen met kracht bij de arm vastgehouden en hem werd gezegd dat hij in bed moest blijven liggen. Zijn MacBook is toen gestolen.

Verdachte ontkent dat hij of zijn mededader geweld hebben gebruikt of daarmee hebben gedreigd. Verdachte zegt dat hij de woning is uitgerend toen aangever wakker werd en zijn mededader rende direct achter hem aan. Zij zijn toen samen weggereden.

De rechtbank acht de aangifte betrouwbaar en vindt voor deze aangifte voldoende steun in de verklaring van verdachte. De ontkenning van verdachte met betrekking tot de gepleegde bedreiging en geweld maakt dit niet anders. De omstandigheid dat aangever onder invloed was, maakt de aangifte in dit geval niet onbetrouwbaar.

De rechtbank kan niet vaststellen of de dreiging en het geweld door verdachte of door de mededader is gepleegd. De rechtbank stelt vast dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van de (gekwalificeerde) diefstal, en mede met betrekking tot het geweld. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij en zijn mededader gezamenlijk met het plan om een diefstal te plegen naar de woning zijn gegaan, waarbij zij zich de toegang tot de woning hebben verschaft door middel van een valse sleutel. Uit de verklaring volgt ook dat zij gezamenlijk hebben gehandeld, zowel in de opmaat naar de diefstal als daarna. Verdachte en de mededader hebben de woning korte tijd na elkaar verlaten en zijn samen in de auto weg gegaan, nadat zij eerst bespraken de gestolen MacBook in de achterbak te leggen. Verdachte en zijn mededader wisten dat de bewoner thuis was en zijn desondanks gezamenlijk de woning binnen gegaan op zoek naar goederen om weg te nemen. Door op deze wijze te handelen hebben verdachte en zijn mededader bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever wakker zou worden en dat er geweld en/of dreiging met geweld zou worden toegepast, zoals ook is gebeurd.

Op grond hiervan stelt de rechtbank ook vast dat verdachte en zijn mededader opzet hebben gehad op het plegen van het feit, inclusief het daarbij gepleegde geweld en bedreiging met geweld.

De rechtbank acht op grond van het dossier niet bewezen dat meer goederen zijn weggenomen dan de MacBook. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de diefstal van die goederen.

Voorwaardelijk verzoek horen aangever

De verdediging heeft bij pleidooi het verzoek gedaan om aangever als getuige te horen indien de rechtbank de verklaring van aangever ten aanzien van het geweld en de dreiging voor het bewijs zou gebruiken maar uitsluitend als de rechtbank daarbij ook tot oplegging van een gevangenisstraf zou komen.

Omdat de rechtbank de verklaring van aangever ook ten aanzien van het geweld en de bedreiging daarmee voor het bewijs gebruikt, zal de rechtbank niet pas bij de bepaling van de strafmaat maar reeds hier op dit voorwaardelijke verzoek beslissen.

De rechtbank wijst het verzoek af en overweegt daartoe als volgt.

De verdediging heeft eerst ter zitting een lastig te duiden verzoek gedaan nu zij haar verzoek geheel afhankelijk heeft gemaakt van het al dan niet opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank vindt in die onderbouwing van het verzoek geen noodzaak om de aangever als getuige te horen. De rechtbank weegt daarbij tevens mee de stand van het onderzoek en het belang om de strafzaak binnen een redelijke termijn af te doen De rechtbank betrekt hierbij dat het feit dateert van februari 2024 en verdachte in juni 2024 door de politie is verhoord. In deze zaak is regie gevoerd door de rechter-commissaris en zijn door de verdediging geen onderzoekswensen ingediend.

Bewijsmotivering en partiële vrijspraak zaak B

De rechtbank acht het in zaak B ten laste gelegde bewezen op grond van de aangifte, het proces-verbaal met de beschrijving van de camerabeelden en de verklaring van verdachte ter terechtzitting. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het geven van een knietje, aangezien op grond van het proces-verbaal van camerabeelden niet kan worden vastgesteld dat verdachte die specifieke geweldshandeling heeft begaan. De rechtbank acht ook niet bewezen dat het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad. Het dossier bevat te weinig informatie om te kunnen vaststellen dat het letsel dat aangever heeft opgelopen, als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. De rechtbank zal verdachte daarom ook van dat onderdeel vrijspreken.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van zaak A:

op 3 februari 2024 te Amsterdam gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, tezamen en in vereniging met een ander, een laptop die aan [benadeelde partij 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl hij, verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen Macbook onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte en zijn medeverdachte niet gerechtigd waren, welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door

- op dreigende wijze te zeggen dat die [benadeelde partij 1] in bed moest blijven liggen en

- die [benadeelde partij 1] vast te pakken en

- die [benadeelde partij 1] vast te houden;

Ten aanzien van zaak B:

op 30 augustus 2022 te Amsterdam, [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door

- ( met kracht) met zijn vuist tegen het bovenlichaam van voornoemde [benadeelde partij 2] te hebben geslagen en

- ( met kracht) met zijn vuist tegen het gezicht en/of oor van voornoemde [benadeelde partij 2] te slaan en

- ( met kracht) tegen het lichaam van voornoemde [benadeelde partij 2] te schoppen terwijl hij op de grond lag en

- ( met kracht) aan het lichaam van voornoemde [benadeelde partij 2] te hebben getrokken waardoor voornoemde [benadeelde partij 2] ten val is gekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met een proeftijd van 2 jaar.

