RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-329861-25
Datum uitspraak: 19 maart 2026
TUSSEN- UITSPRAAK
op de vordering van 5 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 december 2025 door de Procureur de la République bij de rechtbank van Parijs, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1969 in [geboorteplaats] (Turkije),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.J. Korver, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Turkse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van de onderzoeksrechter van de rechtbank van Parijs van 13 november 2025 met kenmerk 25050000597.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in wapens, munitie en explosieven.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd.
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Het Tribunal Judiciaire de Paris heeft op 14 januari 2026 de volgende garantie gegeven:
"In antwoord op uw verzoek van 13 januari 2026, heb ik de eer u mede te delen dat, in overeenstemming met het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 – 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de overleveringsprocedures tussen de lidstaten, garandeer ik dat [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1969 in Turkije, indien hij aan het einde van de procedure onherroepelijk wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de feiten die ten grondslag liggen aan het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door het parket van Parijs op 3 december 2025, zijn straf of straffen kan ondergaan in NEDERLAND, waarvan hij staatsburger of inwoner is."
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op feiten die geacht worden “in Parijs, Île de France, en op ondeelbare wijze in Nederland, Spanje en Duitsland” te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 13, sub a en sub b, OLW van toepassing is en verzocht van toepassing van deze weigeringsgrond af te zien. Ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 13, sub a, OLW heeft de officier van justitie aangevoerd dat het onderzoek in Frankrijk is aangevangen, het bewijs zich in Frankrijk bevindt, de wapens in Frankrijk zijn ingevoerd, de wapens in Frankrijk in beslag zijn genomen, er een terugkeergarantie is verstrekt en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de feiten zelf te vervolgen. Ten aanzien van de weigeringsgrond van artikel 13, sub b, OLW heeft de officier van justitie opgemerkt dat hij denkt dat Nederland in dit geval geen vervolging kan instellen.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van artikel 13, sub a, OLW
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet hierop en op de door de officier van justitie gegeven argumenten, is de rechtbank van oordeel dat het gegeven dat de feiten worden geacht op ondeelbare wijze in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding is om de weigeringsgrond van artikel 13, sub a, OLW toe te passen.
Ten aanzien van artikel 13, sub b, OLW
Op grond van artikel 13, onder b, OLW kan de rechtbank de overlevering weigeren, indien het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geheel buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat zijn gepleegd, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien de feiten buiten Nederland zouden zijn gepleegd.
Bij de feiten in het EAB gaat het om vuurwapenbezit met onder meer de pleegplaatsen “Parijs, Île de France”, zodat de weigeringsgrond van artikel 13, onder b, OLW niet van toepassing is.
7. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Frankrijk
Inleiding
In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m². Bij tussenuitspraak van 12 februari 2026 heeft de rechtbank het algemene gevaar aangevuld met betrekking tot de detentie-instelling in Fresnes. Mannelijke verdachten en veroordeelden met een (rest)straf van niet meer dan twee jaar worden in een Huis van Bewaring gedetineerd, en zo ook de opgeëiste persoon. Ook wordt de opgeëiste persoon “in principe” gedetineerd in Fresnes. Voor hem geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van grondrechten in detentie in Frankrijk.
Bij brief van 26 januari 2026 heeft the Head of the Office for International Mutuel Criminal Assistance – voor zover relevant – de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"In view of the above criteria, the Paris Public Prosecutor's Office informs us that [opgeëiste persoon] would, in principle, be assigned to the Fresnes prison, which is under the authority of the Paris Interregional Prison Service, whose occupancy rate was, on December 1, 2025, 167.7% according to French standards for calculating the occupancy rate of prisons. This facility was chosen in particular because the co-perpetrators were being held in other facilities in the Île-de-France region, in order to prevent them from communicating with each other. (...)
1. The conditions of incarceration of [opgeëiste persoon] (...) In the Fresnes prison, as in all French prisons, the calculation of capacity of prisons is carried out in accordance with the provisions of the circular of March 16, 1988, and the note of March 18, 2014, which specifies the procedure for any change in operational capacity : The 1988 circular defines capacity as the sum of cells and dormitories used to house prisoners in normal detention, regardless of the type of prisoner. The operational capacity is calculated in terms of places by reference to the floor area of the premises. The area of the sanitary facilities is therefore included in the floor area of the premises; it depends on technical constraints and varies between 1.4 and 1.8 m². French standards stipulate that: - cells with a floor area of less than 11 m² are considered to be single cells; - those measuring up to 14m² are double cells; - those measuring up to 19m² accommodate up to a maximum of three inmates; - those measuring up to 24m² accommodate a maximum of four inmates, etc. (...)
