ECLI:NL:RBAMS:2026:3057

ECLI:NL:RBAMS:2026:3057

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 13/205921-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vrijspraak daar het ten laste gelegde niet kan worden bewezen

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/205921-25

Datum uitspraak: 26 maart 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 2004,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 12 maart 2026 en mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van de politierechter van 16 december 2025, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.J. Ros, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.J. Jager, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/205918-25).

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 30 juni 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

1. medeplegen van mishandeling van [slachtoffer] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;

2. openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] , terwijl het feit zwaar, in elk geval enig lichamelijk letsel ten gevolge had.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Vrijspraak

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten kunnen worden bewezen. Zij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd. Een beroep op noodweer(exces) kan niet slagen, omdat er voor verdachte geen noodzaak tot verdediging was. Mocht wel sprake zijn van een noodweersituatie dan kan een beroep op noodweerexces ook niet slagen, omdat geen sprake was van een hevige gemoedsbeweging.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van mishandeling (feit 1) en worden ontslagen van alle rechtsvervolging van openlijke geweldpleging (feit 2), omdat hem een beroep op noodweer toekomt. Verdachte heeft [medeverdachte] verdedigd tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding met een baksteen van aangever. Het handelen van verdachte, te weten het slaan van aangever, was noodzakelijk, en voldeed aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

In de avond van 30 juni 2025 heeft zich op de Stammerdijk in Diemen een incident voorgedaan waarbij verdachte, medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) betrokken waren.

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat verdachte, [medeverdachte] , diens vrouw en hun drie jonge kinderen in de avond van 30 juni 2025 in een motorbootje op de Weespertrekvaart voeren. Verdachte en [medeverdachte] (zwagers, de vrouw van [medeverdachte] is tevens de zus van verdachte) droegen zwemkleding, de kinderen in het bootje waren vijf jaar, twee jaar en circa anderhalve maand oud. Ze passeerden de woonboot van [slachtoffer] , die dat moment op het terras van zijn woonboot zat. Door de snelheid van het bootje ontstond golfslag, waarop [slachtoffer] naar het bootje schreeuwde dat zij veel te hard gingen. [slachtoffer] heeft vervolgens een baksteen gepakt en deze vanaf de kade in de richting van het varende bootje gegooid. Hierna is [slachtoffer] met nog een baksteen in zijn hand achter de boot aan (blijven) fietsen. [medeverdachte] , de bestuurder van de boot, heeft de boot daarop naar de wal gestuurd, heeft aangemeerd en is aan wal gegaan en naar [slachtoffer] toegelopen. [slachtoffer] was erg boos en had nog steeds de baksteen in zijn hand. [medeverdachte] heeft vervolgens de zonnebril van [slachtoffer] gepakt en gezegd dat [slachtoffer] deze pas terug kreeg als deze de baksteen los zou laten. Vanaf dat moment lopen de verklaringen van [medeverdachte] , [slachtoffer] en verdachte uiteen.

Na het incident worden bij alle drie de betrokkenen (verdachte, [medeverdachte] en [slachtoffer] ) letsels waargenomen door verbalisanten. Bij [slachtoffer] blijkt zijn linker oorlel er geheel af te zijn.

Verklaringen

[slachtoffer]

heeft verklaard dat de man die als eerste aan wal kwam (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) zijn zonnebril had afgepakt, de zonnebril kapot boog en dat hij hierna direct een klap op zijn oor van die man kreeg. Vervolgens kwam er nog een man op hem af (de rechtbank begrijpt: verdachte). [slachtoffer] heeft verklaard dat hij toen door beide jongens meerdere keren werd geslagen.

[medeverdachte]

ontkent dat hij geweld tegen [slachtoffer] heeft gepleegd. Hij heeft verklaard dat hij besloot om de boot aan te meren, omdat [slachtoffer] dreigde dat hij nog meer bakstenen zou gooien. Toen de boot was aangemeerd en [medeverdachte] was afgestapt en naar [slachtoffer] was toegelopen bleef [slachtoffer] agressief en dreigen met de baksteen. [medeverdachte] heeft toen de bril van [slachtoffer] gepakt. Op dat moment begon [slachtoffer] met de baksteen op het hoofd, het lichaam en de rug van [medeverdachte] te slaan. Vervolgens is verdachte van de boot in het water gesprongen om [medeverdachte] te helpen. Uiteindelijk is het verdachte gelukt om de baksteen af te pakken en [slachtoffer] weg te jagen.

Verdachte

Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] aan de wal naar [slachtoffer] was toegelopen en dat hij zag dat [slachtoffer] de baksteen niet los wilde laten. Verdachte is in het water gesprongen en aan wal gegaan toen hij zag dat [slachtoffer] slaande bewegingen met de baksteen maakte tegen het hoofd van [medeverdachte] . Hierop heeft verdachte de baksteen van [slachtoffer] afgepakt en heeft hij [slachtoffer] geslagen, waarbij hij hem één keer heeft geraakt. [slachtoffer] heeft [medeverdachte] toen losgelaten. Verdachte heeft [slachtoffer] op de knieën gedwongen, omdat [slachtoffer] veel groter was dan hij en hij zich geïntimideerd voelde. Verdachte wilde zich groter voelde.