De verdediging heeft verzocht om geen gevangenisstraf op te leggen en rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte zijn verantwoordelijkheid heeft genomen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en met valse sleutel in de nacht in vereniging (zaak A). Dit is een ernstig feit, dat zich bovendien heeft afgespeeld in de woning van het slachtoffer, bij uitstek de plek waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Dit soort feiten heeft veel impact op de slachtoffers en daarom worden hier doorgaans ook (forse) gevangenisstraffen voor opgelegd. De mishandeling (zaak B) is eveneens een ernstig feit. Hoewel de rechtbank in dit vonnis niet vaststelt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel, blijkt uit het dossier en het namens slachtoffer uitgeoefende spreekrecht wel dat het slachtoffer langere tijd last heeft gehad van de gevolgen van dit feit. De rechtbank rekent dit verdachte dan ook aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 19 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten.

Uit het rapport van de reclassering van 19 februari 2026 blijkt dat verdachte een belast verleden heeft, dat wordt gekenmerkt door onder andere trauma’s en dat hij al langere tijd in aanraking komt met de politie. Bovendien heeft hij een negatief sociaal netwerk en hebben interventies door de reclassering eerder niet hun vruchten afgeworpen. Wel is verdachte al langere tijd intrinsiek gemotiveerd om iets van zijn leven te maken en heeft hij zelfstandig een baan gevonden. Ook is hij sinds 2024 niet meer in aanraking gekomen met de politie. De reclassering ziet daarom mogelijkheden voor interventies en adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen en meewerken aan dagbesteding en het aflossen van schulden.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij in de afgelopen periode heeft geprobeerd zijn leven ten positieve te keren. De rechtbank weegt verder in matigende zin mee dat de feiten van geruime tijd terug dateren. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met twee veroordelingen tussen het moment van het plegen van onderhavige feiten en de datum waarop dit vonnis wordt gewezen.

Hierin ziet de rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank is gelet op de ernst van de feiten echter van oordeel dat alleen een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval passend is.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bepaalt daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Verdachte kan hierdoor gedurende de proeftijd zijn positieve voornemens met steun van de reclassering gaan uitvoeren.

8. Benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 4.237,64 aan vergoeding van materiële schade en € 150,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

De gevorderde materiële schade bestaat uit de posten (zakelijk weergegeven):

“iPhone” € 540,-;

“Macbook” € 1.000,-;

“contant geld” € 310,-;

“Key Tag” € 50,-;

“Portemonnee” € 47,-;

“Sleutels” € 30,-;

“nieuwe Iphone” € 599,99;

“nieuwe Macbook” € 1.517,85;

Betalingen met bankpas € 143,80.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 730,- zoals dit ook in de zaak van de mededader is toegewezen. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen de post “Macbook” kan worden toegewezen, voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Materiële schade

“Macbook” ad € 1.000,- en nieuwe Macbook € 1.517,85;

De rechtbank stelt vast dat de Macbook is gestolen (zoals bewezen ten aanzien van zaak A), maar kan de precieze waarde hiervan niet vaststellen. De rechtbank schat deze naar billijkheid op € 500,- en wijst de vordering tot die hoogte (hoofdelijk) toe.

“Key Tag” ad € 50,- en “Sleutels” ad € 30,-

De rechtbank stelt vast dat de Key Tag en de sleutels in bezit van verdachte en zijn mededader zijn gekomen en dat zij deze hebben meegenomen. De rechtbank acht de gevorderde schadevergoeding hiervoor billijk en wijst deze (hoofdelijk) toe.

iPhone” ad € 540,- en nieuwe Iphone ad € 599,99 en “Portemonnee” ad € 47,-,

De rechtbank overweegt dat verdachte wordt vrijgesproken van de diefstal van deze goederen. De benadeelde partij zal ten aanzien van deze posten dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

“contant geld” ad € 310,- en betalingen met bankpas € 143,80.

De rechtbank kan op grond van het dossier en de vordering niet vaststellen of deze schade (totaal: € 453,80) rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde. De benadeelde partij zal ten aanzien van deze posten dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het ten aanzien van zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn/haar persoonlijke levenssfeer. Dit deel van de vordering is niet betwist en de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank ook niet onredelijk voor. De rechtbank wijst de vordering voor dit deel dan ook (hoofdelijk) toe.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij 1], naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het ten aanzien van zaak A bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 730,-, bestaande uit € 580,- aan materiële schade en € 150,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het ten aanzien van zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat het toe te wijzen deel van de vordering zou moeten worden gematigd vanwege de eigen schuld van de benadeelde partij. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en de rol van de benadeelde partij zelf is niet zodanig dat kan worden gesproken van eigen schuld.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, ziet de rechtbank wel aanleiding om de immateriële schadevergoeding lager te schatten dan is gevorderd. De rechtbank schat de schade naar billijkheid op € 500,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij 2], naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het ten aanzien van zaak B bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 500,- met vermeerdering van de wettelijke rente.

9. Vordering TUL

Bij de stukken bevindt zich de op 3 maart 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/138934-21, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 8 februari 2022 van de meervoudige strafkamer te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 2 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verder bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Verdachte heeft zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze straf om te zetten in een taakstraf, zoals de verdediging heeft verzocht.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A: diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;

Ten aanzien van zaak B:

mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 10 (tien) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde gedurende de proeftijd:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en

zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Leger des Heils Reclassering op het adres [adres 2].

- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op delictpreventie, psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nog nader bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 580,- (vijfhonderdtachtig euro) aan vergoeding van materiële schade en € 150,- (honderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1], aan de Staat € 730,- (zevenhonderddertig euro) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 7 (zeven) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 augustus 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 augustus 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 (vijf) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis met parketnummer 13/138934-21 van 8 februari 2022, namelijk 2 (twee) maanden gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,

mrs. C.J.M. in ’t Veld-Vernooij en M. Bijleveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2026.

[…]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.P.E. Meewisse

Griffier

  • mr. G. Brokkelkamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?