Due to the methodological difference in calculating the surface area of cells and the personal space available to each prisoner between French regulations and the standards derived from European Case law, it is not possible for the French authorities to provide the guarantees requested regarding the minimum surface area available to prisoners when they are handed over to the French Judicial authorities, since the occupancy rate of prisons, defined according to French regulatory standards, is by definition variable and linked to the date of surrender of the wanted person, which is unknown at this stage, and since the national standards resulting from the circular of March 16, 1988, used to measure cells in French prisons, do not allow for the distinction between personal space available outside the sanitary area.
The actual conditions of [opgeëiste persoon]'s incarceration in the Fresnes remand center The Fresnes prison consists of a “men's remand center” (MAH) for persons awaiting Judgment, such as [opgeëiste persoon]. The “men's remand center” section has: - 1.122 cells measuring 9 to 10m², with a theoretical capacity of 1 place, - 2 cells measuring 19 to 24 m2, with a theoretical capacity of 4 places, -4 cells measuring 13 to 14 m2 designed for disabled prisoners, with a theoretical capacity of 1 place, - 50 cells measuring 9 to 10m², with a theoretical capacity of 1 place in the “new arrivals” section. (...)
In light of the above, the French Ministry of Justice considers that European detention standards will be fully respected with regard to [opgeëiste persoon], if he will be detained in the Fresnes detention center."
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich onder verwijzing naar de tussenuitspraak van deze rechtbank van
12 februari 2026 primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB, omdat sprake is van een individueel gevaar voor een schending van grondrechten. De afgegeven individuele detentiegarantie in deze zaak is vergelijkbaar met de detentiegarantie in de tussenuitspraak van 12 februari 2026. De detentieomstandigheden in detentie-instelling Fresnes zijn dermate slecht dat geen redelijke termijn meer hoeft te worden gesteld en direct geen gevolg kan worden gegeven aan het EAB. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om af te wachten of er een wijziging in omstandigheden plaatsvindt die het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden, omdat sprake is van een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. Er dient wel een redelijke termijn te worden gesteld om de Franse autoriteiten in de gelegenheid te stellen om een wijziging in omstandigheden aan te tonen die het individuele gevaar wegneemt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de aanvullende informatie van 26 januari 2026 vast dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid gedetineerd zal worden in detentie-instelling Fresnes. Bij de door de raadsman aangehaalde tussenuitspraak van 12 februari 2026 heeft deze rechtbank het algemene gevaar van een schending van grondrechten in detentie in Frankrijk aangevuld met betrekking tot de detentie-instelling Fresnes. De rechtbank baseert het algemene gevaar voor de detentie-instelling Fresnes op de overbevolkingsproblematiek en de slechte materiële detentieomstandigheden, het niet-functionerende intercomsysteem en het ontoereikende niveau van de gezondheidszorg.
Nog daargelaten dat de rechtbank op basis van de verstrekte detentiegarantie niet kan concluderen dat de opgeëiste persoon in detentie een persoonlijke leefruimte van ten minste 3 m2 exclusief sanitaire voorzieningen tot zijn beschikking zal krijgen, is de verstrekte detentiegarantie in het licht van de uitbreiding van het al eerder aangenomen algemene gevaar in de detentie-instelling Fresnes onvoldoende om het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen.
Gelet op het voorgaande is dat algemene gevaar dan ook niet weggenomen en stelt de rechtbank daarmee vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling Fresnes als de overlevering zou worden toegestaan.
Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan, omdat – anders dan de raadsman heeft betoogd – er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog – en binnen afzienbare tijd – kan worden uitgesloten. Op de volgende zitting zal de rechtbank onderzoeken of een wijziging in de omstandigheden optreedt.
De rechtbank stelt hierbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn van 30 dagen waarbinnen dergelijke informatie dient te worden ontvangen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland tussen het einde van deze redelijke termijn (17 april 2026) en veertien dagen voor het verstrijken van de beslistermijn op 26 mei 2026, zodat nagegaan kan worden of een wijziging in de omstandigheden binnen de redelijke termijn van 30 dagen is opgetreden. Op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, verlengt de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met zestig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Wanneer binnen de hierboven gestelde redelijke termijn geen wijziging in de omstandigheden is opgetreden, zal aan de overlevering ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven en zal de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard.
8. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw moet worden ingepland ná het verlopen van de redelijke termijn (een zitting tussen 21 april 2026 en 12 mei 2026).
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen (einde beslistermijn op 26 mei 2026).
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de datum en tijdstip van de volgende zitting, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Turkse taal tegen de datum en tijdstip van de volgende zitting.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.