Twee getuigen hebben het incident (gedeeltelijk) gezien:

Getuige [getuige 1]

Getuige [getuige 1] fietste over de Stammerdijk en zag dat een Nederlandse man aan het schreeuwen was en bakstenen naar een boot gooide. [getuige 1] heeft niet gezien of de stenen in de boot of tegen de boot aan zijn gekomen. De Nederlandse man (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) was boos. De mensen in de boot schreeuwden dat de man normaal moest doen, omdat er kinderen in de boot zaten. De Marokkaanse man (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ) stopte de boot en stapte aan de kant. Vervolgens ontstond er een woordenwisseling. De man had nog steeds een steen in zijn hand. De Marokkaanse man pakte de bril af van de man en hij zei: “Als je nu die steen niet uit je hand haalt dan geef ik je bril niet terug.” Toen ontstond er een gevecht tussen deze twee mannen. Er kwam ook nog een andere man van de boot om te helpen. [getuige 1] heeft niet veel van het gevecht zelf gezien. Hij weet niet wie de eerste klap heeft gegeven.

Getuige [getuige 2]

Getuige [getuige 2] bevond zich aan de overkant van het water op de provinciale weg. Hij stond op ongeveer twintig meter afstand van het incident. [getuige 2] zag dat een man een aantal mensen in een boot aansprak omdat ze te hard voeren. De jongens op de boot schreeuwden ‘kankermoer’ naar de man en de man schreeuwde “Je bent toch niet achterlijk! Je bent een mongool dat je zo hard vaart hier.” De man fietste vervolgens in dezelfde richting als de boot. Later hoorde [getuige 2] dat de meneer ‘Hou op, hou op!” schreeuwde. Een jongere gast (de rechtbank begrijpt: verdachte) riep dat de man op zijn knieën moest gaan. Op dit moment waren ze uit het zicht van [getuige 2] . Vervolgens zag [getuige 2] dat de man achteruitliep met zijn handen in de lucht. De jongere jongen liep met een steen in zijn hand en schreeuwde dat de man op zijn knieën moest. Deze jongen maakte drie stootgebaren in de richting van de oudere man. De man wankelde naar achteren. [getuige 2] heeft vervolgens de politie gebeld.

Vrijspraak van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolg (feit 1)

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en om die reden moet worden vrijgesproken van feit 1. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is, ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Als hiervan sprake was, moet worden beoordeeld of het noodzakelijk was dat verdachte zich verdedigde (de zogeheten subsidiariteit) en of de manier waarop hij zich verdedigde in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding (de zogeheten proportionaliteit).

De rechtbank heeft vastgesteld dat aangever een baksteen in de richting van de boot heeft gegooid, waar ook de drie erg kleine kinderen van [medeverdachte] in zaten, en dat hij vervolgens met een baksteen in de hand achter de boot is aangefietst.

De reden dat [medeverdachte] de wal op is gegaan en naar [slachtoffer] is gelopen is dat hij de dreigende situatie die [slachtoffer] door de achtervolging van het bootje met een baksteen in de hand veroorzaakte wilde stoppen. Hij wilde zijn gezin beschermen en [slachtoffer] overhalen de baksteen te laten vallen.

De verklaringen van verdachte en [medeverdachte] en de verklaring van aangever over het incident dat vervolgens het letsel bij aangever heeft veroorzaakt lopen echter uiteen. De rechtbank is van oordeel dat de lezing van verdachte en [medeverdachte] over het verloop van het incident echter niet kan worden uitgesloten op grond van de objectieve bewijsmiddelen in het dossier, te weten de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat, nu de lezing van verdachte en [medeverdachte] niet onaannemelijk kan worden geacht, van die lezing dient te worden uitgegaan.

Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat [medeverdachte] aan wal was gegaan, in het water is gesprongen en ook aan wal is gegaan toen hij zag dat [slachtoffer] slaande bewegingen met de baksteen maakte naar het hoofd van [medeverdachte] . De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lichaam van [medeverdachte] . Verdachte is [medeverdachte] vervolgens te hulp geschoten. Hij is van boord gesprongen, de wal opgeklommen en heeft de baksteen van [slachtoffer] afgepakt en hem geslagen. In deze situatie was er geen andere uitweg voor verdachte en kon hij niet anders dan [medeverdachte] verdedigen. Aan het subsidiariteitsvereiste is daarmee voldaan. De rechtbank is van oordeel dat de wijze van verdediging van verdachte, het met blote handen slaan van [slachtoffer] , niet in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding, die bestond uit het slaan door aangever van [medeverdachte] met een baksteen. Aan het vereiste van proportionaliteit is daarom voldaan.

Het beroep op noodweer slaagt.

Nu de rechtbank van oordeel is dat de verdachte een geslaagd beroep op de rechtvaardigingsgrond noodweer kan doen, kan onder feit 1 niet worden bewezen dat de ten laste gelegde gedraging wederrechtelijk en daarmee mishandelend is, aangezien met de term ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 Sr mede de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking wordt gebracht (vgl. Hoge Raad 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690). Het geslaagde beroep op noodweer ontneemt aan het geweld zijn wederrechtelijk karakter. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van feit 1.

Vrijspraak van openlijke geweldpleging, met zwaar lichamelijk letsel ten gevolg (feit 2)

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van openlijke geweldpleging, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte ‘in vereniging’ geweld heeft gepleegd. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat [medeverdachte] geweldshandelingen heeft gepleegd tegen [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft verklaard dat de man die als eerste aan wal kwam een klap heeft gegeven, maar deze verklaring wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. De getuigenverklaring van [getuige 1] biedt die ondersteuning niet, nu hij slechts heeft verklaard dat hij deze twee mannen heeft zien vechten en dat hij niet veel van het gevecht heeft gezien. Hij heeft niet specifiek verklaard dat [medeverdachte] geweld heeft gepleegd en wat dat geweld dan inhield. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het aan hem onder twee ten laste gelegde.

4. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 6.723,16 aan vergoeding van materiële schade, € 20.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 12,40 aan proceskosten.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast. De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

5. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,

mrs. A.M. Grüschke en A.M. Timorason, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.A.E. Somsen

Griffier

  • mr. S. van Gerven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?