RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-004147-26
Datum uitspraak: 12 maart 2026
TUSSEN- UITSPRAAK
op de vordering van 27 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 december 2025 door de Městský soud v Brně [Stadsrechtbank in Brno], Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Tsjechië) op [geboortedag] 1997,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om op de zitting te verschijnen. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Tsjechische nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt in onderdeel b) een arrestatiebevel, uitgevaardigd door de Městský soud v Brně [Stadsrechtbank in Brno] op 22 oktober 2025 onder dossiernummer 12 T 155/2024.
In onderdeel f) van het EAB vermeldt de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie:
“Bij vonnis van de Stadsrechtbank in Brno van 3 december 2024, dossiernummer 12 T 155/2024, werd de veroordeelde [de opgeëiste persoon] veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, voorwaardelijk opgeschort voor een proeftijd van 24 maanden, en werd toezicht op de veroordeelde gelegd. Bij besluit van de Stadsrechtbank in Brno van 9 september 2025, dossiernummer 12 T 155/2024, werd de veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, omdat hij tijdens de proeftijd niet aan de voorwaarden voldeed. Dit vonnis is nog niet aan de veroordeelde betekend en is nog niet van kracht geworden. Nadat de veroordeelde aan het strafproces is overgedragen, zal deze uitspraak aan de veroordeelde worden betekend en zal de veroordeelde tegelijkertijd in hechtenis worden genomen, d.w.z. dat zijn persoonlijke vrijheid zal worden beperkt. Nadat de betreffende uitspraak rechtskracht heeft gekregen, zal de veroordeelde worden overgebracht om een gevangenisstraf van zes maanden uit te zitten.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Niet duidelijk is of sprake is van een vervolgings- of een executie-EAB. In onderdeel f) wordt namelijk melding gemaakt van een voorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden die aan de opgeëiste persoon is opgelegd, terwijl ook wordt vermeld dat deze straf inmiddels onvoorwaardelijk is geworden. Er is geen informatie verstrekt over de reden voor de tenuitvoerleggingsbeslissing. Indien sprake is van tenuitvoerlegging van de straf vanwege een nieuw strafbaar feit moet informatie verstrekt worden over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in die nieuwe zaak.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van de zaak. Uit onderdeel b) van het EAB blijkt dat het aanhoudingsbevel van 22 oktober 2025 de grondslag is van het overleveringsverzoek en niet de executie van de opgelegde straf. De tenuitvoerleggingsbeslissing is nog niet onherroepelijk en heeft geen rechtskracht. Daarom is sprake van een vervolgings-EAB. De rechtbank hoeft dan ook niet te toetsen of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen ten aanzien van het vonnis van 3 december 2024 en het besluit tot tenuitvoerlegging van 9 september 2025.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank constateert dat in onderdeel b) van het EAB een aanhoudingsbevel van 22 oktober 2025 met dossiernummer 12 T 155/2024 wordt vermeld als grondslag voor het overleveringsverzoek. De rechtbank leest daarnaast in onderdeel f) van het EAB dat de opgeëiste persoon bij vonnis van 3 december 2024 van de Stadsrechtbank in Brno met kenmerk 12 T 155/2024 is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van 24 maanden. Bij besluit van 9 september 2025 van de Stadsrechtbank in Brno met kenmerk 12 T 155/2024 is de opgeëiste persoon veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, omdat hij tijdens de proeftijd niet aan de voorwaarden voldeed. Dit vonnis is volgens het EAB nog niet aan de opgeëiste persoon betekend en is nog niet van kracht geworden.
Onderdeel f) vermeldt daarnaast dat het besluit na overlevering aan de opgeëiste persoon betekend zal worden en dat hij tegelijkertijd in hechtenis zal worden genomen. Nadat de betreffende uitspraak rechtskracht heeft gekregen, zal de opgeëiste persoon een gevangenisstraf van zes maanden uit moeten zitten.
Op grond van het vorenstaande is het voor de rechtbank niet duidelijk wat nu de precieze grondslag is van het EAB, aangezien onder kenmerknummer 12 T 155/2024 sprake is van zowel een aanhoudingsbevel, een vonnis en een beslissing waarbij de executie van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf lijkt te zijn bevolen. Het is voor de rechtbank voorts niet duidelijk of, indien het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf van zes maanden, de opgeëiste persoon gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten tijdens de procedure die tot het vonnis van 3 december 2024 heeft geleid.
Om die reden zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
1. Welke beslissing(en) vorm(t)(en) de grondslag voor het overleveringsverzoek: het aanhoudingsbevel van 22 oktober 2025 en/of het vonnis van 3 december 2024 en/of het besluit van 9 september 2025?
2. Is er sprake van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis?
a. Zo ja, welke beslissing is dit en staat tegen deze beslissing nog een rechtsmiddel open?
b. Zo ja, welk rechtsmiddel en binnen welke termijn moet dit rechtsmiddel worden aangewend?
c. Indien geen rechtsmiddel meer kan worden aangewend tegen deze beslissing en de beslissing onherroepelijk is, kunt u in dat geval onderdeel d) van het EAB invullen ten aanzien van het vonnis van 3 december 2024?
d. Indien de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij het proces dat tot het vonnis van 3 december 2024 heeft geleid, niet in persoon is opgeroepen en niet is vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat, kunt u dan aangeven of de opgeëiste persoon in een vooronderzoek door de politie is verhoord over het strafbare feit, en of hij een instructie heeft ontvangen waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan?
e. Is de oproep voor de zitting vervolgens naar het opgegeven adres verstuurd?
3. Is het besluit van 9 september 2025 de tenuitvoerleggingsbeslissing van de voorwaardelijke vrijheidsstraf die is opgelegd in het vonnis van 3 december 2024?
a) Zo ja, wat is de reden geweest voor deze tenuitvoerleggingsbeslissing?
b) Indien de reden is gelegen in het plegen van - of een veroordeling voor - een nieuw strafbaar feit, kunt u in dat geval onderdeel d) ten aanzien van de deze nieuwe veroordeling invullen?
4. Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
5. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd.
BEPAALT dat de zaak uiterlijk 26 maart 2026 (de beslistermijn verstrijkt op 5 april 2026) op zitting wordt aangebracht.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Tsjechische taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.